Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH1913

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
03/703395-08, 20/001052-04 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis: de rechtbank acht bewezen dat verdachte ramkraken en andere vermogensdelicten heeft gepleegd. Veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703395-08, 20/001052-04 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 februari 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 januari 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een auto heeft gestolen;

Feit 2: heeft geprobeerd in te breken in een tankstation;

Feit 3 en 4: door middel van een ramkraak in een tankstation heeft ingebroken en goederen heeft gestolen;

Feit 5: in een auto heeft ingebroken en goederen heeft gestolen;

Feit 6: met een gestolen pinpas heeft gepind;

Feit 7: een auto heeft gestolen;

Feit 8: gestolen goederen heeft geheeld;

Feit 9: een auto heeft gestolen;

Feit 10: opzettelijk een gestolen auto voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht.

De officier van justitie baseert zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit op de aangifte, de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] en de omstandigheid dat de verdachte in de gestolen bestelbus is aangehouden.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde baseert de officier van justitie zich op de aangiften, de verklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2], de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] en de processen-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het uitlezen van de videobeelden. Voorts baseert de officier van justitie zich op de modus operandus, die bij deze ten laste gelegde feiten telkens dezelfde was.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde baseert de officier van justitie zich op de aangifte en de omstandigheid dat de gestolen creditcard in de gestolen auto, waarin verdachte reed, werd aangetroffen. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde baseert de officier van justitie zich op de bekennende verklaring van verdachte en de herkenning van verdachte op de voorhanden zijnde foto’s.

De officier van justitie baseert zich ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde op de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie stelt zich ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde op het standpunt dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is.

De officier van justitie baseert zich ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde op de aangifte en de fotoconfrontatie. Ten slotte wijst de officier ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde feit op de uitslag van het DNA onderzoek en op de ongeloofwaardigheid van de verklaring van verdachte ten aanzien van dit ten laste gelegde feit.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de feiten onder 1 tot en met 4 van de tenlastelegging niet bewezen kunnen worden verklaard en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde voert de raadsman aan dat verdachte weliswaar de autodiefstal bekent, maar dat deze diefstal niet heeft plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde betoogt de raadsman dat verdachte niet is herkend op de voorhanden zijnde en ter terechtzitting bekeken videobeelden. De raadsman betoogt voorts dat medeverdachte [naam medeverdachte] ongeloofwaardig heeft verklaard. De belastende verklaring is volgens de raadsman ingegeven door het feit dat verdachte de bestelbus van [naam medeverdachte] heeft gestolen.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde betoogt de raadsman dat het signalement blijkens de getuigenverklaring van [naam getuige 3], betreffende de haardracht van verdachte, niet overeenkomt met het signalement van verdachte. Voorts betoogt de raadsman dat verdachte de gestolen creditcard in de gestolen bus heeft aangetroffen.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman verwijst bij het onder 7 ten laste gelegde naar de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 8 en 9 ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman betoogt ten slotte dat het onder 10 ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden verklaard. Hij voert daartoe aan dat verdachte de auto heeft geleend. Gelet op de omstandigheid dat verdachte over de contactsleutels beschikte, stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte op basis van de uiterlijke kenmerken van de auto niet kon vermoeden of weten dat de auto door misdrijf was verkregen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4:

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot de geloofwaardigheid van de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte]. Anders dan de raadsman acht de rechtbank de eerder genoemde verklaring geloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft een uitgebreide verklaring afgelegd waarin hij niet alleen verdachte, maar ook zichzelf belast. Van pogingen om de schuld af te schuiven op verdachte is de rechtbank niet gebleken. De verklaring is gedetailleerd en op een aantal belangrijke onderdelen in overeenstemming gebleken met ander bewijsmateriaal. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] te twijfelen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van het volgende.

Tussen 8 september 2008 en 9 september 2008 werd de bestelauto van het merk Hyundai H100, met kenteken [nummer kenteken], toebehorende aan [naar bedrijf slachtoffer 1] gestolen.

Medeverdachte [naam medeverdachte] is begin september 2008 op de Markt in Kerkrade, waar hij verdachte ontmoet. Ze raken in gesprek en dan blijkt dat beiden in geldnood zitten. Samen lopen ze door het centrum van Kerkrade, waar zij aan de Hoofdstraat een bestelbus, merk Hyundai, zien staan. De bestelbus staat op de parkeerplaats van [naam bedrijf slachtoffer 1].

Ze besluiten de bus te stelen. [naam medeverdachte] gaat op de uitkijk staan, verdachte loopt naar de bestelbus. Verdachte opent het bijrijderportier. Later ziet [naam medeverdachte] dat het contactslot is vernield en dat verdachte de bus met een schroevendraaier start.

Naar aanleiding van sporenonderzoek aan de bestelauto van het merk Hyundai H100 met kenteken [nummer kenteken] wordt geconstateerd dat het rechter portierslot geheel uit het portier is gebogen of getrokken en het stuurslot geheel is weggebroken. Op 12 september en in de nacht van 12 op 13 september 2008 wordt de gestolen bestelbus met verdachte meerdere keren – tussen 21.17 uur en 06.04 uur - bij het adres Industriestraat 56 te Kerkrade waargenomen. Op 13 september 2008, om 06.20 uur wordt de gestolen bestelbus van het merk Hyundai H100 met kenteken [nummer kenteken] op de A76 gesignaleerd. Verdachte wordt in voornoemde bestelbus aangetroffen.

Gelet op bovenstaande verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte] en aangever [naam slachtoffer 1] het proces-verbaal van bevindingen en het aantreffen van verdachte in de gestolen bestelbus stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van 8 september 2008 tot en met 9 september 2008 te Kerkrade de bestelbus samen met een ander heeft gestolen.

Voor zover de verdachte ter terechtzitting verklaart dat hij de bestelbus weliswaar heeft gestolen, maar niet in de ten laste gelegde periode, komt de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig voor nu deze niet met feitelijkheden wordt onderbouwd en evenmin steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Het voorgaande vastgesteld hebbende, overweegt de rechtbank ter zake van de te laste gelegde ramkraken -waarvan er één in een poging is blijven steken- het volgende.

Gelet op de verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte], de processen-verbaal van bevindingen en de eigen waarneming van de rechtbank bij het bekijken van videobeelden ter terechtzitting, stelt de rechtbank de volgende modus operandi vast. Met de gestolen bestelbus met kenteken [nummer kenteken] werd naar de tankstations gereden. Aangekomen bij de tankstations werd de bestelbus met de achterzijde in de richting van de toegangsdeur van de shop van het tankstation gereden. Vervolgens werd een houten balk tussen de bestelbus en de toegangsdeur geplaatst, waarna de bestelbus verder achteruit reed. De houten balk klemde hierdoor tussen de bestelbus en de toegangdeur,waardoor de toegangsdeur werd geforceerd.

Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart dat hij op het idee kwam om met behulp van de gestolen bestelbus in te breken in tankstations. Hij verklaart samen met verdachte de ramkraken te hebben gepleegd, waarbij de bestelbus werd gebruikt om de toegangsdeur van de tankstations te forceren. Ze reden ’s nachts naar een tankstation. Verdachte heeft de bestelbus bestuurd en medeverdachte [naam medeverdachte] nam op de bijrijderstoel plaats.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verklaart medeverdachte [naam medeverdachte] dat de toegangsdeur weliswaar werd beschadigd, maar dat deze niet open ging, waarna verdachte en hij zijn weggereden. Aangever [naam slachtoffer 2] verklaart dat hij op 9 september 2008, omstreeks 02:20 uur een telefoon kreeg van de alarmcentrale en hierop meteen naar het tankstation [adres tankstation] is gereden waar hij zag dat de toegangsdeur en het kozijn geheel ontzet waren. Verder zag hij dat er twee bandensporen richting deur liepen en dat er glas op de grond lag. De deur en de pui waren voor een gedeelte naar binnen gedrukt.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde verklaart medeverdachte [naam medeverdachte] vervolgens dat hij met verdachte naar een ander tankstation is gereden, waar de eerder beschreven werkwijze (ramkraak) werd toegepast. Hierna liep [naam medeverdachte] met een vuilniszak de shop van het tankstation binnen en vulde de vuilniszak met pakjes sigaretten. De verdachte kwam eveneens het pand binnen en ook hij vulde een vuilniszak met pakjes sigaretten. Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart dat hij alvorens het pand te verlaten nog een laptop heeft meegenomen, welke hij lostrok van een kabel.

Aangever [naam slachtoffer 3] verklaart dat hij naar aanleiding van een alarmmelding naar het tankstation aan de [adres tankstation] is gekomen. Hij zag dat de toegangsdeur geforceerd was en totaal vernield was. In het pand zag hij een opengebroken rolkast, waarin sigaretten opgeborgen waren. Hij zag diverse pakjes sigaretten over de grond verspreid liggen en dat een laptop weggenomen was. Bij een inventarisatie zag hij dat een groot aantal pakjes sigaretten waren ontvreemd.

Naar aanleiding van het bekijken van de videobeelden van de inbraak ter terechtzitting, heeft de rechtbank waargenomen dat een persoon met een capuchon op zijn hoofd het pand betreedt, kort daarna gevolgd door een persoon met een pet. De persoon met de pet verlaat het pand vervolgens als eerste, waarna de persoon met de capuchon hem volgt. Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart naar aanleiding van het bekijken van fotoprints van de opgenomen videobeelden dat hij de persoon met de capuchon is en verdachte de persoon met de pet.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde verklaart medeverdachte [naam medeverdachte] dat hij en verdachte de volgende avond op zoek gingen naar een geschikt tankstation. Eenmaal aangekomen bij het tankstation werd de toegangsdeur weer op dezelfde wijze geforceerd, waarna hij met een vuilniszak het pand is binnengerend. Verdachte is hem gevolgd. De vuilniszakken werden door hen met pakjes sigaretten en aanstekers gevuld. Het pand werd vervolgens verlaten. Naar aanleiding van het uitlezen van de camerabeelden constateert de verbalisant dat beide daders in de winkel hebben gelopen. ‘Dader 1’ draagt een donkerkleurige broek en een donkerkleurige jack met donkerkleurige capuchon. ‘Dader 2’ draagt een donkerkleurige broek en een donkerkleurig petje. Bij het verlaten van het tankstation houden zowel ‘dader 1’ als ‘dader 2’ een donkerkleurige gedeeltelijk gevulde plastic zak in de rechterhand. Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart dat hij de persoon met de capuchon is en verdachte de persoon met de pet.

Aangever [naam slachtoffer 4] verklaart dat hij op 10 september 2008, om 02.21 uur een alarmmelding kreeg. Hij is vervolgens naar het tankstation [adres tankstation] gereden, waar hij omstreek 02.30 uur arriveerde. Daar zag hij dat de voordeur geheel ontzet was en dat de bovenste van de twee ruiten in deze deur geheel gebarsten was. Tevens zag hij dat een barst zat in het ruitje boven de deur en dat het elektrische slot geheel vernield was. Binnen zag hij dat pakjes sigaretten uit de sigarettenkast waren weggenomen. Na telling bleken dit ongeveer 400 pakjes te zijn.

Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart dat verdachte, na het plegen van de ramkraken, de bestelbus heeft meegenomen, omdat verdachte in deze bus wilde blijven rijden. Verdachte is op 13 september 2008 in voornoemde bestelbus aangetroffen en vervolgens aangehouden.

Verdachte verklaart dat hij zijn privé-spullen, welke in de in beslag genomen bestelbus lagen, terug wil hebben. Deze privé-spullen betreffen onder andere een zwarte Nike joggingbroek en een donkere Umbro trui. Verdachte verklaart dat het petje op de hem voorgehouden foto eveneens zijn eigendom is. Naar aanleiding van het uitlezen van de camerabeelden met betrekking tot de onder 3 en 4 ten laste gelegde ramkraken, constateert de verbalisant dat de kleding van een van de personen aanwezig bij de ramkraken overeenkomt met de kleding welke onder verdachte werd aangetroffen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte samen met een ander de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe, in het licht van bovenstaande verklaringen en bevindingen, dat vast is komen te staan dat bij elk van de ramkraken, waarvan één in een poging is blijven steken, steeds gebruik werd gemaakt van dezelfde bestelbus met kenteken [nummer kenteken]. Verdachte is op 13 september 2008 in deze bestelbus aangetroffen. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte voornoemde bestelbus heeft gestolen. De ramkraken hebben zich vlak na het stelen van de bestelbus voorgedaan. Deze ramkraken hebben zich vervolgens eveneens in een zeer kort tijdsbestek afgespeeld. Hierbij werd steeds dezelfde modus operandi toegepast. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft uitgebreid en gedetailleerd over de ramkraken verklaard. Zijn verklaring wordt in belangrijke mate ondersteund door de voorhanden zijnde videobeelden. Ten aanzien van het betoog van de raadsman dat verdachte niet op de videobeelden is herkend en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij niet de persoon met de pet is, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft bij het bekijken van de videobeelden ter terechtzitting de persoon met de pet inderdaad niet herkend als zijnde verdachte. Dit leidt evenwel niet tot de conclusie dat de persoon met de pet niet verdachte is. De videobeelden in samenhang met de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] spreken namelijk niet tegen dat verdachte eerdergenoemde persoon is. Bovendien werden onder verdachte enkele kledingstukken aangetroffen, welke overeenkomen met de kleding van een van de personen die aanwezig was bij de ramkraken en die omschreven wordt als de persoon met de pet. Verdachte heeft verklaard dat deze kledingstukken zijn eigendom zijn.

Ten aanzien van feit 5 en 6:

Aangever [naam slachtoffer 5] verklaart dat hij op 12 september 2008 zijn personenauto merk Peugeot 206 op het bouwterrein in Vaesrade heeft geparkeerd. Het raam aan de bestuurderszijde heeft hij een stukje open gelaten. Later die dag merkte hij dat zijn navigatiesysteem, zijn portemonnee met Belgisch paspoort, geld en een mapje CD’s zijn weggenomen.

Getuige [naam getuige 3] verklaart dat hij zich op 12 september 2008 tussen 09.00 uur en 10.00 uur op een bouwterrein in Vaesrade bevond. Hij zag dat een bestelbus, merk Hyundai, het bouwterrein komt opgereden. Hij zag dat de bestuurder de bestelbus vlak naast de Peugeot parkeert. Hij omschrijft de bestuurder van de bus als volgt: een blanke man van circa 20-30 jaar oud, ongeveer 185 of 190 cm groot, korte haren, donkere trainingsbroek en een wit T-shirt. Aangever [naam slachtoffer 5] verklaart dat er in zijn gestolen portemonnee ook een creditcard zat. Om 09.39 uur wordt met de gestolen bankpas gepind. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij met de creditcard heeft gepind. De pincode zat bij de creditcard. Verdachte wenst niet te verklaren van wie hij de creditcard heeft gekregen. Een papiertje met de pincode behorende bij deze creditcard wordt op aangeven van verdachte in de door hem ten tijde van zijn aanhouding bestuurde bestelbus terug gevonden.

Gelet op de verklaring van aangever [naam slachtoffer 5], de verklaring van verdachte en getuige [naam getuige 3], het aantreffen van het papiertje met de pincode behorende bij de gestolen creditcard in de bestelbus en het korte tijdsbestek tussen de diefstal in/uit de personenauto en de frauduleuze transactie, stelt de rechtbank vast dat verdachte de creditcard op 12 september 2008 te Vaesrade (gemeente Nuth) in/uit een personenauto heeft gestolen.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het door getuige [naam getuige 3] opgegeven signalement met betrekking tot de korte haren niet overeenkomt met het signalement van verdachte, overweegt de rechtbank dat hiermee geen afbreuk gedaan wordt aan de waarde van zijn belastende verklaring.

Gelet op de hiervoor bewezenverklaarde diefstal in/uit de bestelbus en de verklaring van verdachte dat hij met de creditcard en bijbehorende pincode heeft gepind, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 7:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 januari 2009;

• Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van aangever Hannemann van 3 november 2006, pagina 35.

Ten aanzien van feit 8:

Aangever [naam slachtoffer 6] verklaart dat op 26 april 2008 zijn motorfiets, merk Suzuki, type Bandit, werd gestolen. Aangever [naam slachtoffer 7] verklaart dat op 27 april 2008 zijn motor, merk Harley Davidson, werd gestolen. Aangever [naam slachtoffer 8] verklaart dat zijn snorfiets, merk Piaggio, op 16 april 2008 werd gestolen. Op 2 mei 2008 worden de twee gestolen motoren en de snorfiets/scooter in een tuin terug gevonden. Na onderzoek constateert de verbalisant dat de motor, merk Suzuki, is doorverbonden. Van de motor, merk Harley Davidson, is het leer op de tank losgetrokken, teneinde bij het contactslot te komen. Bij de scooter/snorfiets is het contactslot verwijderd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de motoren en de scooter/snorfiets in de tuin heeft geplaatst waar ze zijn aangetroffen en daar een paar honderd euro voor heeft gekregen. Verdachte ontkent de motoren te hebben gestolen.

Op basis van de aangiften, het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Gelet op de omstandigheid dat de contacten van de motoren en de scooter/snorfiets waren verbroken en dat verdachte geld heeft ontvangen voor het verplaatsen van voornoemde goederen, moet het ervoor gehouden worden dat verdachte op dat moment wist dat het gestolen goederen betroffen.

Ten aanzien van [naam slachtoffer 9] verklaart dat er op 2 mei 2008 in de gemeente Heerlen een personenauto, merk BMW, type 318 I, met kenteken [nummer kenteken] werd gestolen door een man die enkele dagen eerder ook al in de zaak was geweest en die hij omschrijft als: man, blank, lengte 1,75/1,80, 20/25 jaar, kort geschoren haar (bijna kaal), geen gezichtsbeharing, geen bril, baseballpetje. Toen heeft zijn zoon genaamd [naam zoon slachtoffer 9] met deze man gesproken. Aangever [naam slachtoffer 9] zag op 2 mei 2008 de man in de auto zitten en hoorde zijn zoon, [naam zoon slachtoffer 9], opeens roepen: ‘Godverdomme, die gaat hem stelen’, waarna hij piepende banden hoorde. Met getuige [naam zoon slachtoffer 9] (noot griffier: de zoon van aangever [naam slachtoffer 9]) werd vervolgens een fotoconfrontatie gehouden. Getuige [naam zoon slachtoffer 9] herkent verdachte als zijnde de persoon die de auto heeft gestolen.

Op basis van de verklaring van de aangever en de fotoherkenning stelt de rechtbank vast dat verdachte op 2 mei 2008 in de gemeente Heerlen de personenauto heeft gestolen.

Ten aanzien van feit 10:

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte het onder 10 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft verklaart dat hij de personenauto, merk BMW, heeft geleend. Nu verdachte over de contactsleutels van de personenauto beschikte en er verder geen uiterlijke kenmerken van diefstal zichtbaar waren, kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de auto gestolen was. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 8 september 2008 tot en met 9 september 2008 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (bedrijfs)auto, te weten een Hyundai H100, gekentekend [nummer kenteken], toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

op 9 september 2008 in de gemeente Voerendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand, gelegen aan adres bedrijfspand] weg te nemen een hoeveelheid goederen, toebehorende aan [naam slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en die/dat weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader, een houten balk tegen de voordeur van voornoemd pand heeft geplaatst en vervolgens met een rijdend voertuig tegen voornoemde balk (die geklemd zat tussen voordeur en de achterkant van het voertuig) is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 9 september 2008 in de gemeente Gulpen-Wittem, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand, gelegen aan[adres pand], heeft weggenomen een laptop en een hoeveelheid sigaretten, toebehorende aan tankstation, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

4.

op 10 september 2008 in de gemeente Roerdalen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand, gelegen [adres tankstation], heeft weggenomen (ongeveer) 400 pakjes sigaretten en een aantal aanstekers, toebehorende aan tankstation, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

5.

op 12 september 2008 in de gemeente Nuth met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (personen)auto, te weten een Peugeot 206, heeft weggenomen een navigatiesysteem en een portemonnee en een (Belgisch) paspoort en een aantal CD's en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [naam slachtoffer 5];

6.

op 12 september 2008 in de gemeente Nuth met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een (creditcard)rekening ten name van [naam slachtoffer 5] heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten Euro 500,-, toebehorende aan [naam slachtoffer 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft verdachte een creditcard ingevoerd bij een PIN-automaat (van de RABObank) en (vervolgens) de (bijbehorende) PIN-code ingevoerd, terwijl verdachte middels diefstal over voornoemde creditcard en PIN-code beschikte;

7.

op 3 november 2006 te Aachen (Bondsrepubliek Duitsland) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto, te weten een Opel Meriva, gekentekend [nummer kenteken] toebehorende aan [naam slachtoffer 10];

8.

in de periode van 26 april 2008 tot en met 2 mei 2008 in Nederland, twee motoren, te weten een Harley Davidson en een Suzuki Bandit en een scooter/snorfiets, te weten een Piaggio, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde motoren en scooter/snorfiets wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

9.

op 2 mei 2008 in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto, te weten een BMW 318I, gekentekend [nummer kenteken], toebehorende aan Autobedrijf [naam slachtoffer 9].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 2:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 5:

diefstal

Ten aanzien van feit 6:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

Ten aanzien van feit 7:

diefstal

Ten aanzien van feit 8:

opzetheling

Ten aanzien van feit 9:

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen acht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht met daaraan verbonden de maatregel van hulp en steun.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten onder 1, 2, 3, 4, 5 en 10 vrijspraak bepleit. De raadsman verzoekt ten aanzien van de feiten 6, 7, 8 en 9 tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur welke gelijk is aan het voorarrest. De raadsman heeft subsidiair betoogd dat, indien de rechtbank, ondanks de door hem bepleite vrijspraak ten aanzien van voornoemde feiten, tot een bewezenverklaring komt, de eis van de officier van justitie te hoog is. Hij verzoekt de eis aanzienlijk te matigen en aan een voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te verbinden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan diefstal van een auto en aan opzetheling. Bovendien heeft verdachte drie ramkraken, waarvan één poging, gepleegd. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan één diefstal uit een auto en één diefstal van geld. Hieruit blijkt dat verdachte op geen enkele wijze respect toont voor andermans eigendom. Zijn handelwijze lijkt enkel ingegeven door zijn eigenbelang. Uit de met een ander gepleegde ramkraken blijkt dat verdachte zelfs niet schroomt met gebruik van zeer grof geweld vernielingen aan andermans goed toe brengen, teneinde goederen te stelen. De veroorzaakte schade is groot. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Bij de bepaling van de op te leggen straf neemt de rechtbank als uitgangspunt de oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk overleg van sectorvoorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken. Uit deze oriëntatiepunten vloeit voort dat voor een diefstal van een auto een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken wordt opgelegd. Verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan diefstal van een auto. Blijkens het oriëntatiepunt voor diefstal uit een auto wordt een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken opgelegd. Verdachte heeft zich éénmaal schuldig gemaakt aan diefstal uit een auto. De diefstal door middel van valse sleutels zal in deze straf worden meegenomen. Voor opzetheling van twee motoren en één scooter/snorfiets acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 weken passend.

Ten aanzien van de drie ramkraken heeft de rechtbank het oriëntatiepunt met betrekking tot eenvoudige inbraken met beperkte braakschade in objecten, niet zijnde woningen, als uitgangspunt genomen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken per feit. Gelet op het gebruik maken van zeer grof geweld bij de ramkraken en de aanzienlijke braakschade die hierdoor werd veroorzaakt, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken per ramkraak op zijn plaats. De rechtbank acht voor de poging tot ramkraak een gevangenisstaf voor de duur van 5 weken passend.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het strafblad van 7 januari 2009 van de verdachte. Uit dit overzicht blijkt dat verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen en bovendien eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte inmiddels een heuse criminele carrière heeft opgebouwd. De rechtbank acht op basis daarvan een verhoging van de straf met de helft in plaats van één derde noodzakelijk.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte bij vonnis d.d. 30 oktober 2008, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/700718-06 is veroordeeld tot straf en nu opnieuw is schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat voor die datum is gepleegd, te weten het onder 7 ten laste gelegde.

Uitgaande van de oriëntatiepunten en gelet op bovenstaande omstandigheden, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opleggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank ziet, evenals de reclassering, geen heil in de oplegging van een voorwaardelijk deel met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op het verloop van de criminele carrière van verdachte en op de eerdere behandelingen die verdachte onderging en door hem werden afgebroken.

6 De benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1:

De benadeelde parti[naam en adres slachtoffer 1], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2800,- aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman verzoekt eveneens de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu een uitreksel van de Kamer van Koophandel ontbreekt.

Ten aanzien van feit 2:

De benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 2], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1000,- aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen en vordert daarbij oplegging van de schademaatregel. De raadsman verzoekt, gelet op de door hem betoogde vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij geheel toewijzen, nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot voornoemd bedrag.

Ten aanzien van feit 3:

De benadeelde partij [naam en adsres slachtoffer 3], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2250,- aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen en vordert daarbij oplegging van de schademaatregel. De raadsman verzoekt, gelet op de door hem betoogde vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij geheel toewijzen, nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot voornoemd bedrag.

Ten aanzien van feit 5:

De benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 673,- aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen en vordert daarbij oplegging van de schademaatregel. De raadsman verzoekt, gelet op de door hem betoogde vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij geheel toewijzen, nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het onder 5 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot voornoemd bedrag.

Ten aanzien van feit 6:

De benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 500,- aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen en vordert daarbij oplegging van de schademaatregel. De raadsman is van mening dat de vordering kan worden toegewezen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij geheel toewijzen, nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het onder 6 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot voornoemd bedrag.

Ten aanzien van feit 9:

De benadeelde parti [naam en adres slachtoffer 9], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3937,42 aan materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering dient te worden toegewezen en vordert daarbij oplegging van de schademaatregel. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij geheel toewijzen, nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het onder 9 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot voornoemd bedrag.

Met betrekking tot de toe te wijzen vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de door hem aanhangig gemaakte vordering tot tenuitvoerlegging van een aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf ter terechtzitting ingetrokken.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf afwijzen.

8 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de beslagene respectievelijk aan de rechthebbende.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 10 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven

voorwerpen aan de beslagene:

1 Trui, kleur: wit, REPLAY, V-hals, korte mouwen;

1 Pet, kleur: zwart, NIKE Baseball;

1 GSM, kleur: zwart, NOKIA 1650;

1 Broek, kleur: zwart, NIKE, joggingbroek;

1 Trui, kleur: blauw, UMBRO;

1 Kledingstuk, kleur: zwart, AND, trui met lichtgevende grijze strepen op mouwen;

1 Lantaarn kleur: groen, zaklantaarn, opschrift Vos;

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven

voorwerpen aan de rechthebbende.

1 Spoor met DNA zegel AHC406, mondstuk bierfles;

1 Spoor met DNA zegel ACH404, envelop laadvloer bagageruimte;

1 Spoor met DNA zegel AHC405, mondstuk fles spa;

1 Spoor met DNA zegel AHC403, envelop laadvloer bagageruimte;

1 Spoor, folie schuifdeur rechts onbekende vinger;

1 Spoor, onbekende vinger in zak staande op achterbank;

1 Spoor, op unit rechter achterlicht;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- wijst af de vordering;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 1], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde [naam slachtoffer 1] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot

op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 2], van een bedrag van € 1000,- (zegge: duizend euro);

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 3], van een bedrag van € 2250,- (zegge: tweeduizendtweehonderdenvijftig euro);

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5], van een bedrag van € 673,- (zegge: zeshonderddrieënzeventig euro);

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5], van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro);

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 9], van een bedrag van € 3973,42 (zegge: drieduizendnegenhonderddrieënzeventig euro en tweeënveertig eurocent);

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 9] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- [naam slachtoffer 2] € 1000,- 20 dagen hechtenis;

- [ naam slachtoffer 3] € 2250,- 45 dagen hechtenis;

- [naam slachtoffer 5] € 673,- 13 dagen hechtenis;

- [naam slachtoffer 5] € 500,- 10 dagen hechtenis;

- [naam slachtoffer 9] € 3973,42 79 dagen hechtenis;

-met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

-bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. A.C.A. Schreinemakers en mr. A.W. Oosterman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 februari 2009.