Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH2772

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-02-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
03-702998-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4802, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis: Bewezen verklaard is dat verdachte een vrouw heeft vermoord door het doorsnijden van de hals/keel. De rechtbank heeft overwogen dat verdachte een korte tijdspanne heeft gehad tussen de aanvankelijke steken in de rug (welke naar de rechtbank aanneemt in een opwelling hebben plaatsgevonden) en het doorsnijden van de hals/keel van het slachtoffer, gedurende welke tijdspanne verdachte zich heeft kunnen beraden op zijn te nemen of genomen besluit tot het doorsnijden van de hals/keel van het slachtoffer. Veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702998-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 februari 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Zij is ter terechtzitting gewijzigd.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair: het slachtoffer heeft vermoord c.q. het slachtoffer heeft gedood, waarbij hij eerst heeft geprobeerd het slachtoffer te doden of heeft geprobeerd het slachtoffer (zwaar) te mishandelen dan wel waarbij hij het slachtoffer eerst heeft beroofd c.q. het slachtoffer heeft gedood.

Feit 2: in de woning van het slachtoffer goederen heeft weggenomen.

Feit 3: opzettelijk samen met een ander of anderen 86 bankbiljetten van € 200,- heeft nagemaakt c.q. dat hij wist dat deze biljetten vals waren toen hij deze ontving, terwijl hij deze wilde uitgeven of laten uitgeven c.q. in voorraad had c.q. heeft vervoerd alsof zij echt waren.

Feit 4: opzettelijk 2 valse bankbiljetten van € 200,- heeft uitgegeven die hij zelf heeft nagemaakt of waarvan hij wist dat zij vals waren toen hij deze biljetten ontving.

De raadsman heeft aangevoerd dat wanneer het gekwalificeerde delict moord onder 1 primair wordt tenlastegelegd, deze tenlastelegging mede een grondslag oplevert voor een bewezenverklaring van doodslag indien de voorbedachten rade niet bewezen kan worden verklaard. In die zin dient het delict doodslag als impliciet subsidiair tenlastegelegd in

1 primair te worden opgevat. Indien dat niet wordt gedaan is er sprake van denaturering van de tenlastelegging.

De rechtbank overweegt hiertoe (onder verwijzing naar HR 24 november 1998,

NJ 1999, 155) dat de stelling van de raadsman in beginsel juist is, maar dat dit anders ligt indien het openbaar ministerie expliciet te kennen geeft een andere bedoeling met de tenlastelegging te hebben. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie expliciet aangegeven dat hij om tactische redenen het delict doodslag als apart delict heeft tenlastegelegd onder 1 meer subsidiair. Om die reden is er geen sprake van denaturering van de tenlastelegging indien de doodslag niet als impliciet subsidiair tenlastegelegd in 1 primair wordt opgevat. De rechtbank zal de tenlastelegging beschouwen zoals deze door de officier van justitie is bedoeld en opgesteld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Betreffende het primair tenlastegelegde heeft hij aangevoerd dat uit de gedetailleerde verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd het volgende is gebleken.

Verdachte is pas overgegaan tot het in de keel snijden van het slachtoffer nadat hij haar eerst tweemaal met een mes in de rug had gestoken en daarna haar mond had bedekt met zijn hand om haar te laten stoppen met schreeuwen. Toen deze handelingen niet het gewenste resultaat opleverden heeft hij het mes als snijwapen gebruikt. Deze handeling bevatte een andere vorm van geweld en getuigde van een andere intentie dan het eerdere steken met dit voorwerp. Om die reden is de officier van justitie van oordeel dat er sprake is geweest van een moment van kalm beraad en rustig overleg, voordat verdachte de keel van het slachtoffer heeft doorgesneden ten gevolge waarvan zij is overleden.

Betreffende het subsidiair tenlastegelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft gepoogd het slachtoffer om het leven te brengen door haar twee messteken in de rug toe te dienen. Daarbij werd hij zogezegd op heterdaad betrapt door het slachtoffer, waarna hij het slachtoffer heeft gedood, zodat zij geen getuigenverklaring meer tegen hem zou kunnen afleggen.

De officier van justitie concludeert dan ook, dat indien de rechtbank niet toekomt aan een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde, het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Feit 2:

De officier van justitie heeft aangevoerd dat ook dit feit bewezen kan worden verklaard. Hij baseert dit standpunt op de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte.

Feit 3:

De officier van justitie heeft betoogd dat ook dit feit bewezen kan worden verklaard, gelet op de verklaring die door de getuige [naam getuige] (pagina 462 van het dossier) is afgelegd inhoudende dat zij wist, dat verdachte veel valse briefjes van € 200,- had en gelet op het feit dat de biljetten onder verdachte zijn aangetroffen door de politie.

Feit 4:

Ook ten aanzien van dit feit heeft de officier van justitie aangevoerd dat het bewezen kan worden verklaard. Hij baseert zijn oordeel op de verklaring van [B.] (pag 479 en volgende van het dossier) en op de bevindingen door verbalisant [naam verbalisant] gerelateerd in het stamproces-verbaal (pag 41 en volgende van het dossier), luidende dat [B.] twee valse eurobiljetten van € 200,- aan [L.] heeft gegeven. [L.] heeft ten overstaan van de politie vrijwillig afstand gedaan van deze biljetten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat zijn cliënt niet met voorbedachten rade heeft gehandeld, maar dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde moord.

Voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde stelt de raadsman zich op het standpunt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat verdachtes oogmerk was gericht op het eerste en op het tweede gedachtenstreepje.

Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde doodslag refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 2:

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich de in de tenlastelegging genoemde goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend, met uitzondering van het geld. Volgens de raadsman had verdachte niet het oogmerk om geld weg te nemen.

Feiten 3 en 4:

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat zijn cliënt van deze feiten dient te worden vrijgesproken, omdat hij de in de tenlastelegging genoemde bankbiljetten niet zelf heeft gemaakt en hij bij ontvangst ervan niet wist dat deze vals of vervalst waren, althans dat dit niet kan worden bewezen.

Om die reden wordt niet voldaan aan de delictsomschrijving van het tenlastegelegde

artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Gelet op de verklaringen van enkele getuigen en die van verdachte ter zitting, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte zich in de middag van 17 mei 2008 naar de woning van het latere slachtoffer[naam slachtoffer], heeft begeven. Deze woning was gelegen aan de [adres slachtoffer]. Verdachte had een seksafspraak met haar. Tevens wilde verdachte haar, zo heeft hij verklaard, een rimpelstrijkijzertje demonstreren, dat niet alleen diende om aangezichtsrimpels weg te strijken, maar dat tevens kon worden gebruikt om pijn te bestrijden. Het apparaat zat verpakt in een klein tasje dat zich weer bevond in een grotere tas. In de grotere tas zaten ook folders en een mes in een foedraal. Dat mes bewaarde verdachte naar eigen zeggen normaliter in zijn auto. Op 17 mei had hij echter naar eigen zeggen vergeten het daar neer te leggen en zat het mes in de grote tas.

Verdachte heeft bij zijn verhoor inverzekeringstelling direct verklaard dat hij naam slachtoffer] heeft gedood. Bij de diverse daarop volgende verhoren bij de politie heeft verdachte omtrent de aanloop hiertoe wisselende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft onder meer verklaard dat er onenigheid ontstond over het bedrag dat hij haar moest betalen voor haar seksuele diensten en dat het latere slachtoffer vervolgens het rimpelstrijkijzertje probeerde af te pakken kennelijk om als onderpand te dienen en toen het mes, dat in de grotere tas zat, in handen kreeg.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij enige tijd in de woning van het latere slachtoffer had doorgebracht en zij seks met elkaar hadden gehad, haar het rimpelstrijkijzertje wilde demonstreren. Beiden waren op dat moment nog naakt. Verdachte heeft verklaard dat hij, alvorens het kleine tasje met daarin het apparaat uit een grotere tas te halen, eerst het mes uit de grotere tas haalde en dat op de tafel neerlegde. Van onenigheid over betaling zou geen sprake zijn geweest. Verdachte heeft verklaard dat het latere slachtoffer naar het mes liep, het oppakte en het uit het foedraal haalde. Het latere slachtoffer begon vervolgens te schelden en te schreeuwen (“alle kerels zijn hetzelfde, klootzak, je bent als andere mannen”). Ook zou het latere slachtoffer naar hem hebben gestoken met het mes. Verdachte wilde haar kalmeren en zei dat er niets aan de hand was en dat ze rustig moest doen. Dit had niet het gewenste effect. Het latere slachtoffer liep de slaapkamer in en bleef schreeuwen en schelden. Verdachte heeft verklaard dat zij ‘helemaal uitflipte’ en dat hij bang was dat de buren haar geschreeuw zouden horen. Verdachte heeft verklaard dat hij toen achter haar aan de slaapkamer in is gelopen en haar op het bed heeft geduwd, waarbij zij met haar buik op het bed terecht kwam. Het latere slachtoffer zou vanuit die positie naar verdachte hebben geschopt. Het mes was op de grond gevallen en verdachte heeft verklaard dat hij het mes heeft opgepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij toen, half op het latere slachtoffer op het bed gezeten en met het mes in zijn rechterhand, opnieuw heeft geprobeerd het latere slachtoffer te kalmeren. Dat lukte wederom niet. Het latere slachtoffer bleef schreeuwen. Verdachte heeft verklaard dat hij wilde dat ze stil was, dat het daarna heel snel is gegaan en dat hij haar tweemaal in de rug heeft gestoken. De steekwonden zijn onderzocht en vastgesteld is dat het mes tot 9,5 centimeter in het lichaam van het slachtoffer is doorgedrongen. De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer daarna nog steeds geluid maakte, maar niet meer zoveel, en dat zij zich gedeeltelijk probeerde op te richten. In het aan het lichaam verrichte bloedsporenonderzoek is vastgesteld dat het slachtoffer zich, liggend op haar buik, op haar rechter zij heeft gedraaid en wel zo lang dat het bloed uit beide steekwonden op haar rug zijwaarts over de achterzijde van haar rechter arm stroomde. Daarna is zij, blijkens het bloedsporenpatroon in haar nek en de achterzijde van haar hoofd, weer op haar buik terecht gekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna zijn linkerhand op haar mond heeft gelegd, zodat zij geen geluid meer kon maken. Hij heeft verklaard dat hij haar alleen maar stil wilde hebben. Vervolgens heeft verdachte, naar eigen zeggen, het slachtoffer met het mes in haar keel gesneden. Daarbij zijn haar halsader, halsslagader en strottenhoofd doorgesneden. Ten gevolge daarvan is het slachtoffer overleden. , Het slachtoffer is door de verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verbalisant] levenloos aangetroffen in de woning, gelegen aan de [adres slachtoffer] en geïdentificeerd als zijnde [naam slachtoffer]. ,

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie voor het bewijs van voorbedachte raad voldoende is dat vast staat dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij is niet van belang of die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan.

De rechtbank is, gelet op het feit dat verdachte het slachtoffer de keel heeft afgesneden, van oordeel dat verdachte (daarmee) het voornemen had het slachtoffer te doden. Verdachte heeft het slachtoffer aanvankelijk, liggend op haar buik, twee maal (naar de rechtbank aanneemt in een opwelling) in de rug gestoken. Vervolgens is het slachtoffer op haar zij gedraaid en korte tijd later weer op haar buik op het bed terecht gekomen. Daarna heeft verdachte zijn hand voor de mond van het slachtoffer gedrukt om haar stil te krijgen en toen heeft hij haar de hals/keel doorgesneden. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte een korte tijdspanne heeft gehad tussen de aanvankelijke steken in de rug en het doorsnijden van de hals/keel, gedurende welke tijdspanne hij zich heeft kunnen beraden op zijn te nemen of genomen besluit tot het doorsnijden van de hals/keel van het slachtoffer.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte niet alleen met opzet heeft gehandeld, maar ook met voorbedachte raad, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden verklaard.

Feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij het slachtoffer de keel had doorgesneden, twee gsm-toestellen, een rode beurs/portefeuille met daarin ongeveer € 2,50 aan kleingeld en een glas uit de woning van het slachtoffer heeft meegenomen. , Verdachte heeft deze goederen weggegooid in het Danikerbos, alwaar deze goederen met uitzondering van het glas later op aanwijzing van verdachte zijn teruggevonden.

De rechtbank is anders dan de raadman van oordeel dat verdachtes opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, wel degelijk gericht was op het wegnemen van geld. Verdachte heeft bij het meenemen van de beurs van het slachtoffer bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er geld in zou zitten. Dat verdachte, naar eigen zeggen, de beurs alleen maar meegenomen heeft om te kijken of er een kaartje met zijn naam in zat, doet hieraan niet af.

Feiten 3 en 4:

Niet is gebleken dat verdachte op het moment dat hij de valse biljetten van € 200,- kreeg overhandigd, wist dat deze biljetten vals waren noch dat verdachte de biljetten zelf heeft nagemaakt. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze feiten heeft begaan. Zij zal hem dan ook hiervan vrijspreken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

op [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg die [naam slachtoffer] de hals/keel door te snijden, tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden;

2.

op 17 mei 2008 in de gemeente Maastricht in een woning [adres slachtoffer] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en twee gsm-toestellen en een rode beurs/portefeuille en een glas, toebehorende aan [naam slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair:

moord;

ten aanzien van feit 2:

diefstal.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van de dader gelet op de multidisciplinair onderzoek betreffende verdachte, uitgevoerd door mevrouw M. Verhoeven, forensisch milieuonderzoeker, drs. H.L.C. Morre, psychiater, en mevrouw drs. S. Labrijn, psycholoog NIP. Het door de psychiater en psycholoog gezamenlijk uitgebrachte rapport d.d. 16 december 2008 vermeldt -zakelijk weergegeven-:

Betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, alsmede aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Het construct psychopathie mag met zekerheid op betrokkene van toepassing worden verklaard.

Betrokkene bleef ten tijde van het tenlastegelegde voldoende controle bleef houden over zijn denken en handelen. Er is geen aantoonbaar verband tussen betrokkenes gebrekkige ontwikkeling en het tenlastegelegde. Betrokkene beschikte ten tijde van het tenlastegelegde over alle sturingsmogelijkheden voor zijn gedrag die hem gewoonlijk ten dienste staan.

De persoonlijkheidsstoornis van betrokkene was niet van invloed op de gedragingen en gedragskeuzen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Onderzoekers adviseren derhalve het rechtscollege om betrokkene het hem tenlastegelegde delict volledig toe te rekenen.

De rechtbank heeft de conclusie van de beide gedragsdeskundigen, evenals het door hen gegeven advies en de gronden waarop deze berusten overgenomen en deze tot de hare gemaakt.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren met aftrek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt een vreselijke daad heeft begaan, maar dat de gevorderde straf gezien de jurisprudentie betreffende vergelijkbare levensdelicten veel te hoog is. Ook de persoon van verdachte geeft geen aanleiding om een hogere straf op te leggen dan in vergelijkbare gevallen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard mede in verhouding tot andere strafbare feiten, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De rechtbank heeft onderzocht welke straffen in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Zij is tot de conclusie gekomen dat een grote variëteit aan straffen is opgelegd in geval van moord. De opgelegde straffen variëren tussen 9 en 30 jaren gevangenisstraf. In de gevallen waarin 10 jaren gevangenisstraf of minder is opgelegd hangt dit doorgaans samen met (gedeeltelijke) ontoerekeningsvatbaarheid van de dader. Bij oplegging van 18 jaren gevangenisstraf of meer is doorgaans sprake van extreme daden die de rechtsorde in zeer ernstige mate hebben geschokt.

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende factoren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. Het slachtoffer [naam slachtoffer], dat verdachte al enige tijd kende, heeft verdachte op 17 mei 2008 in haar woning ontvangen. Verdachte heeft haar vervolgens in haar woning op brute wijze het leven ontnomen door haar de keel door te snijden. Na zijn daad heeft verdachte het slachtoffer in mensonterende toestand, namelijk naakt en bloedend liggend op het bed, achtergelaten. Het risico dat haar familieleden haar op deze wijze zouden aantreffen heeft hij voor lief genomen. Vervolgens heeft de dochter van het slachtoffer, vergezeld van haar twee jonge kinderen, het slachtoffer in bovenstaande toestand levenloos aangetroffen. Dit heeft grote psychische gevolgen voor genoemde personen opgeleverd, waarvan zij nog geruime tijd last kunnen ondervinden.

Ook de zoon en de ex-man tevens verloofde van het slachtoffer zijn zwaar geschokt ten gevolge van de daad van verdachte.

Het verdriet van de nabestaanden is groot.

De rechtbank heeft verder in haar oordeel betrokken dat verdachte geen enkel motief voor zijn handelen heeft vermeld.

Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. In de directe omgeving van de woning van het slachtoffer is geschokt gereageerd op de moord die in hun directe nabijheid heeft plaatsgevonden. In de samenleving als geheel wakkert een dergelijk feit de gevoelens van onrust en onveiligheid aan.

Ten slotte heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat verdachte een blanco strafblad heeft en het hier niet om een ruim van tevoren geplande moord gaat waarbij planmatig is gewerkt.

In het eerdergenoemd multidisciplinair onderzoek betreffende verdachte adviseren drs. H.L.C. Morre en mevrouw drs. S. Labrijn verdachte een passend geachte straf op te leggen. Zij vinden het niet gepast indien het rechtscollege verdachte een terbeschikkingstelling zou opleggen, omdat zij verdachte als volledig toerekeningsvatbaar beoordelen.

Gezien de inhoud van bovenvermeld rapport en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank termen aanwezig het advies van de deskundigen op te volgen.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest dient te worden opgelegd.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [naam benadeelde partij] (dochter van overledene), [adres benadeelde partij] [naam benadeelde partij 2] (zoon van overledene), [adres benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] (ex-man en verloofde van overledene) [adres benadeelde partij 3], vorderen een schadevergoeding.

[naam benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 6.663,85, te vermeerderen met wettelijke rente ter zake van het bewezenverklaarde, waarvan € 1.463,85 ter zake van materiële schade en € 5.200,- als voorschot ter zake van immateriële schade.

[naam benadeelde partij 2] (zoon van overledene) vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 3.037,-, te vermeerderen met wettelijke rente ter zake het onder 1 primair tenlastegelegde feit. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende materiële kosten: reiskosten ad € 300,-, telefoonkosten ad € 100,-, inkomensderving ad € 1.600,- en kosten voor het opvragen van medische gegevens ad € 37,-. Daarnaast heeft hij een bedrag aan immateriële schade ad

€ 1.000,- als voorschot gevorderd.

[naam benadeelde partij 3] (ex-man en verloofde van overledene) vordert volgens pagina 2 van het schadevergoedingsformulier een bedrag van € 1.455,13 aan materiële schade. De rechtbank acht dit een rekenfout, nu op pagina 1 van genoemd formulier is vermeld dat verdachte de

volgende bedragen vordert:

- verlies aan inkomsten € 1.418,13;

- reiskosten € 200,- ;

- telefoonkosten € 100,- ;

- opvragen medische gegevens € 37,-

__________

zijnde een totaal bedrag van € 1.755,13 aan materiële schade.

Daarnaast heeft hij een bedrag aan immateriële schade ad € 1.000,- als voorschot gevorderd.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie acht de vorderingen betreffende de immateriële schade toewijsbaar. De vorderingen betreffende de materiële schade acht hij niet-ontvankelijk omdat hij deze niet voldoende onderbouwd vindt. Hij is van oordeel dat deze vorderingen slechts bij de burgerlijk rechter kunnen worden aangebracht.

De raadsman heeft verzocht de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze schade niet is onderbouwd. De raadsman heeft zich gerefereerd betreffende de vorderingen tot immateriële schadevergoeding.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de materiële schade het volgende.

De positie van derden die schade hebben geleden ten gevolge van het overlijden van een slachtoffer van een onrechtmatige daad, vindt in het huidige wettelijk stelsel van het Burgerlijk Wetboek een limitatieve regeling in het samenstel van de artikelen 6:107 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek.

De materiële schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn limitatief opgesomd in deze artikelen. In geval van overlijden gaat het dan slechts om schade bestaande uit het derven van levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging.

In artikel 6:108, tweede lid juncto eerste lid, aanhef van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, de aansprakelijke verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Hieronder vallen de crematiekosten die volgens opgave van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] niet zijn vergoed tot een bedrag van € 534,-.

De rechtbank stelt vast dat [naam benadeelde partij] deze kosten als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks heeft geleden en dat deze kosten op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking komen.

De overige door [naam benadeelde partij] gevorderde bedragen betreffende materiële schade komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze als zodanig niet onder de te vergoeden kosten in genoemde wetsartikelen worden genoemd en zij evenmin op basis van andere wetsartikelen voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft de notarisrekening, de reis- en telefoonkosten en de kosten voor het opvragen van medische gegevens.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] heeft een immateriële schadeclaim ingediend tot een bedrag van -voorlopig- € 5.200,-. Zij heeft gesteld als gevolg van de dood van haar moeder te kampen met ernstige angsten en herbelevingen. Zij is onder behandeling bij het RIAGG, zij volgt EMDR therapie en gebruikt kalmerings- en slaapmedicatie, die haar is voorgeschreven door artsen. Ook heeft zij enige dagen vanwege een crisisinterventie in Vijverdal doorgebracht. Daarnaast heeft de gebeurtenis ook een zware impact gehad op haar kinderen, die onder haar zorg staan en die zij passende begeleiding moet kunnen bieden.

In haar arrest van 22 februari 2002 (LJN: AD5356) heeft de Hoge Raad overwogen dat het stelsel van de wet meebrengt dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een zeer nauwe en/of affectieve relatie hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Kort gezegd komt dit er op neer dat immateriële schade wegens het verdriet dat is ontstaan door het overlijden van het slachtoffer, de zogenaamde affectieschade, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het burgerlijk recht kent -indien is voldaan aan een aantal vereisten- wel ruimte voor vergoeding van zogenaamde schokschade. Van schokschade wordt voor zover in het kader van het strafrecht relevant, gesproken indien een persoon geestelijk letsel oploopt als gevolg van het waarnemen van een strafbaar feit, of het direct geconfronteerd worden met de ernstige gevolgen daarvan, waardoor bij deze persoon een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Deze situatie zal zich met name kunnen voordoen indien iemand tot wie deze persoon in een nauwe affectieve relatie staat, wordt gedood of gewond. Men denke aan de situatie waarin een familielid ooggetuige is van een geweldsdelict of, zoals in het onderhavige geval, een naaste het slachtoffer levenloos aantreft. Vereiste voor de toekenning van schokschade is dat het geestelijk letsel in rechte moet kunnen worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

In de onderhavige zaak is [naam benadeelde partij] geconfronteerd met de directe gevolgen van de moord op haar moeder. Zij heeft in het bijzijn van haar kinderen haar moeder, omgeven door bloed, levenloos aangetroffen. Hoewel de rechtbank aanneemt dat dit een bijzonder traumatische gebeurtenis voor [naam benadeelde] en haar kinderen moet zijn geweest en zij er nota van heeft genomen dat [naam benadeelde] onder behandeling van het RIAGG en/of de huisarts is, heeft zij niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Om die reden zal zij benadeelde partij [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Gezien het hiervoren beschrevene komen de door [naam benadeelde partij 2] (zoon van overledene) en [naam benadeelde partij 3] (ex-man en verloofde van overledene) gevorderde materiële kosten op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek niet voor vergoeding in aanmerking, nu zij niet zijn gemaakt in het kader van de lijkbezorging. Evenmin komen de immateriële kosten voor vergoeding in aanmerking. Zij zijn immers, anders dan [naam benadeelde partij], niet direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het handelen van verdachte, maar hebben pas later vernomen van het overlijden van hun moeder en ex-echtgenote.

De rechtbank zal deze vorderingen dan ook afwijzen.

De rechtbank zal bepalen dat het aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 3.4 bewezen verklaarde strafbare feit onder 1 primair zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de benadeelde partij [naam benadeelde partij] aansprakelijk is voor het toewijsbaar geachte deel van de gevorderde schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 289 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, als deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 3 en 4;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als

hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder

4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van

het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres benadeelde partij] (dochter

overledene), van een bedrag van € 534,- zijnde crematiekosten welke niet zijn vergoed. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente van 17 mei 2008 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] tot nu toe

gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot

op nihil;

- wijst de vordering betreffende materiële schade van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] voor

het overige af;

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] betreffende de immateriële schade in haar

vordering niet ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijk rechter

kan aanbrengen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij

[naam benadeelde partij] (dochter overledene) voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te

vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de

vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de

benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam en adres benadeelde partij 2] (zoon overledene), ;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] (zoon van overledene) in de kosten, door

verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam en adres benadeelde partij 3] (ex-man en verloofde van overledene,;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] (ex-man en verloofde van overledene) in de

kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 februari 2009