Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH3131

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
130309 / HA ZA 08-556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Landinrichtingswet, plan van toedeling, herinrichting, uitruilbare percelen, herplantplicht, Boswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 21 januari 2009

Zaaknummer: 130309 / HA ZA 08-556

Bezwaarschriftnummer: 296

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft op een bezwaarschrift tegen het plan van toedeling in de herinrichting "Centraal-Plateau", het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Naam reclamant],

wonende te [woonplaats],

reclamant,

tegen:

DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE IN DE HERINRICHTING

“CENTRAAL-PLATEAU”.

1. Het verdere verloop van het geding

Door de rechter-commissaris is geen overeenstemming verkregen omtrent het door reclamant op 29 november 2006 ingediende bezwaarschrift. Omdat geschillen zijn blijven bestaan is de zaak door de rechter-commissaris op 13 mei 2008 verwezen naar de zitting van de rechtbank van 31 oktober 2008.

Van het verhandelde ter zitting van de rechter-commissaris is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift is verzonden naar reclamant, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) en de landinrichtingscommissie (hierna: de commissie).

Op de voor de behandeling van de bezwaren vastgestelde zitting van de rechtbank heeft [de heer...] namens reclamant de standpunten van reclamant mondeling toegelicht. Op de zitting heeft de rechtbank voorts gehoord:

- de vertegenwoordiger van de minister;

- vertegenwoordigers van de commissie en de aan de commissie toegevoegde ingenieur van het kadaster of diens plaatsvervanger.

Van het verhandelde ter zitting van de rechtbank is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan voornoemde betrokkenen is gezonden. De rechtbank heeft de behandeling van het bezwaar van reclamant aangehouden en bepaald dat de behandeling op 18 december 2008 ter plaatse van perceel A 2778 aan [adres] zal worden voortgezet.

Op 8 december 2008 heeft reclamant een schrijven plus één bijlage ingezonden. Op dezelfde datum heeft [de heer...] namens de commissie en de minister een schrijven plus bijlagen ingezonden.

Op 18 december 2008 heeft ter plaatse van perceel A 2778, alsmede ter plaatse van kavel 017.107 een gerechtelijke plaatsopneming plaatsgevonden. Daarbij zijn voornoemde betrokkenen gehoord. Het onderzoek is gesloten, waarbij vonnis is bepaald op uiterlijk 21 januari 2009.

2. De bezwaren van reclamant

2.1 Reclamant heeft perceel A 2778 aan [adres] en perceel A 2884 aan [het adres] ingebracht. Reclamant heeft elders toebedeeld gekregen kavel 017.107. Reclamant is van mening dat het inbrengperceel aan [adres] aan hem dient te worden toebedeeld, alsmede dat perceel A 2884 dient te worden gevoegd bij perceel A 2778.

Reclamant heeft dan ook bezwaar gemaakt tegen het (ontwerp)plan van toedeling en daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Het bezwaar van reclamant is onderverdeeld in 5 bezwaarpunten.

2.2 Bezwaarpunt 1:

Perceel A 2778 aan [adres] heeft een hoge verwachtingswaarde in verband met bebouwingsmogelijkheden. Perceel A 2778 is gelegen aan een openbare weg met alle nutsvoorzieningen, alsmede ligt het onderhavige perceel naast een perceel met een woonhuis. Aan de overkant van de weg is op grond van artikel 19 WRO een vergunning voor de bouw van een huis verleend. De gemeente heeft verder uitbreidingsplannen aan [adres]. Het perceel heeft dus een economische waarde die tientallen malen groter is dan de agrarische waarde. Perceel A 2778 dient derhalve niet te worden uitgeruild. Het andere inbrengperceel (perceel A 2884) is wel uitruilbaar en kan geconcentreerd bij perceel A 2778 aan reclamant worden toebedeeld.

2.3 Bezwaarpunt 2:

Perceel A 2778 ligt bovendien, gelet op het gebruik van dit perceel als weiland en de afstand van dit weiland tot het stallingadres van het paard van de dochter van reclamant, gunstig. Zo ligt voornoemd perceel op slechts 200 meter afstand van het adres ([...]) waar de dochter van reclamant haar paard stalt, zodat de dochter van reclamant eenvoudig met haar paard via de aangrenzende kavel van Vereniging Natuurmonumenten bij perceel A 2778 kan geraken. Het weiland ligt verder in het zicht van woningen in de buurt, zodat vanuit die woningen toezicht op paard en berijder mogelijk is. Kavel 017.107 ligt daarentegen aan een veldweg en ligt ingesloten tussen akkerbouwpercelen. Kavel 017.107 biedt derhalve niet dezelfde gebruiksmogelijkheid als het inbrengperceel.

2.4 Bezwaarpunt 3:

Voor wat betreft de bosopstand op perceel A 2778 heeft reclamant aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 2.8 onder d van de Regeling Herverkaveling het inbrengperceel

A 2778 niet uitruilbaar is, nu op dit perceel een houtopstand van meer dan 10 are staat, alsmede nu er terzake van voornoemd perceel een herbeplantingsplicht bestaat. Reclamant heeft daartoe - onder meer - verwezen naar een brief van 14 oktober 2008 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (verder: LNV), inhoudende dat op perceel A 2778 een herbeplantingsplicht geldt.

2.5 Bezwaarpunt 4:

Perceel A 2778 maakt deel uit van het landgoed “De Bongard.” De toegang tot dit landgoed kan alleen worden verkregen via perceel A 2778. Gelet op de omstandigheid dat het landgoed “De Bongard” is opgenomen in de rangschikking onder de Natuurschoonwet 1928 (verder: NSW) en perceel A 2778 deel uitmaakt van dit landgoed, is dit perceel volgens reclamant niet uitruilbaar. Indien perceel A 2778 niet onder de rangschikking van de NSW zou vallen, maakt dat perceel in ieder geval feitelijk deel uit van voornoemd landgoed, op grond waarvan perceel A 2778 evenmin volgens reclamant zou mogen worden uitgeruild.

2.6 Bezwaarpunt 5:

Terzake perceel A 2884 heeft reclamant aangevoerd dat hij, nu hij perceel A 2884 eerst op 28 december 2000 heeft aangekocht, nimmer bezwaar heeft kunnen maken tegen de waarde van perceel A 2884.

3. Het standpunt van de commissie en de minister

3.1 De commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van reclamant betreffende de eerste vier bezwaarpunten ongegrond en terzake het laatste bezwaarpunt niet-ontvankelijk is. De commissie heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

3.2 Terzake bezwaarpunt 1:

De commissie heeft aangevoerd dat de waarde van de ingebrachte gronden geen economische, maar een agrarische waarde is. De waarde van de ingebrachte gronden is door de rechtbank in 2001 vastgesteld. Reclamant heeft verder niet aangetoond dat er op perceel A 2778 een bestemming tot woningbouw zou rusten. Perceel A 2778 heeft een agrarische bestemming en is uitruilbaar. Het bezwaar van reclamant terzake bezwaarpunt 1 is derhalve ongegrond.

3.3 Terzake bezwaarpunt 2:

Perceel A 2778 heeft de bestemming: agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde en is uitruilbaar. Kavel 017.107 is verder ontsloten aan een rustige veldweg en kan tot paardenwei worden omgevormd. De toedeling is qua hoedanigheid en gebruiksbestemming vergelijkbaar met de inbreng. Bovendien is gelet op de samenvoeging van de inbrengpercelen, alsmede de afstandsverkorting, reclamant er qua toedeling in vergelijking met de inbreng op vooruitgegaan. Het bezwaar is voor wat betreft het onderhavige bezwaarpunt eveneens ongegrond.

3.4 Terzake bezwaarpunt 3:

De commissie is van mening dat bezwaarpunt 3 van reclamant een nieuw bezwaar is waarin reclamant, nu hij dit bezwaar niet tijdig heeft ingediend, niet kan worden ontvangen.

Betreffende de brief van de minister van LNV van 14 oktober 2008 heeft de commissie aangevoerd dat niet duidelijk is welke en hoeveel bomen er daadwerkelijk op perceel A 2778 hebben gestaan. Thans zijn 4 essen aanwezig op perceel A 2778 en geldt een herplantplicht voor 14 essen. Wat van het vorenstaande ook zij, de bepaling in de Regeling Herverkaveling dat gronden waarop een herbeplantingsplicht rust niet zullen worden uitgeruild, is opgenomen met het oog op de bescherming van de belangen van de opkomend eigenaar. Zo kan terzake perceel A 2778 de opkomend eigenaar aangeven of hij bezwaar heeft tegen toedeling van het onderhavige perceel, wetende dat daarop een herplantplicht van 14 Essen geldt. Perceel A 2778 is dan ook uitruilbaar.

3.5 Terzake bezwaarpunt 4:

De stelling van reclamant dat perceel A 2778 deel uitmaakt van het landgoed “De Bongard” is volgens de commissie onjuist. De commissie heeft daartoe aangevoerd dat perceel A 2778 geen deel uitmaakt van voornoemd landgoed en evenmin de NSW status heeft. Ter onderbouwing hiervan heeft de commissie - onder meer - vijf beschikkingen van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (verder: LNV) en de Staatssecretaris van Financiën overgelegd. In de overgelegde beschikking van 1/28 juli 2004 zijn de percelen behorende tot het landgoed “De Bongard” opgesomd, doch perceel A 2778 is daarbij niet vermeld. Het beroep van reclamant op de NSW terzake perceel A 2778 is dan ook ongegrond.

3.6 Terzake bezwaarpunt 5:

De commissie heeft betreffende de waarde van perceel A 2884 aangevoerd dat de schattingswaarde van dit perceel vast staat. De rechtbank heeft in 2001 de lijst van rechthebbende en het register van schattingsuitkomsten vastgesteld. Bezwaar tegen de schattingswaarde is in het kader van het plan van toedeling niet mogelijk. Het bezwaar van reclamant voor wat betreft de waarde van perceel A 2884 is niet-ontvankelijk.

3.7 De minister heeft zich ter zitting aangesloten bij het standpunt van de commissie.

4. Het oordeel

4.1 Voor wat betreft de bezwaarpunten van reclamant terzake perceel A 2778 overweegt de rechtbank het volgende.

4.2 Reclamant heeft gesteld dat perceel A 2778 niet uitruilbaar is. De rechtbank verwijst daartoe naar de overwegingen 2.4 en 2.5 (bezwaarpunten 3 en 4).

4.2.1 Reclamant heeft in het bezwaarschrift van 29 november 2006 - onder meer - vermeld dat perceel A 2778 niet uitruilbaar is in verband met de opstand van bomen. Door een beroep te doen op de gestelde herbeplantingsplicht heeft reclamant geen nieuw bezwaar ingediend, doch het voornoemde geformuleerde bezwaar nader onderbouwd. Reclamant kan derhalve in zijn bezwaar, terzake bezwaarpunt 3, worden ontvangen.

Met de commissie is de rechtbank vervolgens van oordeel dat de herbeplantingsplicht voor 14 essen op perceel A 2778 niet maakt dat dit perceel niet uitruilbaar is. Artikel 2.8 aanhef en sub d / artikel 15van de Regeling Herverkaveling bepaalt dat niet uitruilbaar zijn gronden met een houtopstand die groter is dan 10 are of waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Boswet geldt. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze bepaling aldus te worden geïnterpreteerd dat niet uitruilbaar zijn gronden met een hout-opstand die groter is dan 10 are of gronden waarop een houtopstand die groter is dan 10 are heeft gestaan en waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Bos-wet geldt. Bovenstaande bepaling geldt aldus niet voor gronden met een eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden. Ware dit anders dan zou het niet uitruilbaar zijn van gronden bewerkstelligd kunnen worden door het kappen van één of meer bomen uit een rijbeplanting (niet zijnde populieren of wilgen) waardoor een herbeplantingsplicht op grond van de Boswet zou ontstaan. Het aldus beperken van de uitruilbaarheid van gronden is in strijd met de doelstellingen van de Landinrichtingswet. Op grond van deze overweging verzet de onderhavige herbeplantingsplicht van 14 essen zich niet tegen uitruil van perceel A 2778.

4.2.2 Reclamant heeft zijn stelling dat perceel A 2778 evenmin uitruilbaar is, nu dit perceel behoort tot het landgoed “De Bongard”, welk landgoed is gerangschikt onder de NSW, niet onderbouwd. Ingevolge het bepaalde in de beschikking van de Staatssecretaris van LNV en de Staatssecretaris van Financiën van 1/28 juli 2004, onder de besluiten 3 en 4, maken enkel de percelen A 728ged., A 2556ged., A 2775ged., A 3548ged. en A 3549 deel uit van het onder de NSW gerangschikte landgoed “De Bongard”. Perceel A 2778 maakt daarvan geen deel uit. De feitelijk door reclamant geschetste situatie ter plaatse van perceel A 2778 en het landgoed maakt het bovenstaande niet anders.

4.2.3 Gelet op het vorenoverwogene is niet gebleken van gronden die de uitruilbaarheid van perceel A 2778 in de weg staan. De commissie heeft het door reclamant ingebrachte perceel A 2778 derhalve kunnen uitruilen.

4.3 Gelet op de bezwaarpunten 1 en 2 van reclamant dient te worden beoordeeld of toedeling van kavel 017.107 de vergelijking met de inbreng van reclamant kan doorstaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.4 Voor de toedeling van kavels gelden de volgende uitgangspunten:

Aan iedere eigenaar wordt een recht toebedeeld met betrekking tot onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als te zijnen aanzien in het blok is opgenomen, althans voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet.

Elke kavel moet zo worden gevormd dat deze:

- uitweg heeft op een openbare land- of waterweg en zo mogelijk daar aan belendt;

- zo nodig en indien mogelijk de gelegenheid tot behoorlijke afwatering heeft.

Voorts moet de toedeling in overeenstemming zijn met de bepalingen in de Regeling Herverkaveling (regeling van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 oktober 2004 met kenmerk TRCJZ/2004/3819) en met de afwijkende bepalingen op deze regeling voor de herinrichting “Centraal Plateau”, zoals deze bij brief van de commissie van 27 juli 2004 (kenmerk LCCENTR/2004-55092) zijn voorgelegd en waarmee de minister bij brief van 22 november 2004 (TRCJZ/2004/5901) heeft verklaard in te stemmen.

4.5 De commissie heeft aannemelijk gemaakt dat perceel A 2778 een agrarische bestemming heeft, zodat de commissie met de door reclamant gestelde doch niet aangetoonde bouwbestemming van dit perceel (bezwaarpunt 1) geen rekening heeft behoeven te houden. De commissie heeft op grond van de door de rechtbank in 2001 vastgestelde agrarische waarde van de grond naar een alternatieve kavel voor reclamant kunnen zoeken.

4.6 De rechtbank overweegt terzake bezwaarpunt 2 dat de door reclamant gestelde hoedanigheid / gebruiksbestemming van het landelijk gelegen inbrengperceel A 2778: paardenwei (ten behoeve van het paard van zijn dochter) niet door de commissie is weersproken. De door de commissie aan reclamant toebedeelde kavel 017.107 is een akkerbouwkavel en is naar het oordeel van de rechtbank niet geschikt als paardenwei (te maken). Zo heeft de rechtbank tijdens de gerechtelijke plaatsopneming op 18 december 2008 geconstateerd dat de door de commissie toebedeelde kavel 017.107 een solitair gelegen kavel voor akkerbouw is, omringd door andere kavels eveneens in gebruik voor akkerbouw. Toezicht op paard(en) en ruiter op kavel 017.107 is vanuit de nabije omgeving nauwelijks mogelijk.

4.7 Nu kavel 017.707 de vergelijking met de inbreng van reclamant niet kan doorstaan, zal die kavel niet aan reclamant worden toebedeeld. De rechtbank dient vervolgens te bezien of aan reclamant inbrengperceel A 2778 dient te worden (terug) toebedeeld, waarbij de belangen van [mevrouw...] en Vereniging Natuurmonumenten dienen te worden meegewogen, dan wel of aan reclamant elders een alternatieve kavel kan worden toebedeeld. Die alternatieve kavel dient geschikt te zijn om als paardenwei te worden gebruikt.

4.8 Gelet op het bovenstaande dient de commissie in kaart te brengen:

a. de belangen van de belanghebbenden [mevrouw...] (in verband met toebedeelde vergroting huiskavel), wonende te [woonplaats] aan [adres], en Vereniging Natuurmonumenten (in verband met natuurlijke waarde toedeling), regiokantoor Noord-Brabant en Limburg ([...]), [adres], bij toedeling van (een deel van) perceel A 2778;

b. alternatieve (rest)kavels welke de vergelijking met perceel A 2778 kunnen doorstaan.

4.9 De rechtbank heropent derhalve terzake bezwaarpunt 2 van reclamant het onderzoek ter zitting.

4.10 De rechtbank is tot slot terzake het inbrengperceel A 2884 (bezwaarpunt 5) met de commissie van oordeel dat het onderhavige bezwaar niet het plan van toedeling betreft. Reclamant kan derhalve niet in zijn bezwaar betreffende bezwaarpunt 5 worden ontvangen.

4.11 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek ter zitting;

bepaalt dat de behandeling van het bezwaar van reclamant, voor wat betreft bezwaarpunt 2, zal worden hervat op 30 januari 2009 om 10.00 uur in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan het St. Annadal 1 te Maastricht;

bepaalt dat bij die behandeling tevens als belanghebbenden [mevrouw...] en Vereniging Natuurmonumenten dienen te worden gehoord;

draagt op aan de commissie uiterlijk op 27 januari 2009 een overzicht als omschreven in rechtsoverweging 4.8 over te leggen;

bepaalt dat alle (overige) voor een goed verloop van de zitting dienstige bescheiden uiterlijk 27 januari 2009 ter griffie van deze rechtbank worden gedeponeerd en tevens aan de wederpartij ter hand worden gesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.J.A.M. Bakermans, voorzitter, F.M. van Maanen Winters en R.M.L.M. Magnée, rechters, en uitgesproken ter openbare zitting, in tegenwoordigheid van de griffier.

[C.M.]

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.