Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH4378

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
137540/KG ZA 09-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"vrijheid van meningsuiting"; "artikel 10 EVRM"; "rectificatie" en "preventief verbod".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 19 februari 2009

Zaaknummer : 137540 / KG ZA 09-57

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegheid ZWEMVERENIGING [EISER]

statutair gevestigd te Echt, gemeente Echt-Susteren,

eiseres in kort geding,

advocaat mr. A.J.T.J. Meuwissen, kantoor houdende te Maasbracht;

tegen:

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE LIMBURGER B.V.,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERSMAATSCHAPPIJ LIMBURGS DAGBLAD B.V.,

beiden gevestigd en kantoor houdende te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagden in kort geding,

advocaat mr. J.L.J.E. Koster.

1.Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen “de zwemvereniging”, heeft gedaagde sub 1, hierna te noemen “UDL”, en gedaagde sub 2, hierna te noemen “ULD”, gezamenlijk te noemen “gedaagden”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 16 februari 2009, heeft de zwemvereniging gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.

Gedaagden hebben aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties, waarna partijen op elkaars stellingen hebben gereageerd.

Ten slotte heeft de zwemvereniging om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is gelet op het uiterst spoedeisend belang bepaald op 19 februari 2009, op welke dag een verkort vonnis is gewezen waarvan de beslissing luidt zoals hieronder is bepaald, waarbij is aangegeven dat de schriftelijke uitwerking zo spoedig mogelijk zal volgen. Ten slotte is dit uitgewerkte vonnis aan partijen afgegeven op 2 maart 2009.

2.Het geschil

2.1 UDL is een uitgeversmaatschappij die het dagblad De Limburger (hierna: De Limburger) uitgeeft. De Limburger is een provinciaal dagblad dat met name in de provincie Limburg wordt verspreid.

ULD is de uitgeefster van het Limburgs Dagblad (hierna: het Limburgs Dagblad), zijnde een dagblad dat met name in Zuidoost-Limburg wordt verspreid.

De beide uitgeversmaatschappijen (zoals hiervoor al was aangegeven, zullen zij hierna worden aangeduid als “gedaagden”) zijn volledige dochters van Media Groep Limburg B.V.. Hun redacties zijn samengevoegd.

2.2 In zowel De Limburger als het Limburgs Dagblad is op vrijdag 6 februari 2009 op de voorpagina een artikel gepubliceerd met de kop “CDA Echt bevoordeelde vrienden”. Het artikel maakt onderdeel uit van de in voormelde kranten, en inmiddels ook in media in de rest van het land, breed uitgemeten “Sinterklaas-affaire”. Die affaire ziet –kort gezegd- op, aldus voormelde kranten, het door enkele wethouders van de gemeente Echt bevoordelen van lokale verenigingen door middel van giften uit gemeenschapsgeld, buiten de gemeenteraad om.

2.3 De zwemvereniging stelt dat gedaagden met het plaatsen van na te melden passage uit voormeld artikel, onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld:

“(…) Zo is op 3 juni 2008 door CDA-wethouder Peter [[Y]] een brief gestuurd aan collega CDA-wethouder [[X]], waarin deze in zijn hoedanigheid als bestuurslid van de plaatselijke zwemvereniging geld uit het door het CDA beheerde potje krijgt toebedeeld. Hoewel leden van de zwemvereniging zelf aangeven dat [[X]] voor juni 2008 al bestuurslid was bij de club, claimt de wethouder dat hij dat pas na die tijd was en hij de brief nooit heeft gezien.“Hoe de naam van de wethouder op de brief terecht kon komen, weet hij ook niet”, zegt een gemeentewoordvoerster. (...)”

Aan het eind van het artikel is de internetsite van de krant vermeld. Op die site is genoemde brief aan de zwemvereniging d.d. 3 juni 2008 weergegeven, waarbij wel het postbusadres en bankrekeningnummer van de zwemvereniging zwart zijn gemaakt. Te zien is in ieder geval dat de brief aan de zwemvereniging is gericht. In bedoelde brief, die gericht is aan “Zwemvereniging [eiser] Echt T.a.v. Dr. [[X]]”, is het volgende vermeld:

“Geachte heer/mevrouw,

Naar aanleiding van de van uw ontvangen gegevens delen wij u mede dat conform de gemaakte afspraken en gedane toezeggingen een bedrag van € 500,00 op uw bank/girorekening 55.82.633 is overgemaakt onder vermelding tegemoetkoming CDA-fractie.

Voor eventuele vragen omtrent deze beschikking kunt u zich wenden tot ondergetekende.

Hoogachtend,

Namens de CDA-fractie Echt-Susteren,

Drs. P.H.J. [[Y]], wethouder”

Op zaterdag 7 februari 2009 is in beide kranten wederom een groot artikel verschenen over de “Sinterklaas-affaire”, welk artikel nog niet het laatste was dat over deze kwestie handelt. Ditmaal is onder andere een foto van wethouder [[X]] (hierna: [[X]]) opgenomen. Ook wordt melding gemaakt van “ZV [eiser]”.

2.4 De zwemvereniging stelt –kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

Voormelde geciteerde passage is onrechtmatig jegens de zwemvereniging, vanwege het volgende. De zwemvereniging en haar bestuursleden worden door de bewuste passage aangetast in hun eer en goede naam. Het is eenvoudig te herleiden dat het om de zwemvereniging gaat. De zwemvereniging is in diskrediet gebracht doordat een van haar bestuursleden, te weten [[X]], in rechtstreeks verband wordt gebracht met het toeschuiven van subsidiegelden aan de zwemvereniging. In de bewuste passage zijn de feiten niet correct weergegeven. [[X]] was geen bestuurder van de zwemvereniging ten tijde van de brief d.d. 3 juni 2008. [[X]] is eerst op de algemene ledenvergadering van 25 juni 2008 als bestuurslid voorgedragen. Gedaagden zijn daarvan daags voor de publicatie al op de hoogte gebracht. De bewuste passage is derhalve onjuist, suggestief en misleidend. Zij berust ook niet op enig objectief en verifieerbaar gegeven en is richting de zwemvereniging en haar bestuursleden onnodig grievend en kwetsend. Ook dient de passage geen enkel redelijk journalistiek doel. In de passage wordt voorts de betrouwbaarheid van het bestuur van de zwemvereniging in twijfel getrokken. Bovendien wordt de indruk gewekt dat de zwemvereniging veel geld heeft ontvangen, terwijl het slechts om

€ 500,- gaat. En tot slot wordt ten onrechte niet vermeld dat de zwemvereniging op 28 februari 2008 aan de gemeente Echt-Susteren om een sponsorbijdrage heeft verzocht. De reactie naar aanleiding van die brief, heeft geleid tot een verzoek om subsidie zijdens de zwemvereniging. De zwemvereniging dacht dat zij bedoeld geldbedrag uit dien hoofde had gekregen.

De zwemvereniging heeft een spoedeisend belang bij na te melden vordering. In dat verband is onder meer van belang dat (het bestuur van) de zwemvereniging dagelijks wordt geconfronteerd met vragen over het ontvangen geldbedrag en daarbij behorende “vriendjespolitiek”. [[X]], die inmiddels wél bestuurslid is van de zwemvereniging, wordt door de omgeving bestempeld als leugenaar. De zwemvereniging wil onder andere voorkomen dat zij en haar bestuursleden steeds opnieuw worden geconfronteerd met door gedaagden gestelde (vermeend) illegale praktijken.

2.5 Op grond van het vorenstaande heeft de zwemvereniging gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.bepaalt dat gedaagden ieder hoofdelijk onderstaande rectificatie integraal, zonder

enige toevoeging, bespreking of beschouwing van zodanige aard dat het doel of de strekking van de betreffende rectificatie zou worden aangetast in de betreffende dagbladen Dagblad de Limburger en Limburgs Dagblad gedurende vijf dagen op de voorpagina moet (doen) plaatsen en wel als volgt:

“Door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht is bij vonnis geoordeeld dat in haar artikel van 6 februari 2009 onjuist, suggestief en misleidend is gesteld dat “collega CDA-wethouder [[X]], waarin deze in zijn hoedanigheid als bestuurslid van de plaatselijke zwemvereniging geld uit het door het CDA beheerde potje krijgt toebedeeld terwijl leden van de zwemvereniging zelf aangeven dat [[X]] voor juni 2008 al bestuurslid was bij de club”.

Deze mededeling is berust niet op een juiste weergave van de feiten en is richting zwemvereniging [eiser] en [[X]] onrechtmatig.”

2.(“gedaagden veroordeelt tot”, zo begrijpt de voorzieningenrechter, vrgzr.) plaatsing

van een rectificatie zoals onder 1 gevorderd gedurende zes maanden op de

openingspagina’s (homepage) van de websites www.limburger.nl en www.ld.nl;

3.bepaalt dat gedaagde (de voorzieningenrechter begrijpt “gedaagden”, vrzgr.) zich per

direct en voortaan dient (de voorzieningenrechter begrijpt “dienen”, vrzgr.) te

onthouden van het doen van onjuiste, negatieve en/of grievende uitlatingen in het openbaar (waaronder in elk geval doch niet uitsluitend worden verstaan uitlatingen via de media), die de indruk kunnen vestigen dat de zwemvereniging op een illegale wijze subsidie heeft ontvangen waardoor de zwemvereniging en haar bestuursleden schade wordt berokkend, op welke wijze dan ook;

4.bepaalt dat gedaagden, ieder hoofdelijk, een dwangsom verbeuren van € 5.000,00 per

dag of dagdeel dat zij aan de hiervoor gegeven beslissingen geen gevolg geeft (de voorzieningenrechter begrijpt “geven”, vrzgr.), te rekenen vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis.

2.6 De vordering wordt door gedaagden weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3.De beoordeling

3.1 De zwemvereniging heeft een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen. Zo immers juist is dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld en er vrees voor herhaling is zoals de zwemvereniging met zoveel woorden stelt, heeft de zwemvereniging belang bij een spoedige veroordeling van gedaagden tot het zich onthouden van hernieuwd onrechtmatig handelen, en bij een rectificatie.

3.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij uit onder andere de vordering van de zwemvereniging begrijpt dat het geschil enkel betrekking heeft op de hiervoor bij 2.3 geciteerde passage uit het krantenartikel van vrijdag 6 februari 2009.

3.3 De vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Artikel 10 EVRM waarborgt in lid 1 de uitingsvrijheid en geeft in lid 2 aan onder welke voorwaarden en voor welke doeleinden de uitingsvrijheid mag worden beperkt. Beperkingen aan de uitingsvrijheid dienen derhalve te worden getoetst aan artikel 10 lid 2 EVRM. De zwemvereniging baseert haar vordering op schending van haar eer en goede naam. Onder andere artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 10 lid 2 EVRM, strekken ter bescherming van de eer en goede naam, in casu van de zwemvereniging. De thans gevorderde rectificatie en de onder 3 gevorderde preventieve beperking op de uitingsvrijheid, zijn sancties als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM die de uitingsvrijheid beperken. Alsdan rijst de vraag of die beperkingen zijn toegestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit níet het geval is. Ter toelichting diene al hetgeen hierna wordt overwogen.

3.4.1 Het artikel van 6 februari 2009 stelt een kwestie van maatschappelijk belang aan de orde, te weten het, aldus de kranten, door enkele wethouders van de gemeente Echt bevoordelen van lokale verenigingen door middel van giften uit gemeenschapsgeld, zonder dat de gemeenteraad daarbij was betrokken. Dit is een kwestie die leidt, althans kan leiden, tot een publiek debat. Het heeft in ieder geval al geleid tot, zo staat als onbetwist vast, een onderzoek zijdens de Minister van Binnenlandse Zaken en tot het aftreden van wethouders. Uitingen die op bedoelde kwestie zijn gericht, zijn uitingen waartoe volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de vrijheid van meningsuiting bij uitstek dient.

3.4.2 De inhoud van de passage zoals zij is weergegeven, vindt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende steun in het ten tijde van de gewraakte uitlating beschikbare feitenmateriaal, althans de voorzieningenrechter kan thans niet vaststellen dat dat niet het geval is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Vast staat dat wethouder [[Y]] de hiervoor onder 2.3 geciteerde brief d.d. 3 juni 2008 aan de zwemvereniging heeft gezonden. Voorts staat vast dat die brief gericht was aan “Dr. [[X]]”. Ter terechtzitting heeft de voorzieningenrechter aan de zwemvereniging gevraagd waarom die brief ter attentie van Dr. [[X]] is gesteld. Zoals ook al in de dagvaarding was aangegeven, kon de zwemvereniging daarvoor geen verklaring geven.

Volgens gedaagden hebben leden van de zwemvereniging aangegeven dat [[X]] ten tijde van genoemde brief al bestuurslid was van de zwemvereniging. De zwemvereniging heeft dit betwist, waarbij zij er op heeft gewezen dat in ieder geval de hoofdtrainer en een ander lid van de zwemvereniging richting de kranten, nog vóór de publicatie, hebben aangegeven dat [[X]] eerst op de ledenvergadering d.d. 25 juni 2008 is benoemd. Ter adstructie van die laatste stelling heeft de zwemvereniging verwezen naar de als productie 5 overgelegde email. Het betreft een schrijven zijdens [[Q]] van de zwemvereniging aan de heer [[Z]] d.d. 5 februari 2009 waarin zij schrijft dat [[X]] op de algemene ledenvergadering als kandidaat-bestuurslid is voorgedragen. Bij die email is gevoegd de uitnodiging voor die vergadering. Uit die uitnodiging valt evenwel niet af te leiden dat [[X]] als kandidaat-bestuurslid zou worden voorgedragen. De naam [[X]] is daarin zelfs in het geheel niet genoemd. De zwemvereniging heeft nagelaten de notulen van de ledenvergadering over te leggen.

Dat [[X]] ten tijde van de publicatie niet als bestuurder stond vermeld in het handelsregister, kan de zwemvereniging niet baten. Vast staat immers dat [[X]] thans wél al sedert enige tijd bestuurder is van de zwemvereniging, en in ieder geval ten tijde van de terechtzitting nog steeds niet als zodanig in het handelsregister stond vermeld. Bovendien staat vast dat ten tijde van de publicatie “Dhr. [[X]]” op de internetsite van de zwemvereniging als bestuurder werd aangeduid. Gedaagden hebben voorts onbetwist aangegeven dat de kranten het telefoonnummer bij die naam op de site hebben vergeleken met dat van [[X]], en dat beiden hetzelfde waren.

3.4.3 Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een grievende passage in de richting van de zwemvereniging. Zo is de passage geen persoonlijke aanval op de zwemvereniging –het artikel richt zich veeleer op de betrokken politici- en is van beledigende uitlatingen jegens de zwemvereniging als zodanig, bijvoorbeeld in de zin van “fraudeur” of “profiteur”, geen sprake.

3.4.4 Gedaagden hebben onweersproken aangegeven dat aan [[X]] drie keer om een verklaring is gevraagd, doch dat [[X]] enkel heeft medegedeeld dat hij eerst in oktober 2008 bestuurslid was geworden.

3.4.5 De voorzieningenrechter begrijpt dat de zwemvereniging de facto wil dat haar naam gezuiverd wordt: zij trekt ten strijde tegen de door de krant geschetste passage en de beeldvorming die daardoor volgens de zwemvereniging wordt veroorzaakt, namelijk dat zij er –kort gezegd- oneerlijke praktijken op nahoudt.

Gedaagden hebben onbetwist het volgende aangegeven. De zwemvereniging heeft op

6 februari 2009 aangegeven dat zij het niet plezierig vond dat zij als enige club werd genoemd in het litigieuze artikel. Daarop heeft de journalist met de raadsman van de zwemvereniging afgesproken dat in het horizon-katern van de dag erna, aangegeven zou worden dat de zwemvereniging met de kwestie in haar maag zat omdat ze op een normale manier subsidie had aangevraagd. Wanneer de krant dat zou doen, zou dat een voldoende rectificatie zijn. Daarop is op zaterdag

7 februari 2009 onder andere volgende passage in de kranten vermeld: “Sommige clubs zitten er nu mee in de maag. Ze ontkennen dat ze iets met vriendjespolitiek van doen hebben. Zwemvereniging [eiser] in Echt geeft aan dat men ervan uitging dat een gevraagde bijdrage van 500 euro voor een zwemwedstrijd ‘gewoon volgens de regels is verlopen’. Uit navraag bij de verenigingen zelf, blijkt dat ze veelal verrast werden door de donatie. Of in ieder geval daar zelf niet actief over aanklopten.” Gedaagden dachten dat met plaatsing van dit stukje, de kous af was.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de zwemvereniging voorgaande gang van zaken niet, althans niet gemotiveerd, heeft betwist. Uit voormelde passage volgt dat de zwemvereniging ontkent iets met vriendjespolitiek van doen te hebben. Blijkbaar is dit voor de zwemvereniging onvoldoende “eerherstel”. De zwemvereniging zou kennelijk het liefst zien dat de voorzieningenrechter vaststelt, of de kranten berichten, dat de zwemvereniging er geen oneerlijke praktijken op nahoudt, zodat “de buitenwereld” geen verkeerd beeld meer heeft van de zwemvereniging. Het is echter in juridische zin thans niet de vraag –de voorzieningenrechter kan dit zonder nader onderzoek naar feiten en omstandigheden, waarvoor in het kader van deze procedure geen plaats is, hoe dan ook niet vaststellen- wie gelijk geeft; de vraag in deze procedure is in de kern of De Limburger en het Limburgs Dagblad destijds mochten berichten zoals zij hebben gedaan. Zoals uit het voorgaande volgt, luidt het antwoord op die vraag bevestigend.

3.5 Reeds op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter een inbreuk op de uitingsvrijheid van gedaagden in de zin van de gevorderde rectificatie of preventief verbod –welk verbod overigens te ruim is opgesteld- niet noodzakelijk of gerechtvaardigd.

Waar de gevorderde rectificatie melding maakt van onrechtmatig handelen jegens [[X]], kan deze hoe dan ook niet worden toegewezen, nu [[X]] geen partij is in de onderhavige procedure.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

De kern van het betoog van de zwemvereniging is er in gelegen dat de krant er in de bewuste passage ten onrechte van uitgaat dat [[X]] bestuurder was ten tijde van de brief van 3 juni 2008.

Gedaagden hebben in de eerste twee alinea’s van punt 6 van hun pleitnota aangegeven dat dit punt niet relevant is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de bewuste passage uit het litigieuze krantenartikel, van belang is of er voldoende feitelijke grondslag was voor het daarin gepresenteerde feit dat [[X]] al op 3 juni 2008 bestuurder was van de zwemvereniging. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor bij 3.4.2 is overwogen, is dat het geval. De voorzieningenrechter vraagt zich wel af –en hij begrijpt dat gedaagden dit ook hebben bedoeld- wat het belang is van de zwemvereniging bij het aannemelijk willen maken van de onjuistheid van de krantenpublicatie op dit punt, en wel vanwege het volgende. Ook als [[X]] op 3 juni 2008 geen bestuurder was, maar wel anderszins aan de vereniging verbonden –kennelijk was [[X]] op 3 juni 2008 wel al, bijvoorbeeld als lid, aan de zwemvereniging verbonden- blijft het gesuggereerde beeld van “vriendjespolitiek” waartegen de zwemvereniging ten strijde trekt, waarschijnlijk onverminderd overeind, althans onduidelijk is of dit beeld met de vaststelling dat [[X]] destijds geen bestuurder was, wel –zo op zichzelf al mogelijk- volledig wordt weggenomen.

3.6 De zwemvereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de zwemvereniging in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagden gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 262,- aan vast recht en € 816,- voor salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.