Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH0730

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
03-700472-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0221, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis: bewezenverklaard is dat verdachte twee mannen door elk een messteek heeft doodgestoken.

Ten aanzien van het eerste slachtoffer was sprake van een noodweersituatie, nu deze persoon hem met een breekijzer en vergezeld van andere mannen aanviel en verdachte geen kant op kon. Volgt ontslag van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de tweede persoon was geen sprake van een noodweersituatie noch van noodweerexces. Veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700472-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 januari 2009

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats en geboortedatum verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte].

Gedetineerd in de PI “De Geerhorst” te Sittard.

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7, 8 en 9 januari 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: Op 9 juli 2008 te Brunssum opzettelijk [Naam slachtoffer feit1] van het leven heeft beroofd door deze met een mes in het lichaam te steken.

Feit 2: Op 9 juli 2008 te Brunssum opzettelijk [Naam slachtoffer feit2] van het leven heeft beroofd door deze met een mes in het lichaam te steken.

Bij de tenlastelegging is ook een derde feit gevoegd, de verdenking inhoudend dat verdachte op 8 juli 2008 te Hoensbroek een persoon genaamd [Naam slachtoffer derde feit] heeft mishandeld. De rechtbank heeft, gelet op het belang van een goede voortgang van het onderzoek naar de feiten 1 en 2, ter terechtzitting van 8 januari 2009 dit derde feit van de behandeling van die feiten afgesplitst en het onderzoek naar dat feit voor onbepaalde tijd geschorst. Derhalve behoeft op dat feit bij dit vonnis niet meer te worden beslist.

3 Inleiding

In verband met de leesbaarheid van dit vonnis, zal de rechtbank afwijken van de gebruikelijke indeling van haar vonnissen.

De rechtbank zal beginnen met een bespreking van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 voor wat betreft de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen (paragraaf 4).

De rechtbank zal vervolgens ingaan op de zijdens de verdediging aangevoerde rechtvaardigings- c.q. schulduitsluitingsgrond (noodweer/noodweerexces). Alvorens echter een inhoudelijk oordeel te geven met betrekking tot de strafbaarheid van het feit en van de verdachte, zal de rechtbank in paragraaf 5.3.1 en paragraaf 5.3.2. eerst een uiteenzetting geven van de gebeurtenissen op 9 juli 2008, welke aan de verweten feiten vooraf zijn gegaan.

De rechtbank zal vervolgens toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde rechtvaardigings- c.q. schulduitsluitingsgrond. Daarbij zal de rechtbank de volgorde van de gebeurtenissen van 9 juli 2008 aanhouden, hetgeen tot gevolg heeft dat feit 2 op de tenlastelegging, de doodslag op [Naam slachtoffer feit2] (paragrafen 5.3.3. tot en met 5.3.5), besproken zal worden voor feit 1, de doodslag op [Naam slachtoffer feit1] (paragrafen 5.3.6 tot en met 5.3.8).

Daar waar middels een voetnoot naar een bewijsmiddel wordt verwezen, zal de rechtbank dit in die voetnoot aangeven met de toevoeging “Bewijsmiddel”. De overige voetnoten behelzen uitsluitend een verwijzing naar de passages uit het desbetreffende proces-verbaal.

4 Beoordeling van het bewijs van de doodslagen

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde is bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verdediging gevoerd ten aanzien van de door de officier van justitie beoogde bewezenverklaring.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de beide gevallen van doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Zij heeft hierbij in de eerste plaats gelet op de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 7, 8 en 9 januari 2009, voorzover inhoudende dat hij op 9 juli 2008 te Brunssum [Naam slachtoffer feit2] en een tweede persoon, van wie hij nu weet dat deze [Naam slachtoffer feit1] heet, met een mes in de borst heeft gestoken.1

Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting dienaangaande het navolgende naar voren gekomen:

Op 9 juli 2008 te 19.05 uur kregen de opsporingsambtenaren [Namen opsporingsambtenaren 1+2] opdracht te rijden naar de [Adresgegevens verdachte] te Brunssum. Aldaar parkeerden zij om 19.07 uur hun voertuig ter hoogte van de boerderij gelegen aan de [Straatnaam\Straatnaam] te Brunssum. Zij zagen dat een tweetal manspersonen voor de genoemde boerderij op de grond lagen. Bij deze personen lagen enkele plassen bloed. Bij ieder slachtoffer zat een manspersoon. Zij zagen naast deze personen een vijfde manspersoon staan. Deze zei: “Hij heeft ze neergestoken”.

“Hij is naar de overkant gerend”. “Het was die [Naam verdachte]”. Om 19.15 uur werd verdachte in de nabijheid van perceel [Adresgegevens perceel] door een collega van [Namen opsporingsambtenaren 1+2] aangehouden.2

Op 9 juli 2008 te 19.35 uur was verbalisant [Verbalisant S.] ter plaatse. Hij verklaart dat de GGD arts, J.M. van der Loo, om 20.10 uur die dag de dood heeft geconstateerd, dat de stoffelijke overschotten op 10 juli 2008 te 02.10 uur werden overgebracht naar het mortuarium van het AZM te Maastricht en dat om 02.45 uur de lijkschouw werd verricht door de gemeentelijke lijkschouwer J.M. van der Loo.

Verbalisant [Verbalisant S.] verklaart dat elk slachtoffer een steekwond in de borst had en dat na onderzoek is gebleken dat de overledenen [Naam slachtoffer feit2], geboren te [Geboortegegevens slachtoffer feit2] en [Naam slachtoffer feit1], geboren te [Geboortegegevens slachtoffer feit1], betroffen. [Naam slachtoffer feit2] had een identiteitskaart in zijn bezit.3

Op 9 juli 2008 wordt [Naam slachtoffer feit1], geboren te [Geboortegegevens slachtoffer feit1] door de opsporingsambtenaar [Naam opsporingsambtenaar 3] herkend aan de hand van een foto op een identiteitsbewijs van [Naam slachtoffer feit1] dat was opgevraagd bij de afdeling bevolking van de gemeente Onderbanken. [Naam opsporingsambtenaar 3], die op 9 juli 2008 op de plaats van het delict aanwezig was, verklaarde dat zij de man op de foto herkende als een van de twee stoffelijke overschotten die op de plaats van het delict op de grond lagen.4

Op 11 juli 2008 werd door de patholoog dr. A. Maes, verbonden aan het NFI te Den Haag, sectie verricht op de stoffelijke overschotten van [Naam slachtoffer feit1] (sectie nummer [XXXXXXXX]) en [Naam slachtoffer feit2] (sectie nummer [YYYYYYYY]).5

De patholoog constateert bij sectie op het lichaam van [Naam slachtoffer feit1] (sectienummer [XXXXXXXX]) een scherprandig letsel met perforatie van de borst linksboven. Het betreft bij leven opgelopen letsel als gevolg van steken met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes. In de borst was een steekkanaal in relatie met huidletsel met perforatie van de borstkas, een doorsteek dwars door de beide hartkamers van het hart, het hartzakje en de linkerlong onderkwab. Als gevolg hiervan was een massaal bloedverlies opgetreden in de linkerborstkas. Zij stelt dat het massale bloedverlies en het functieverlies van het hart het overlijden zondermeer verklaren.6

De patholoog constateert bij sectie op het lichaam van [Naam slachtoffer feit2] (sectienummer [YYYYYYYY]) een scherprandig letsel midden voor aan de borst, met klieven van het kraakbenige deel van het borstbeen over een lengte van 7 cm. In relatie met het letsel was er een steekkanaal te herleiden in de borst met perforatie van borstbeen, hartzakje, hart en linkerlong onderkwab. Het steekkanaal was circa 18,5 cm lang. Als gevolg van het doorsteken van het hart was er massaal bloedverlies opgetreden met samenvallen van de linkerlong. Het betreft een letsel dat bij leven is opgelopen als gevolg van steken met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes. Zij stelt dat het overlijden zondermeer door het bloedverlies en het functieverlies van het hart wordt verklaard.7

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 9 juli 2008 in de gemeente Brunssum opzettelijk [Naam slachtoffer feit1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes gestoken in het lichaam van [Naam slachtoffer feit1], tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer feit1] is overleden;

2.

op 9 juli 2008 in de gemeente Brunssum opzettelijk [Naam slachtoffer feit2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in het lichaam van [Naam slachtoffer feit2] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer feit2] is overleden.

5 Beoordeling van de strafbaarheid van de feiten en de dader

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat aan verdachte ten aanzien van feit 1 geen beroep op noodweer of noodweerexces toekomt. Zij stelt dat verdachte strafbaar is en dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf.

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van oordeel dat aan verdachte een beroep op noodweer toekomt.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten een beroep gedaan op noodweer althans noodweerexces. Hij stelt zich op het standpunt dat verdachte ten aanzien van de beide feiten dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

5.3.1 Gebeurtenissen in de loop van woensdag 9 juli 2008

De rechtbank gaat in deze zaak op basis van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden, welke hebben plaatsgevonden in de loop van woensdag 9 juli 2008.

In de ochtend van 9 juli 2008 hebben [Naam ex-vriendin verdachte] en haar ex-vriend, zijnde verdachte, ruzie. Deze ruzie vindt plaats in hun gezamenlijke woning aan de [Adresgegevens verdachte], plaatselijk bekend als de “[Naam]”, en leidt tot een handgemeen tussen beiden. Zowel [Naam ex-vriendin verdachte] als verdachte melden zich later die dag op het politiebureau te Brunssum. Verdachte verklaart bij de politie dat [Naam ex-vriendin verdachte] hem bij zijn nek heeft gepakt en dat hij haar van zich af heeft geduwd, waarbij zij is gevallen.

[Naam ex-vriendin verdachte] doet om 14:00 uur, vergezeld van haar vader, [Naam vader slachtoffer feit2], nader aan te duiden als “[Naam vader slachtoffer feit2]”, aangifte van mishandeling door verdachte. In haar aangifte verklaart zij dat verdachte haar die ochtend aan haar haren naar de grond heeft getrokken en haar heeft geschopt en geslagen.8 9

Tijdens het doen van laatstgenoemde aangifte zegt [Naam vader slachtoffer feit2] tegen verbalisant dat zijn zoon [Naam slachtoffer feit2], nader aan te duiden als “[Naam slachtoffer feit2]”, 2 meter groot en beresterk, onderweg is naar Brunssum om de zaak even recht te zetten richting verdachte.

Verbalisant wijst [Naam vader slachtoffer feit2] dan op de mogelijke gevolgen van een confrontatie tussen [Naam slachtoffer feit2] en verdachte: een mogelijke strafrechtelijke vervolging van [Naam slachtoffer feit2] en de mogelijkheid dat [Naam slachtoffer feit2] zelf lichamelijk leed aan de confrontatie met verdachte zou overhouden.

[Naam vader slachtoffer feit2] neemt vervolgens telefonisch contact op met [Naam slachtoffer feit2], tijdens welk telefoongesprek [Naam vader slachtoffer feit2] zijn zoon [Naam slachtoffer feit2] weet over te halen niet naar Brunssum te gaan.10

Conform de verklaring van [Naam vriendin slachtoffer feit2] vindt op 9 juli 2008 vanaf 11:30 uur herhaald telefoon- en sms-verkeer plaats tussen haar en haar vriend [Naam slachtoffer feit2]. [Naam slachtoffer feit2] deelt [Naam vriendin slachtoffer feit2] mee dat verdachte zijn zus [Naam ex-vriendin verdachte] in elkaar heeft geslagen en stuurt onder andere een sms waarin hij aangeeft: “Als ik hem (de rechtbank begrijpt: verdachte) tegen kom heeft hij pech”.

Rond het middaguur belt [Naam slachtoffer feit2] met [Naam vriendin slachtoffer feit2]. Tijdens dat telefoongesprek ontstaat er een ruzie tussen [Naam vriendin slachtoffer feit2] en [Naam slachtoffer feit2], omdat [Naam vriendin slachtoffer feit2] wil dat [Naam slachtoffer feit2] zich niet met het gebeurde tussen [Naam ex-vriendin verdachte] en verdachte bemoeit en [Naam slachtoffer feit2] op zijn beurt [Naam vriendin slachtoffer feit2] verwijt dat zij partij kiest voor verdachte. Ook nadien – voor het laatst om 17:15 uur – hebben [Naam vriendin slachtoffer feit2] en [Naam slachtoffer feit2] nog herhaald contact over het voorval tussen [Naam ex-vriendin verdachte] en verdachte eerder die ochtend.11

Conform de verklaring van [Naam broer van slachtoffer feit2] van slachtoffer feit2], nader te noemen “[Naam broer van slachtoffer feit2]”, belt [Naam slachtoffer feit2] hem die woensdag 9 juli 2008 in de middag op zijn werk. Van [Naam slachtoffer feit2] verneemt [Naam broer van slachtoffer feit2] dan dat zijn zus [Naam ex-vriendin verdachte] die ochtend is geslagen door verdachte. De beide broers spreken af ’s avonds bij verdachte langs te gaan om verhaal te halen.12

Omstreeks 18:30 uur probeert [Naam vader slachtoffer feit2] zijn dochter [Naam ex-vriendin verdachte] tevergeefs telefonisch te bereiken. Omdat hij zich zorgen maakt belt [Naam vader slachtoffer feit2] vervolgens met [Naam slachtoffer feit2], die op dat moment buiten bij zijn woning staat te praten met [Naam getuige P.] en [Naam slachtoffer feit1]. [Naam vader slachtoffer feit2] verzoekt [Naam slachtoffer feit2] een kijkje te gaan nemen op het thuisadres van [Naam ex-vriendin verdachte] aan de [Adresgegevens verdachte].13

[Naam slachtoffer feit2] gaat vervolgens met [Naam getuige P.] en [Naam slachtoffer feit1] naar de woning van [Naam broer van slachtoffer feit2] aan de [Naam straat] in Brunssum. Daar aangekomen blijkt ook [Naam ex-vriendin verdachte] met haar dochtertje in de woning aanwezig te zijn. [Naam slachtoffer feit2] belt om 18:45 uur naar [Naam vader slachtoffer feit2] met de mededeling dat hij bij [Naam broer van slachtoffer feit2] is en dat [Naam ex-vriendin verdachte] en haar dochtertje daar ook zijn.

In de garage van de woning van [Naam broer van slachtoffer feit2] treft [Naam ex-vriendin verdachte] vervolgens [Naam getuige P.], [Naam slachtoffer feit1], [Naam slachtoffer feit2] en [Naam broer van slachtoffer feit2] aan. Zij krijgt naar eigen zeggen een voorgevoel dat de mannen naar verdachte willen gaan om verhaal te halen. Zij maant hen voorzichtig te doen.14 15 16

Vervolgens stappen [Naam slachtoffer feit2], [Naam broer van slachtoffer feit2], [Naam getuige P.] en [Naam slachtoffer feit1] in de zwarte Jeep van [Naam getuige P.]. In de auto bevindt zich tevens de hond van [Naam slachtoffer feit1], zijnde een zwarte Stafford. Verder bevinden zich in de auto twee breekijzers.17 Zowel [Naam slachtoffer feit2] als [Naam broer van slachtoffer feit2] hebben een busje pepperspray op zak. 18 19

Kort na hun vertrek uit de woning van [Naam broer van slachtoffer feit2] belt [Naam slachtoffer feit2] naar [Naam ex-vriendin verdachte] met de vraag of zij weet of verdachte op dat moment thuis in de [Naam] is. [Naam ex-vriendin verdachte] antwoordt ontkennend.

[Naam slachtoffer feit2] vraagt dan aan [Naam ex-vriendin verdachte] in welke auto verdachte rijdt. [Naam ex-vriendin verdachte] deelt [Naam slachtoffer feit2] mede dat dit een donker blauwe Opel Astra betreft. [Naam slachtoffer feit2] zegt dan tegen [Naam ex-vriendin verdachte] dat verdachte thuis moet zijn, omdat zijn auto daar (bij de [Naam]) staat.20

5.3.2 Gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten

Door verschillende getuigen zijn verklaringen afgelegd met betrekking tot het arriveren van [Naam slachtoffer feit2], [Naam broer van slachtoffer feit2], [Naam getuige P.] en [Naam slachtoffer feit1] bij de [Naam] en de gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten.

Getuige [Naam getuige S.] verklaart op 17 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “Ik zat in het bushokje dat ligt voor de plaats waar een en ander gebeurde. Ik zag een Jeep de [Straatnaam] inrijden en de oprit op van dat pand waar ik toen voor zat. Die Jeep werd daar geparkeerd, voor dat pand ter hoogte van dat bushokje waar ik zat.”21

Getuige [Naam getuige R.] verklaart op 18 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “Op woensdag 9 juli 2008 omstreeks 19:00 uur reden mijn partner [Naam partner getuige R.] en ik weg vanuit de parkeergarage, gelegen onder het appartementencomplex aan de [Straatnaam] te Brunssum. Toen wij aangekomen waren ter hoogte van de [Straatnaam] zag ik aan de overzijde op het trottoir vier al oudere jongeren lopen, komende uit de richting van de [Straatnaam]. Zij liepen langs de gevel van de voormalige [Naam]. Zij waren al vlak voor de groene poort van de woning. Ik zag dat die jongens rusteloos en opgejaagd bij die groene poort van [Naam] stonden. Ik zag dat een van hen tussen de spleten van de poort trachtte te kijken. Ik zag dat een van hen binnen probeerde te kijken door een raam. Verder zag ik dat een van hen aanbelde bij de poort. Ze waren onrustig en gejaagd.”22

De getuige [Naam partner getuige R.] verklaart op 10 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “Vandaag 9 juli 2008 omstreeks 19:00 uur reed ik samen met mijn partner [Naam getuige R.] met de auto de parkeergarage uit, gelegen onder de appartementen. De uitrit van de parkeergarage komt uit op de [Straatnaam]. Ik reed direct naar links en kom dan uit op de kruising van de [Straatnaam] met de [Straatnaam]. We stonden ongeveer 10 à 15 seconden stil. We hadden op dat moment uitzicht op het gebouw gelegen aan de [Straatnaam], de voormalige [Naam]. Ik zag drie of vier jongens die naar de poort van dat gebouw liepen. Ze gedroegen zich erg rusteloos. Ik zag dat een jongen aan de bel trok en ik zag een andere jongen door de poort kijken. Ik zag een andere jongen door een raam van het gebouw kijken.”23

Getuige [Naam getuige DJ.] verklaart op 11 juli 2008 en 15 augustus 2008 – zakelijk weergegeven – : “Woensdag 9 juli 2008 omstreeks 19:00 uur ben ik van thuis uit vertrokken om de hond uit te laten. Ik stond op enig moment op de [Straatnaam] en wilde de rijbaan oversteken in de richting van de [Straatnaam]. Ik zag vier mannelijke personen over het trottoir van de [Straatnaam] komen aanlopen en ik zag die vier personen de oprit van de [Naam] oplopen. Ik hoorde dat die vier personen luidruchtig waren en zag dat ze met versnelde pas liepen. Verder was er een zwarte hond bij deze personen, die niet aangelijnd was. Toen ik de [Straatnaam] half was overgestoken waren die personen al halverwege de oprit van de [Naam]”.

“Op het moment dat ik de [Straatnaam] geheel was overgestoken keek ik weer in de richting van de vier personen. Ik zag dat alle personen op de oprit voor de poort van glas stonden. Toen de personen op de oprit voor de poort van glas stonden zag ik dat een van die personen een stuk ijzer in zijn hand had”.24

“Het was een stuk ijzer met een lengte van ongeveer 50 of 60 centimeter. Het stuk ijzer was aan de bovenzijde gebogen. De persoon die dat stuk ijzer in zijn hand hield was naar ik meen kaal en vrij lang, zeker 1.90 meter”. 25

“Deze man met het kale hoofd was de grootste van de vier personen.”26

“Hij had de staaf ijzer vast zoals de staf van Sint Nicolaas. Deze man stond daar stil. Ik heb een van de vier personen naar binnen zien lopen via een toegangsdeur aan de zijkant van de [Naam]. Ik meen mij te herinneren dat de grote kale man toen nog buiten op de oprit stond.”27

[Naam broer van slachtoffer feit2] verklaart op 9 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “Bij de boerderij is [Naam slachtoffer feit1] met de Jeep het erf opgereden. Daar zijn we met zijn vieren uitgestapt en naar achteren gelopen. Daar is een toegangsdeur. Ik heb daar op de deur geklopt maar er werd in eerste instantie niet open gedaan. Hierna liepen we naar de voordeur. Ik belde aan en heb op het raam geklopt. Ook toen werd niet open gedaan. Ik liep toen alleen weer naar de achterkant waar we de Jeep hadden neergezet. Op dat moment kwam [Naam verdachte] naar buiten gelopen”.28

[Naam getuige P.] verklaart op 10 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “[Naam slachtoffer feit1] parkeerde de auto op de oprit voor de woning van de zus van [Naam slachtoffer feit2]. Vervolgens stapten we uit. Dat was omstreeks 18:50 uur. De hond van [Naam slachtoffer feit1] liep mee de auto uit. Hij was niet aangelijnd, dus hij liep los met ons mee. Vervolgens staan we voor de woning en alle vier keken we door de ramen. We zagen niets binnen. We liepen toen langs de woning aan de zijde van de straat. [Naam broer van slachtoffer feit2] probeerde aan te bellen, maar er kwam geen geluid uit. [Naam broer van slachtoffer feit2] liep inmiddels weer naar de voorzijde van de woning, terwijl [Naam slachtoffer feit1], [Naam slachtoffer feit2], ik en de hond bleven staan. Op het moment dat hij daar arriveerde riep hij naar [Naam slachtoffer feit2]. [Naam slachtoffer feit2] rende vervolgens die kant op, [Naam slachtoffer feit1] rende daar achteraan en ik en de hond weer daar achter aan. De hond liep even de straat op en ik riep hem terug. Toen ik om de hoek kwam bij die woning, zag ik een persoon uit die woning naar buiten lopen. Ik zie vervolgens dat die persoon zich omdraait en weer terug de woning inloopt.”29

5.3.3 Relevante verklaringen van verdachte en getuigen en de bevindingen van de politie over de doodslag op [Naam slachtoffer feit2] – feit 2

Tijdens zijn verhoor op 9 juli 2008 verklaarde verdachte – zakelijk weergegeven – : “Ik zag door het raam iemand en dacht dat het [Naam] was die hout kwam brengen. Ik heb de deur van het atelier geopend. Die persoon draaide zich om. Het was [Naam broer van slachtoffer feit2]. Die vroeg mij tot twee keer toe wat ik met [Naam ex-vriendin verdachte] had gedaan. Ik zei dat hem dat niets aanging en draaide mij om. Ik kan mij niet herinneren of ik geprobeerd heb de deur weer af te sluiten. [Naam broer van slachtoffer feit2] riep naar anderen. Ik liep het atelier in richting de werkbank toen er plotseling iets in mijn gezicht werd gespoten. Hierdoor kon ik steeds minder zien. Ik liep richting de werkbank en pakte het mes dat ik zojuist daar had neergelegd. Ik draaide mij om en zag dat [Naam slachtoffer feit2] en twee anderen ook in het atelier waren. Er was een zwarte hond en [Naam slachtoffer feit2] hield iets boven zijn hoofd. Ik denk een breekijzer. [Naam slachtoffer feit2] stond minder dan een meter voor mij. Ik heb met het mes zwaaiende bewegingen gemaakt en ik denk dat ik geroepen heb dat ze weg moesten gaan. Drie gingen er ook achteruit maar de langste, ik denk [Naam slachtoffer feit2], liep door. Ik zag niets meer en had mijn ogen dicht”.30

Op 10 juli 2008 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : “Ik zag dat [Naam slachtoffer feit2] een stuk ijzer in beide handen had. Hij hield deze boven het hoofd en dreigde mij daarmee te slaan. Hij was met die slag al onderweg.” 31

Op 12 juli 2008 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : “Toen ik door [Naam broer van slachtoffer feit2] werd aangesproken zag ik de anderen niet. Pas toen [Naam broer van slachtoffer feit2] hen riep zag ik drie personen komen aanrennen. Toen ben ik naar binnen gegaan. Ik stond toen bij de werktafel en zij stonden met z’n vieren om mij heen. Ik kon niet meer weg. Toen heb ik het mes gepakt.” 32

Op 13 juli 2008 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : “Ik heb [Naam broer van slachtoffer feit2] op de inrit gesproken en gevraagd, wat moet je. Hij wilde weten wat ik met zijn zusje had gedaan. En hij riep: “[Naam slachtoffer feit2], nu komen, nu komen”. Ik zag toen twee personen komen aanrennen en ik ben naar binnen gegaan. Zij zijn mij gevolgd. Ik heb het mes gepakt en zwaaiend met dat mes gezegd dat ze moesten opzouten. Ik weet hoe ze zijn. Dat deden ze niet, ik hoorde wel iets van “laat de hond los”. Toen werd ik geraakt door een spray. Ik denk dat [Naam broer van slachtoffer feit2] dat deed. Ik werd bang, ik wilde blijven leven. Ik bleef zwaaien met dat mes en zij stapten iets naar achteren. Toen zag ik opeens dat [Naam slachtoffer feit2] mij wilde slaan, hij maakte al een beweging in mijn richting van boven naar beneden. In een reflex ben ik uitgestapt naar rechtsvoor en heb toen waarschijnlijk [Naam slachtoffer feit2] geraakt.” 33

Op 14 juli 2008 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : “Ik zie aan de houding van die mannen dat ze opgefokt zijn. De manier van lopen, de trilling in de stem van [Naam broer van slachtoffer feit2] als hij [Naam slachtoffer feit2] roept, ze komen met z’n vieren als de galerie gesloten is, ik weet wat ze in het verleden zoal gedaan hebben. Dan weet je dat het mis is. De deur kreeg ik niet meer dicht. Die klemt en daardoor was er geen tijd meer om die te sluiten. Ik ben naar de plek gelopen die voor mij veilig voelde. Daar was ik altijd als er mensen kwamen. Ik heb er niet over nagedacht ergens anders heen te gaan. Toen zat ik in de val. Er stonden drie man en een hond tegenover mij. Ik heb toen geen wapens gezien. Maar er ging wel veel dreiging vanuit. De hond was een soort Pitbull. Binnen maakte [Naam slachtoffer feit2] met de koevoet een slaande beweging in mijn richting. Ik heb niet gevoeld dat ik hem geraakt heb.” 34

Tijdens de zitting op 8 januari 2009 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : ”…. Meteen hierna zag ik dat [Naam slachtoffer feit2], [Naam slachtoffer feit1] en nog een andere jongen om de hoek komen aanrennen. Toen ik nog op de oprit stond zag ik dat [Naam slachtoffer feit2] zijn T-shirt optilde en van daaronder een breekijzer pakte. Op dat moment dacht ik: “Dat gaat niet goed”. Daarom rende ik meteen weer naar binnen. Mijn gedachte was om de deur meteen achter mij af te sluiten. Ik bleek daar echter geen tijd meer voor te hebben. Bij de deuropening kwam [Naam slachtoffer feit2] al achter mij aangestormd. Tegelijkertijd sloeg hij mij op de rug. Ik liet de deur los en ik rende verder naar binnen. Feitelijk werd ik naar binnen geramd. Ik moest de deur wel loslaten want een van de twee, [Naam slachtoffer feit2] of [Naam broer van slachtoffer feit2], trok deze uit mijn hand. Degene die dat deed raakte mij tegen mijn pols. Achteraf bleek ik kneuzingen aan mijn pols en krassen op mijn rug te hebben. Binnen begon [Naam broer van slachtoffer feit2] mij te meppen. Hij deed dat met zwaaiende bewegingen. Op dat moment bevond ik mij halverwege de deur en de witte tafel. Toen [Naam broer van slachtoffer feit2] daarmee bezig was zag ik dat links en rechts van hem nog een persoon erbij kwam. Een van hen was [Naam slachtoffer feit2]. Ik zag toen dat er ook nog een zwarte hond bij was. Deze hond leek op een Pitbull.

Ik hoorde toen dat er gezegd werd: “Zet de hond op hem af”. Toen ik naar de hond keek werd ik bespoten. Ik weet nu dat het pepperspray betrof. Nadat gespoten was zag ik dat [Naam slachtoffer feit2] een stap terug deed. Ik zag ook dat hij toen een spraybusje in zijn broekzak stopte. Ik draaide mij weer om en ik pakte het mes van de tafel. Toen ik dat deed hoorde ik dat mijn belagers lachten en domme geluiden maakten. Ik was deels verblind en in paniek. Op dat moment zag ik het breekijzer op mij afkomen. Ik had het mes toen in mijn linker hand. Ik deed een stap naar voren. Tegelijkertijd stapte [Naam slachtoffer feit2] op mij af. Blijkbaar heb ik [Naam slachtoffer feit2] met één beweging met het mes in de borst geraakt. Het was niet mijn bedoeling hem te raken.” 35

[Naam broer van slachtoffer feit2] verklaart op 10 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “Toen ik [Naam verdachte] zag heb ik [Naam slachtoffer feit2] geroepen. [Naam slachtoffer feit2] en [Naam slachtoffer feit1] kwamen aangerend en ze renden direct achter [Naam verdachte] aan naar binnen. Volgens mij had een van die twee iets in zijn handen. Ik kan mij herinneren dat een van die twee met iets uithaalde naar [Naam verdachte]. Ik gok dat het [Naam slachtoffer feit2] was. Volgens mij werd [Naam verdachte] niet geraakt. [Naam verdachte] pakte toen iets van tafel. Ik was toen ook binnen. [Naam getuige P.] stond achter mij en was nog buiten. [Naam slachtoffer feit2] riep: “Au, ik ben gestoken”. Ik zag dat [Naam verdachte] stak richting [Naam slachtoffer feit2].” 36

Op diezelfde dag verklaart [Naam broer van slachtoffer feit2] tevens – zakelijk weergegeven – : “Ik zag dat [Naam slachtoffer feit2] een slaande beweging maakte in de richting van [Naam verdachte]. Hij sloeg van boven naar beneden naar [Naam verdachte].” 37

Op 12 juli 2008 verklaart [Naam broer van slachtoffer feit2] – zakelijk weergegeven – : “Dan zie ik [Naam verdachte] buiten staan. Ik spreek hem aan en hij antwoordt. Dan zie ik dat ik alleen ben en roep [Naam slachtoffer feit2]. Op dat moment had [Naam verdachte] niets in zijn handen. De anderen kwamen aanrennen. [Naam verdachte] rende naar binnen en de anderen renden langs mij en volgden [Naam verdachte] naar binnen. [Naam slachtoffer feit2] voorop en daarna [Naam slachtoffer feit1]. Ik denk dat [Naam verdachte] naar binnen rende omdat hij bang was voor [Naam slachtoffer feit2] en [Naam slachtoffer feit1]. [Naam verdachte] loopt ongeveer twee meter het atelier binnen en draait zich om. Ze stonden toen met z’n drieën tegenover elkaar. Afstand ongeveer ½ meter. Ik sta nog buiten. Als [Naam verdachte] zich omdraait heeft [Naam slachtoffer feit2] zijn handen omhoog. Ik zie niet of hij wat in zijn handen heeft. Ik veronderstel dat hij [Naam verdachte] wil slaan. [Naam verdachte] maakt een steekbeweging naar [Naam slachtoffer feit2]. Die slaande en die stekende beweging worden min of meer op het zelfde moment uitgevoerd.

Op dat moment loop ik ook het atelier binnen. Ik hoor [Naam slachtoffer feit2] roepen: “Auw, ik ben geraakt.” Wat [Naam verdachte] in zijn handen had kon ik niet zien. Ik denk dat hij stak omdat hij zich bedreigd voelde.” 38

Op 15 juli 2008 verklaart [Naam getuige P.] – zakelijk weergegeven – : “[Naam verdachte] draaide zich om en wilde naar binnen lopen. Toen [Naam slachtoffer feit2] vlakbij [Naam verdachte] was versnelde hij plotseling en viel [Naam verdachte] aan. Hij botste tegen de zijkant van [Naam verdachte] aan. Ze vlogen samen door de deuropening naar binnen. [Naam slachtoffer feit1] rende samen met [Naam broer van slachtoffer feit2] naar binnen. Toen ik aankwam bij de deur kwam [Naam slachtoffer feit2] alweer naar buiten.” 39

Op 9 juli 2008 verklaart [Naam getuige P.] – zakelijk weergegeven – : “Wij waren met ons vieren. Wij hadden een koevoet bij ons en ook pepperspray.” 40

Buiten het atelier bevindt zich de hiervoor al genoemde getuige [Naam getuige DJ.]. Op 11 juli 2008 verklaart deze – zakelijk weergegeven – : “Ik zag een persoon in elkaar zakken. Volgens mij was het die lange man met het stuk ijzer in zijn hand.”41

Op 10 juli 2008 verklaart [Naam broer van slachtoffer feit2] naar aanleiding van de vraag waar hij na het steken de koevoet heeft gezien: “Volgens mij lag die onder [Naam slachtoffer feit2], voor de helft.” 42

Op 12 juli 2008 zegt deze getuige: “Ik heb een koevoet onder een arm van [Naam slachtoffer feit2] of van [Naam slachtoffer feit1] weggehaald en ergens anders neergelegd.”43

Op 17 juli 2008 zegt deze getuige: “Ik heb dat breekijzer onder de rechterarm van [Naam slachtoffer feit2] weggehaald. Dat breekijzer lag daar al voordat [Naam slachtoffer feit1] naar buiten is gekomen.” 44

Tijdens de op 7 januari 2009 gehouden schouw heeft de rechtbank waargenomen dat de beide aan de expositieruimte belendende vertrekken met elkaar in verbinding staan en dat elk van deze vertrekken is voorzien van een enkele buitendeur. Zij heeft daarbij tevens waargenomen dat de zijdeur links naast de dubbele toegangsdeur van de expositieruimte leidt naar een gang, die voorzien is van een enkele buitendeur. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat het pand via de aan die gang grenzende ruimten niet op een andere manier verlaten kan worden. Een van de ter plaatse aanwezige rechercheurs heeft ten overstaan van de rechtbank verklaard dat alle enkele buitendeuren bij de aanvang van het opsporingsonderzoek gesloten bleken te zijn.45

5.3.4 De waardering van de rechtbank van het beroep op noodweer en noodweerexces – feit 2

Met betrekking tot de toedracht stelt de rechtbank vast dat verdachte, die ’s ochtends in een conflict was geraakt met de zus van het latere slachtoffer [Naam slachtoffer feit2] en getuige [Naam broer van slachtoffer feit2], zich voor zijn atelier plotseling geconfronteerd zag met vier personen die bij hem verhaal kwamen halen vanwege dit conflict. Verdachte rende naar binnen en werd direct gevolgd door [Naam slachtoffer feit2], [Naam slachtoffer feit1] en [Naam broer van slachtoffer feit2]. Tevens was een hond aanwezig met de uiterlijke kenmerken van een vechthond.

De rechtbank neemt niet aan dat verdachte reeds bij de deur of direct na binnenkomst is geslagen door [Naam slachtoffer feit2] met een breekijzer. Immers, in eerste instantie heeft alleen getuige [Naam getuige P.] verklaard dat [Naam slachtoffer feit2] bij de deuropening tegen verdachte is opgelopen. Verdachte zelf heeft vele verklaringen lang hierover niets verklaard, terwijl hij toch altijd blijk heeft gegeven zich dit gedeelte van het voorval goed te kunnen herinneren.

Evenmin gelooft de rechtbank dat verdachte op dit moment al met pepperspray, of een andere bijtende vloeistof, in zijn gezicht werd gespoten. Dat strookt niet met de verklaringen van [Naam broer van slachtoffer feit2] en met meerdere verklaringen van verdachte zelf.

Wel neemt de rechtbank aan dat verdachte naar een tafel in zijn atelier is gelopen en daar een mes heeft gepakt. Toen hij zich omdraaide stond hij tegenover drie mannen en een hond. Hij kon nergens heen. Ook neemt de rechtbank aan dat [Naam slachtoffer feit2] toen op verdachte is afgestapt met in zijn opgeheven hand een breekijzer en dat hij daarmee toen een slaande beweging heeft gemaakt naar verdachte. Verdachte heeft toen ter verdediging met het mes een stekende beweging gemaakt naar [Naam slachtoffer feit2] en deze daarbij in de hartstreek geraakt.

De rechtbank acht aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer. Verdachte zag tegenover zich een zeker 1,90 meter lange man met in zijn opgeheven hand een breekijzer waarmee hij een beweging maakte en die werd vergezeld door twee andere personen en een hond met de uiterlijke kenmerken van een vechthond. Verdachte kon toen naar de mening van de rechtbank zeer wel denken dat hij zich op dat moment in zeer ernstig gevaar, wellicht zelfs levensgevaar, bevond. Verdachte stond in een ruimte waarin hij feitelijk geen kant meer op kon. De enige bruikbare uitgang bevond zich achter het latere slachtoffer. Voor verdachte bleef toen geen andere optie meer open dan zich te verdedigen.

De rechtbank heeft nog onder ogen gezien of in de gegeven noodweersituatie het steken met het mes in de hartstreek wellicht niet beantwoordt aan de eisen van subsidiariteit. Met andere woorden, of verdachte wellicht een minder vergaande actie had moeten plegen met het mes zoals zich beperken tot dreigen of steken in een minder vitaal lichaamsdeel. Gegeven het feit dat een slag met een breekijzer op het hoofd onder de gegeven omstandigheden zonder meer in potentie dodelijk is en de slag met dat breekijzer al onderweg was, beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend. Het beroep op noodweer slaagt derhalve.

5.3.5 De strafbaarheid van feit en dader – feit 2

Nu het beroep op noodweer slaagt acht de rechtbank het feit onder 2 niet strafbaar. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van rechtsvervolging ten aanzien van dit feit.

Nu het feit niet strafbaar is komt de rechtbank aan een kwalificatie niet toe.

5.3.6 Relevante verklaringen van verdachte en getuigen en de bevindingen van de politie over de doodslag op [Naam slachtoffer feit1] – feit 1

Tijdens zijn verhoren op 9, 10 en 12 juli 2008 verklaart verdachte niets met betrekking tot het latere slachtoffer [Naam slachtoffer feit1].

Op 13 juli 2008 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : “Toen zag ik opeens dat [Naam slachtoffer feit2] mij wilde slaan, hij maakte al een beweging in mijn richting van boven naar beneden. In een reflex ben ik uitgestapt naar rechtsvoor en heb toen waarschijnlijk [Naam slachtoffer feit2] geraakt met het mes. Daarbij liep ik in de armen van [Naam broer van slachtoffer feit2]. Die heeft toen uitvoerig gespoten in mijn gezicht. Toen zag ik nog maar heel weinig. Ik stapte terug en was in paniek.

Van de tweede persoon kan ik mij echt helemaal niets herinneren. Ik weet niet of hij mij bedreigd heeft. Ik was doodsbang en ben naar achteren gegaan. Toen zag ik dat de weg vrij was en ben ik naar buiten gelopen.” 46

Op 14 juli 2008 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : “Van nummer twee weet ik helemaal niets. Ik heb eerst een zwaaibeweging gemaakt en daarna een steekbeweging maar op dat moment was er genoeg afstand tussen ons. Ik wilde niemand raken, ik wilde hen gewoon weg krijgen. Ik had last van de pepperspray en keek in feite door een heel klein spleetje van mijn ogen.” 47

Tijdens de schouw op 7 januari 2009 geeft verdachte een uitvoerige verklaring met betrekking tot het gebeuren met [Naam slachtoffer feit1]. Die verklaring is grotendeels gelijk aan de verklaring die hij aflegt op 8 januari 2009 ter zitting. Hij verklaart echter ook – zakelijk weergegeven – : “ ….. Ik ben linkshandig. Ik gebruikte daarom steeds mijn linkerhand. Ik stak [Naam slachtoffer feit1] van onderen naar boven. Ik stak dus niet met de stompe kant naar boven. Ik stak onderhands op hem in. …..” 48

Tijdens de zitting op 8 januari 2009 verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – : ”…. Blijkbaar heb ik [Naam slachtoffer feit2] met één beweging met het mes in de borst geraakt. Ik zag toen [Naam broer van slachtoffer feit2] voor mij staan. Vrijwel tegelijkertijd voelde ik dat er een tweede keer met de spray in mijn gezicht gespoten werd. Ik heb toen niet gezien wie dat deed. Hierdoor zag ik vrijwel niets meer. Ik deed wel mijn best toch nog zoveel mogelijk te kunnen blijven zien. Dat deed erg veel pijn maar ik deed dat toch omdat ik belaagd werd door vier personen en een hond.

Nadat ik gestoken had was ik verstijfd van schrik. Ik had het mes nog in mijn linkerhand. Ik zag op dat moment dat [Naam broer van slachtoffer feit2] en [Naam slachtoffer feit2] naar achteren gingen. [Naam slachtoffer feit2] stond toen nog vóór [Naam broer van slachtoffer feit2]. Ik hoorde [Naam broer van slachtoffer feit2] toen roepen: “Pak dat mes, pak dat mes daar”.

Ik dacht dat [Naam broer van slachtoffer feit2] daarmee het mes bedoelde dat op de pottenbakkerschijf lag. Het was een niet erg scherp mes. Het mes was in elk geval niet zo vlijmscherp als de andere messen. Na het roepen van [Naam broer van slachtoffer feit2] zag ik dat [Naam slachtoffer feit1] het mes van de pottenbakkersschijf pakte. Hierna ging [Naam slachtoffer feit1] achter [Naam slachtoffer feit2] staan. Zij stonden op dat moment vlak bij de toegangsdeur. Zij stonden alle drie bij deze deur. Ik meen mij te herinneren dat [Naam broer van slachtoffer feit2] het breekijzer van [Naam slachtoffer feit2] pakte en het aan [Naam slachtoffer feit1] gaf. Nadat het breekijzer in [Naam slachtoffer feit1] zijn handen was ging [Naam broer van slachtoffer feit2] met [Naam slachtoffer feit2] naar buiten. Ik kon niet precies zien wat er gebeurde omdat ik pijn aan mijn ogen had en bovendien van binnen naar buiten in het licht keek. Op het moment dat ik ook naar buiten wilde gaan, hoorde ik iemand zeggen: “Ik maak je kapot”. Tegelijkertijd kwam iemand op mij afgerend. Ik had het mes nog in mijn hand en dacht, wat doet hij nu, hierdoor rent hij toch op het mes in. Alles ging ontzettend snel. Ik zag alles in een reeks korte flitsen. Het was in die korte tijd dat ik hem hoorde zeggen: “Ik maak je kapot”. Ik zag in zijn andere hand een mes. Ik zag ook dat mijn mes over zijn hand gleed en in zijn borst terecht kwam. Dit gebeurde in één beweging. Hierbij ging het mes omhoog. Ik denk dat ik dat deed. Ik sluit echter niet uit dat dit is veroorzaakt door afketsen op de hand van [Naam slachtoffer feit1]. Ik dacht dat [Naam slachtoffer feit1] vóór mij op de grond neerviel. In ieder geval hoorde ik zijn mes voor mij op de grond vallen. Ik heb dat mes op de vloer zien liggen. Ik denk dat ik op dat mes heb getrapt of daartegen gestoten heb. Ik heb het opgeraapt. Ik kreeg steeds meer last van mijn ogen. Ik wilde naar buiten, maar het geluid van stemmen weerhield mij daarvan. Ik liep dan maar naar de witte tafel. Ik had toen de beide messen nog in mijn handen. Ik legde het mes waarmee ik gestoken had op die tafel. Het andere mes niet. Ik wilde naar het aanrecht gaan om daar mijn ogen uit te wassen. Dat lukte niet. Intussen merkte ik dat het buiten wat rustiger werd. Daarom besloot ik toch maar naar buiten te gaan. Bij het naar buiten gaan had ik het mes van [Naam slachtoffer feit1] nog steeds in een van mijn handen. Ik weet niet waarom dat zo was. Toen ik bij de bushalte aankwam had ik dat mes nog steeds in mijn hand. Ik heb daar tegen iemand in het kort gezegd wat er gebeurd was. Intussen zag ik iemand met lange blonde haren. Eigenlijk zag ik alleen die haren. Ik hoorde dat deze persoon zei: “Hij deed het, hij heeft het mes nog in zijn handen”. Ik kan mij niet herinneren gevraagd te hebben 112 te bellen. Als ik dat gedaan heb, dan moet dat op de stoep van de [Straatnaam] gebeurd zijn. Nadat de blonde persoon had geroepen dat ik het gedaan had rende ik door naar de woning van [T.B.]. Ik kan mij niet herinneren teruggerend te zijn. Ik weet dat ik onderweg een schopbeweging naar [Naam broer van slachtoffer feit2] heb gemaakt. Ik weet zeker dat ik die schopbeweging niet naar [Naam slachtoffer feit2] heb gemaakt.” 49

[Naam broer van slachtoffer feit2] verklaart op 9 juli 2008 – zakelijk weergegeven – dat hij gezien heeft hoe verdachte eerst [Naam slachtoffer feit2] steekt en daarna [Naam slachtoffer feit1].

Op 10 juli 2008 verklaart deze getuige dat hij met zijn [Naam broer van slachtoffer feit2] mee naar buiten is gelopen en niet heeft gezien wat er daarna binnen is gebeurd. Dat bevestigt hij tijdens verhoren op 12 juli 2008 en 15 juli 2008.

Op 17 juli 2008 wordt deze getuige er mee geconfronteerd dat hij eerder heeft verklaard gezien te hebben dat verdachte [Naam slachtoffer feit1] stak.

De getuige verklaart dan – zakelijk weergegeven - : ”Ik heb het niet duidelijk gezien. Ik heb gezien, nadat [Naam slachtoffer feit2] werd gestoken, dat [Naam verdachte] een stekende beweging maakte in de richting van [Naam slachtoffer feit1]. Ik weet het niet meer, alles ging ook zo snel. Ik heb [Naam verdachte] een stekende beweging zien maken in de richting van [Naam slachtoffer feit2] en daarna in de richting van [Naam slachtoffer feit1]. Ik kom nu tot de conclusie dat ik het breekijzer onder de rechterarm van [Naam slachtoffer feit2] heb weggehaald.” 50

[Naam broer van slachtoffer feit2] verklaart op 9 juli 2008 – zakelijk weergegeven – : “Nadat ik [Naam verdachte] in het gezicht had gespoten en [Naam verdachte] vervolgens naar buiten rende, zag ik dat [Naam verdachte] een lang steekwapen in zijn rechterhand had. Het kan een mes zijn geweest of een bajonet.” 51

Op 9 juli 2008 verklaart [Naam getuige P.] – zakelijk weergegeven – : “Toen ik bij de ingang aankwam kwam [Naam slachtoffer feit2] alweer naar buiten met zijn handen aan de borst. [Naam broer van slachtoffer feit2] komt daar gelijk achteraan. Ik kijk de woning in en zie [Naam slachtoffer feit1] op de rug. Ik zie die man in het gezicht. Ik zie hem op [Naam slachtoffer feit1] afstappen en ik zie dat [Naam slachtoffer feit1] in het nauw gedreven wordt. [Naam slachtoffer feit1] liep dus achteruit in de richting van de ingang. Ik zag die man slaande bewegingen maken naar [Naam slachtoffer feit1]. Toen liep de man naar buiten en maakte nog een dreigende beweging naar [Naam slachtoffer feit2] en zijn [Naam broer van slachtoffer feit2]. Hij had een mes in zijn hand, circa veertig tot vijftig centimeter lang. Ik dacht een soort keukenmes.” 52

Op 10 juli 2008 verklaart [Naam getuige P.] – zakelijk weergegeven – : “Tussen die man en [Naam slachtoffer feit1] enerzijds en mij anderzijds was ongeveer 1 tot 1½ meter. Ik keek door een ruit, ik weet niet of die deel uitmaakte van de voordeur. Ik zag [Naam slachtoffer feit1] achteruit lopen in de richting van die ruit. Toen de man naar buiten kwam heb ik niet meer op [Naam slachtoffer feit1] gelet. Ik had niet verwacht dat hem iets was overkomen.” 53

Op 15 juli 2008 verklaart [Naam getuige P.] bij de RC – zakelijk weergegeven – : “Ik ben niet binnen geweest. Ik zag [Naam slachtoffer feit1] door het raam op 1½ meter van mij af. [Naam verdachte] liep naar [Naam slachtoffer feit1] toe en [Naam slachtoffer feit1] liep naar achteren. [Naam verdachte] maakte een beweging naar [Naam slachtoffer feit1], stapte terug en liep naar buiten met een mes in de hand.” 54

Op 8 januari 2009 verklaart [Naam getuige P.] ter terechtzitting als getuige – zakelijk weergegeven – :

“Ik stond buiten voor een raam van de expositieruimte en had zicht op die ruimte. Ik zag dat [Naam slachtoffer feit2] zijn handen tegen zijn borst hield. Ik zag ook bloed. Hij liep daarbij iets voorover gebogen. Op dat moment zag ik dat [Naam slachtoffer feit1] door [Naam verdachte] benaderd werd. Ik zag dat [Naam verdachte] op [Naam slachtoffer feit1] afstapte. Tegelijkertijd liep [Naam slachtoffer feit1] achteruit in de richting van de buitendeur. [Naam verdachte] had een mes in zijn hand. Of [Naam slachtoffer feit1] iets in zijn handen had heb ik niet gezien. Ik heb dat in ieder geval zo beleefd. Ik heb zijn handen niet voortdurend kunnen zien.

[Naam slachtoffer feit1] liep achteruit in de richting van het raam waar ik doorheen keek. Ik zag [Naam verdachte] toen even niet. Toen ik hem weer zag maakte hij een stap naar voren.” 55

Op 9 juli 2008 wordt [Naam getuige V.] gehoord als getuige. Vanuit zijn appartement heeft hij zicht op [Naam] alsmede op de [Straatnaam]. Zijn vrouw roept hem op het balkon. Hij verklaart – zakelijk weergegeven – : ”Ik zag twee personen op de grond liggen, voor de ingang van de kunstgalerie. Vervolgens zag ik dat de bewoner van de [Naam], [Naam verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: [Naam verdachte]), wegrende over het voor de [Naam] gelegen grasveld naar de bushalte op de [Straatnaam]. Vervolgens draaide [Naam verdachte] zich weer om en rende in de richting van de twee personen die op de grond lagen. Ik heb niet gezien, althans mij is niet opgevallen, dat [Naam verdachte] iets in zijn handen had. Ik heb wel gezien dat hij zich paniekerig gedroeg. [Naam verdachte] bleef een meter of vijf voor de op de grond liggende personen staan. Vervolgens zag ik dat [Naam verdachte] direct hierna weer richting de bushalte aan de [Straatnaam] rende, over de afrastering sprong en de beide rijbanen van de [Straatnaam] over rende naar de daar gelegen drukkerij.” 56

Op 17 juli 2008 wordt de hiervoor al genoemde getuige [Naam getuige S.] gehoord. Zij verklaart – zakelijk weergegeven - : “Ik hoor opeens geschreeuw achter mij. Iemand ligt op de grond. Op een gegeven moment staat er een jonge man voor ons, bij het bushokje, met bebloede handen. Deze jongen was kalm in mijn beleving. Vroeg of wij een telefoon bij ons hadden. Ik begreep dat wij dan 112 moesten bellen. Toen ik weer keek zag ik dat hij bij een groot gebouw stond aan de overkant van de weg. Opeens stond er een andere man buiten die aan het luisteren was naar die jongeman met de bebloede handen. Verder heb ik in die tussentijd nog waargenomen dat er een tweede persoon naast die jongen op de grond is gaan liggen. Ik zag dat deze persoon aan het wankelen was. Hij kwam uit dat pand achter ons. In mijn beleving ging alles eigenlijk tegelijk.” 57

Op 9 juli 2008 wordt [Naam getuige B.] als getuige gehoord. [Naam getuige B.] bevindt zich ten tijde van het voorval in het gebouw dat gelegen is tegenover het hiervoor genoemde bushokje aan de overkant van de [Straatnaam]. Hij verklaart – zakelijk weergegeven –:” Ik zie door de dubbele toegangsdeur [Naam verdachte] op de grond liggen. Een zwarte “vechthond” komt op hem afrennen. [Naam verdachte] schreeuwde en was kromgetrokken en kermend van de pijn. Hij riep iets over zijn ogen. Hij wreef zich door zijn ogen en gezicht. Zijn ogen en gezicht waren rood. Hij zat vol met snot. Ik heb [Naam verdachte] opgepakt en ben achter naar de waterkraan gelopen. Ik heb [Naam verdachte] achter op de grond gelegd en ben met de gieter zijn gezicht gaan spoelen. [Naam verdachte] zei: “Ik ben door vier man overvallen”, “Ze wilden mij kapot maken”, “Ik zag niets meer”, “Ik weet niet meer of ik gestoken heb”, en toen ik vroeg “heb je een mes” zei [Naam verdachte], “Nee, het was een expositiestuk.” 58

Op 9 juli 2008 wordt met een speurhond een onderzoek ingesteld. Verbalisant Hartkamp relateert dat hij met speurhond “Noortje” heeft gezocht in de tuin van [Straatnaam] en de bossages links en rechts naast dit perceel. Dit is het perceel waar verdachte is aangehouden. Daarna is het grasveld bij de galerie afgezocht. Ten slotte wordt de rijbaan en de middenberm van de [Straatnaam] en daarbij behorende kolken van de [Straatnaam] tot het tankstation afgezocht. Er wordt niets gevonden.59

5.3.7 De waardering door de rechtbank van het beroep op noodweer en noodweerexces – feit 1

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte [Naam slachtoffer feit1] heeft neergestoken. De volgende vraag is of ook hier sprake is van noodweer.

In zijn verklaringen zoals afgelegd op 7 en 8 januari 2009 schetst verdachte ten opzichte van het latere slachtoffer [Naam slachtoffer feit1] een situatie waarin hij moest vrezen voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam. [Naam slachtoffer feit1] heeft een mes en een breekijzer in zijn handen en komt onder het uiten van dreigementen op verdachte af. Verdachte heeft als gevolg van pepperspray hevige pijn en ziet nauwelijks nog iets. Vervolgens loopt [Naam slachtoffer feit1] min of meer in het mes van verdachte dat verdachte omhoog houdt. Verdachte doet een beroep op noodweer danwel noodweerexces.

De vraag is echter of een en ander zich met betrekking tot [Naam slachtoffer feit1] heeft afgespeeld zoals verdachte de rechtbank wil doen geloven. De rechtbank is er van overtuigd dat zulks niet het geval is. Daarbij heeft zij gelet op het volgende:

* Gedurende een groot aantal verhoren weet verdachte niet wat er met [Naam slachtoffer feit1] is gebeurd. Pas nadat verdachte het dossier grondig heeft bestudeerd komen er “herinneringen” terug. Verdachte wijt deze amnesie aan de stress van dat moment waardoor deze gebeurtenissen tijdelijk zijn verdrongen. Hij wijst ook op het rapport van psychiater Matthaei, die deze mogelijkheid beaamt.

Voor de rechtbank is het echter vreemd dat verdachte vanaf het begin wel een goede herinnering heeft aan de handelingen van [Naam slachtoffer feit2] terwijl die handelingen minstens zo stressvol voor verdachte geweest moeten zijn. Ter zitting hierover bevraagd, heeft verdachte hiervoor geen verklaring kunnen geven.

Dit verschil in herinnering doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.

Ook is het de rechtbank opgevallen dat verdachte zijn verhaal nog tijdens de behandeling op 7, 8 en 9 januari 2009 is blijven aanpassen. Zo verklaart hij bijvoorbeeld op 7 januari 2009 dat hij [Naam slachtoffer feit1] met een beweging van onderen naar boven heeft gestoken. Dat strookt niet met de steekwond die van boven naar beneden loopt. Blijkbaar ziet verdachte dat ook want op 8 januari verklaart hij dat de steekbeweging afgeketst is op de hand van [Naam slachtoffer feit1], waardoor deze een neerwaartse richting kreeg. Dergelijke aanpassingen van de gebeurtenissen aan de inhoud van het dossier doen eveneens afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.

* Volgens verdachte heeft [Naam slachtoffer feit1] in de galerie een breekijzer in zijn handen gehad. Enkel buiten de galerie is een breekijzer aangetroffen, dus in de visie van verdachte moet [Naam slachtoffer feit1] dat mee naar buiten genomen hebben. Volgens [Naam broer van slachtoffer feit2] lag het breekijzer echter onder [Naam slachtoffer feit2] en lag het breekijzer daar al voordat [Naam slachtoffer feit1] naar buiten kwam.

Bovendien heeft getuige [Naam getuige DJ.] een persoon, die naar de overtuiging van de rechtbank [Naam slachtoffer feit2] moet zijn, met het breekijzer in de hand buiten in elkaar zien zakken. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat [Naam slachtoffer feit1] in de galerie een breekijzer in zijn handen had dan ook niet aannemelijk.

* Volgens verdachte heeft [Naam slachtoffer feit1] in de galerie ook een mes in zijn handen gehad. Daarmee zou hij verdachte hebben gedreigd te doden. Dat mes zou verdachte hebben opgeraapt en mee naar buiten hebben genomen, maar het scherpe mes, waarmee verdachte zojuist twee mannen heeft uitgeschakeld, zou hij in de galerie hebben laten liggen. Daarvan ziet de rechtbank de logica niet in, tenzij het wordt beschouwd als een verzinsel van verdachte om te verklaren waarom het mes niet in de galerie is gevonden. Uit het dossier blijkt immers niet dat dit mes, het zogenaamde oelemennekesmes, in de galerie is aangetroffen.

Verdachte heeft gewezen op bepaalde afdrukken in het bloed op de vloer van de galerie. Verdachte herkent hierin het betreffende mes.

Ter zitting zijn twee schoen- en bandsporendeskundigen gehoord die de conclusie van verdachte niet hebben kunnen bevestigen. De rechtbank merkt op in de aangewezen bloedvegen ook geen mes te zien.

Buiten de galerie is verdachte gezien door onder meer de getuigen [Naam getuige V.], [Naam getuige S.] en [Naam getuige B.]. [Naam getuige V.] ziet verdachte over het grasveld voor de [Naam] rennen. Hij neemt geen mes in de handen van verdachte waar, althans dat valt hem niet op. Getuige [Naam getuige S.], die zich in het bushokje bevindt, ziet de bebloede handen van verdachte maar spreekt niet over een mes. Het is aannemelijk dat haar een mes zou zijn opgevallen als verdachte dat in de handen zou hebben gehouden. Getuige [Naam getuige B.] spreekt evenmin over een mes. Sterker nog, [Naam getuige B.] vraagt aan verdachte of hij een mes had. De rechtbank leidt hieruit af dat ook [Naam getuige B.] geen mes heeft gezien.

De route van de galerie over het grasveld via de [Straatnaam] naar het pand waar verdachte is aangehouden is, zoals de rechtbank tijdens de schouw heeft kunnen waarnemen, overzichtelijk en niet lang. Deze route is afgezocht met een speurhond zonder dat het mes is gevonden. Verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor het ontbreken van het mes.

De getuigen [Naam broer van slachtoffer feit2] en [Naam getuige P.] beschrijven wel een mes in de hand van verdachte als hij naar buiten komt. Hun beschrijving van dat mes sluit echter niet aan bij de beschrijving die verdachte er van geeft. Gelet op al hetgeen hiervoor is opgemerkt over het mes, gaat de rechtbank er van uit dat [Naam broer van slachtoffer feit2] en [Naam getuige P.] zich hebben vergist.

* Verdachte schetst het beeld dat hij amper kon zien en erge pijn heeft als gevolg van de pepperspray in zijn ogen. Het is de rechtbank echter opgevallen dat verdachte in staat is de vermeende handelingen van [Naam slachtoffer feit1] zeer gedetailleerd te beschrijven. Het breekijzer in zijn handen, het mes op de pottenbakkersschijf, het pakken daarvan door [Naam slachtoffer feit1] en de manier waarop hij op verdachte afstapt. Dat strookt naar de overtuiging van de rechtbank niet met nauwelijks kunnen zien.

Eenmaal buiten rent verdachte over het gras en springt volgens getuige [Naam getuige V.] over de afrastering van het grasveld. Met getuige [Naam getuige S.] kan hij normaal communiceren, althans haar valt niets op. Verdachte loopt nog eens terug naar de mannen die voor de galerie op de grond zitten of liggen. Ook dat is naar de overtuiging van de rechtbank niet het gedrag van een man die nauwelijks nog iets ziet, vergaat van de pijn, en slechts weg wil.

* [Naam getuige P.] ziet [Naam slachtoffer feit1] achteruit lopen met lege handen. Hij heeft geen breekijzer en/of mes in zijn handen. Evenmin neemt hij een aanval op verdachte waar maar wijkt [Naam slachtoffer feit1] juist achteruit.

* Ook anderszins heeft de rechtbank op grond van de afgelegde verklaringen en overige bevindingen in het dossier geen bevestiging kunnen vinden voor de geschetste aanval door [Naam slachtoffer feit1] met mes en breekijzer op verdachte.

Op grond van de hiervoor geschetste tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden in de verklaringen van verdachte is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verdachte de aanval op hem door [Naam slachtoffer feit1] heeft verzonnen. Eveneens is de rechtbank er van overtuigd dat de effecten van de pepperspray op het waarnemingsvermogen van verdachte aanmerkelijk geringer zijn geweest dan hij de rechtbank wil doen geloven.

Het feit dat verdachte, nadat hij [Naam slachtoffer feit1] heeft neergestoken, het blijkbaar nodig acht een aanval op hem door [Naam slachtoffer feit1] te verzinnen duidt er op dat hij iets wil verbergen. In het licht van de dood van [Naam slachtoffer feit1] ligt het voor de hand dat het daarbij gaat om het feit dat [Naam slachtoffer feit1] niet verdachte heeft aangevallen maar dat juist het omgekeerde is gebeurd: dat verdachte, toen [Naam slachtoffer feit2] en [Naam broer van slachtoffer feit2] de galerie hadden verlaten, de achtergebleven en ongewapende [Naam slachtoffer feit1] heeft neergestoken, zoals ook door [Naam getuige P.] is waargenomen.

De rechtbank heeft zich afgevraagd waarom verdachte dat gedaan heeft. Is er sprake van een te ver doorgeschoten verdediging? Of heeft verdachte op dat moment verdediging niet meer in de geest maar gaat het hem om vergelding voor de brute aanval op hem, in zijn eigen atelier? In het laatste geval komt aan verdachte in ieder geval geen beroep op noodweer of noodweerexces meer toe. Noodweer of noodweerexces worden immers gerechtvaardigd door verweer maar nimmer door vergelding.

De rechtbank heeft op grond van de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken, de proceshouding van verdachte en het feit dat hij blijkbaar meent iets te verbergen te hebben, de overtuiging gekregen dat verdachte op dat moment door de wens tot vergelding is gedreven en niet meer door de vermeende noodzaak tot verdediging. Een beroep op noodweer of noodweerexces komt niet aan verdachte toe.

Namens verdachte heeft zijn raadsman ter zitting het verzoek gedaan om bij twijfels aan de verklaringen van verdachte een psycholoog te benoemen die onderzoek dient te doen naar de authenticiteit van zijn verklaringen. De rechtbank wijst dit verzoek af nu zij de noodzaak daarvan niet inziet. Immers, een psycholoog zal enkel in algemene termen iets kunnen zeggen over de al dan niet bestaanbaarheid van hervonden herinneringen. De psycholoog zal echter geen oordeel kunnen geven over de vraag of deze herinneringen van verdachte authentiek zijn. En daar gaat het uiteindelijk om.

Verder heeft de raadsman van verdachte ter zitting verzocht om, indien het verhaal over het mes in de handen van [Naam slachtoffer feit1] in twijfel wordt getrokken, onderzoek te laten uitvoeren op de bemonstering van de handen van [Naam slachtoffer feit1]. Het mes was immers roestig en er zal klei op hebben gezeten, gezien het doel waarvoor het werd gebruikt (lossnijden van in klei gemaakte voorwerpen van de pottenbakkersschijf). Ook van dit onderzoek ziet de rechtbank de noodzaak niet in. Immers, zo deze bemonstering van de handen al leidt tot het vinden van klei en/of roestsporen, dan zegt dat nog niet dat die sporen van dat mes afkomstig zijn. Dergelijke sporen kunnen overal “opgelopen” zijn. Vergelijking met de roest en klei op het mes is niet mogelijk, omdat het mes nooit is gevonden.

Tot slot wil de rechtbank nog het volgende opmerken.

De rechtbank heeft zich gerealiseerd dat ook een andere verklaring denkbaar is voor de proceshouding van verdachte. Het zou kunnen dat verdachte onder invloed van een hevige gemoedsbeweging zoals bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden en vervolgens, uit angst dat hij daarvoor zou worden veroordeeld, het hiervoor besproken verhaal over een aanval door [Naam slachtoffer feit1] met breekijzer en mes heeft opgedist.

Daarom heeft de rechtbank zich nog afgevraagd of in de situatie die zij vaststaand acht -namelijk dat [Naam slachtoffer feit1] ongewapend is en geen aanval doet op verdachte - maar er bij verdachte wel sprake is van een hevige gemoedsbeweging zoals bedoeld in artikel 41 lid 2 Sr (bijvoorbeeld angst, pijn, woede maar niet vergelding), verdachte zich toch zou hebben kunnen beroepen op noodweer of noodweerexces. Die vraag beantwoordt de rechtbank echter ook ontkennend.

In dat geval kan er immers op twee manieren naar het gebeuren gekeken worden, die echter beide tot het zelfde resultaat leiden.

1. Na de aanval op verdachte door [Naam slachtoffer feit2] met een breekijzer in aanwezigheid van [Naam broer van slachtoffer feit2], [Naam slachtoffer feit1] en een hond en het pepperen door [Naam broer van slachtoffer feit2] trekken [Naam slachtoffer feit2] en [Naam broer van slachtoffer feit2] zich terug. Verdachte blijft dan alleen achter met [Naam slachtoffer feit1]. Hoeveel tijd er verstrijkt tussen het pepperen door [Naam broer van slachtoffer feit2] en het vertrek van [Naam slachtoffer feit2] en [Naam broer van slachtoffer feit2] uit de galerie enerzijds en het steken van [Naam slachtoffer feit1] door verdachte anderzijds is achteraf niet meer exact vast te stellen. Op grond van de waarneming door [Naam getuige P.] dat [Naam slachtoffer feit2] en [Naam broer van slachtoffer feit2] al buiten waren, hij toen naar binnen keek en verdachte zag bewegen naar [Naam slachtoffer feit1], denkt de rechtbank dat het om enkele seconden moet gaan. Meer in ieder geval dan slechts enkele fracties van seconden. [Naam slachtoffer feit1] is ongewapend en op grond van de waarneming door [Naam getuige P.] neemt de rechtbank aan dat deze zich van verdachte weg beweegt.

Dit alles maakt dat er sprake is van een nieuwe situatie. Aan de dreiging voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is immers een einde gekomen en dus ook aan de noodweersituatie. Een beroep op noodweer gaat dan niet meer op.

Wel kan er onder deze omstandigheden nog een beroep op noodweerexces mogelijk zijn. Namelijk indien verdachte heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de aanval die zojuist heeft plaatsgevonden en verdachte daardoor is doorgegaan met verdedigen terwijl dat strikt genomen niet meer nodig was.

Echter, ook dan komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden (vgl HR 08-04-2008, LJN, BC4459). De rechtbank is van oordeel dat het toebrengen van één steek in de hartstreek bij een ongewapende man die alleen is en die een terugtrekkende beweging maakt een zodanig disproportionele reactie is dat de hevige gemoedsbeweging, waaraan verdachte wellicht onderhevig was, hem niet meer kan disculperen.

2. Omdat het hierboven beschreven tijdsverloop tussen het vertrek van [Naam slachtoffer feit2] en [Naam broer van slachtoffer feit2] uit de galerie en het steken van [Naam slachtoffer feit1] door verdachte niet meer exact vast te stellen is, maar maximaal enkele seconden beloopt, kan men ook de mening toegedaan zijn dat het tijdsverloop zo kort is geweest dat de noodweersituatie dan in feite nog voortduurt. Van een nieuwe situatie is nog geen sprake.

Ook dan geldt echter voor een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces dat het gekozen middel en de wijze waarop dat middel wordt gebruikt in verhouding moeten staan tot de ernst van de ogenblikkelijk dreigende aanranding. En de uitkomst van die afweging is voor de rechtbank niet anders dan hiervoor al is beschreven. [Naam slachtoffer feit1] is ongewapend en beweegt van verdachte weg.

Ook dan acht de rechtbank de reactie van verdachte disproportioneel, zodat hem geen beroep op noodweer of noodweerexces toekomt.

5.3.8 De strafbaarheid van feit en dader – feit 1

Nu het beroep op noodweer of noodweerexces niet slaagt acht de rechtbank het feit onder 1 strafbaar. Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als doodslag.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van de dader gelet op de door de psycholoog drs. S. Labrijn en de psychiater I. Mattheai omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapporten. Beide gedragsdeskundigen hebben vastgesteld dat er ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten bij verdachte geen sprake was van psychische problematiek die zijn gedragskeuze en/of zijn gedragingen hebben beïnvloed. Daarnaast geven beiden aan dat verdachte ten tijde van bedoelde feiten niet beïnvloed werd door een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De psycholoog adviseert verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De psychiater heeft op dit punt niet geadviseerd.

De rechtbank heeft de conclusies van de beide gedragsdeskundigen, evenals het advies van de psycholoog, en de gronden waarop deze berusten overgenomen en deze tot de hare gemaakt.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarvoor strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naast zijn verweer strekkende tot een ontslag van alle rechtvervolging voor beide ten laste gelegde feiten geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf bij doodslag een gevangenisstraf tussen de 6 en 9 jaar. Dat is de bandbreedte waar de rechtbank ook in deze zaak van uit gaat. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum (voor doodslag is dat strafmaximum 15 jaar gevangenisstraf) en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In deze straf die de rechtbank als uitgangspunt neemt, is al rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft een man, [Naam slachtoffer feit1], met één messteek in het hart gedood. Daarmee heeft hij deze man diens leven ontnomen. De nabestaanden van [Naam slachtoffer feit1], in het bijzonder zijn moeder en zijn [Naam broer van slachtoffer feit2], moeten nu verder zonder hem. Hun verdriet is immens en zij dragen de zware last van het verlies van hun geliefde zoon en [Naam broer van slachtoffer feit2].

Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. De meer directe omgeving (straat, buurt, dorp) wordt opgeschrikt en geschokt door een dergelijke gebeurtenis. En in de samenleving als geheel wakkert het gevoelens van onrust en onveiligheid aan.

Verder betrekt de rechtbank in haar afweging dat verdachte in de overtuiging van de rechtbank heeft gehandeld uit vergelding en niet uit een noodzaak tot verdediging. [Naam slachtoffer feit1] was immers niet bewapend en bewoog zich van verdachte weg op het moment van steken.

Anderzijds is het ook zo dat verdachte in zijn eigen atelier die avond is overvallen door een groep van vier met pepperspray en breekijzer bewapende mannen, waar [Naam slachtoffer feit1] deel van uitmaakte. Deze vier zochten dus de confrontatie met verdachte op. Door een van hen, [Naam slachtoffer feit2], is verdachte vervolgens in zijn atelier ook levensbedreigend aangevallen. Ook deze omstandigheden weegt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Verder speelt in de afweging een rol dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Deze elementen – het feit dat verdachte [Naam slachtoffer feit1] van het leven heeft beroofd uit vergelding, het gegeven dat hij in zijn eigen atelier werd aangevallen door een groep waar [Naam slachtoffer feit1] deel van uitmaakte en het ontbreken van eerdere veroordelingen – vormen voor de rechtbank de bepalende factoren om verdachte een gevangenisstraf van zes jaren op te leggen. Er zijn geen omstandigheden die een lagere straf rechtvaardigen.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [Naam benadeelde partij1] vordert een schadevergoeding van € 6.447,82 terzake van feit 1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan [Naam benadeelde partij1] door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag. Aan verdachte zal ter zake van dat feit een straf worden opgelegd. Daarom kan en zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Verdachte zal ter zake van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld. Daarnaast is hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam benadeelde partij1], aansprakelijk voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht. Derhalve heeft de rechtbank tevens tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De benadeelde partij [Naam benadeelde partij2] vordert een schadevergoeding van € 6.980,66 terzake van feit 2. Gelet op de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen en aan hem ter zake geen maatregel zal worden opgelegd, kan [Naam benadeelde partij2] niet in zijn vordering worden ontvangen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde onder 1 het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.3.8 is omschreven;

- verklaart dat het bewezen verklaarde onder 2 geen strafbaar feit oplevert;

- verklaart verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar;

Ontslag van alle rechtsvervolging

- ontslaat verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging.

Straf

- veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van zes jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij1], [Adresgegevens benadeelde partij1] van een bedrag van € 6.447,82 (zesduizend zevenenveertig euro en tweeëntachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente van 21 augustus 2008 over een bedrag van € 2.647,82, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.800,- vanaf de dag waarop dit bedrag verschuldigd is, het een en ander tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [Naam benadeelde partij1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam benadeelde partij1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 128 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- verklaart de benadeelde partij [Naam benadeelde partij2], [Adresgegevens benadeelde partij2], in zijn vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [Naam benadeelde partij2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 januari 2009.

-----------------------------------------------

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 juli 2008 in de gemeente Brunssum opzettelijk [Naam slachtoffer feit1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes gestoken in het lichaam van die [Naam slachtoffer feit1], tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer feit1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 9 juli 2008 in de gemeente Brunssum opzettelijk [Naam slachtoffer feit2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes in het lichaam van die [Naam slachtoffer feit2] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer feit2] is overleden.

-----------------------------------------------

1 Bewijsmiddel: proces-verbaal onderzoek ter terechtzitting van 7, 8 en 9 januari 2009.

2 Bewijsmiddel: ambtsedig pv d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [S. + H.] (blz. 47 en 48).

3 Bewijsmiddel: ambtsedig pv d.d. 11 juli 2008, opgemaakt door [S.] (blz. 49 en 50).

4 Bewijsmiddel: ambtsedig pv d.d. 14 juli 2008, opgemaakt door [W.] (blz. 451).

5 Bewijsmiddel: ambtsedig pv d.d. 12 juli 2008, opgemaakt door [B.] (blz. 421 t/m 423).

6 Bewijsmiddel: deskundigenrapport NFI d.d. 14 juli 2008, opgemaakt door de patholoog A. Maes (blz. 277 en 279).

7 Bewijsmiddel: deskundigenrapport NFI d.d. 14 juli 2008. opgemaakt door de patholoog A. Maes (blz. 285, 287 en 288).

8 Zie: pv aangifte van [Naam ex-vriendin verdachte] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [C.] (blz. 51 en 52).

9 Zie: pv bevindingen d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [P.] (blz. 55 en 56).

10 Zie: pv bevindingen d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [P.] (blz. 56).

11 Zie: pv verhoor [Naam vriendin slachtoffer feit2] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [C.] (blz. 76 en 77).

12 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 943 en 944).

13 Zie: pv verhoor [Naam vader slachtoffer feit2] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [P.] (blz. 74).

14 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 941).

15 Zie: pv verhoor [Naam vader slachtoffer feit2] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [P.] (blz. 74 en 75).

16 Zie: pv verhoor [Naam ex-vriendin verdachte] d.d. 31 juli 2008, opgemaakt door [C.] (blz. 113 en 114).

17 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 17 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [B.] (blz. 976).

18 Zie: pv forensisch onderzoek d.d. 14 juli 2008, opgemaakt door [K.], [B.] en [K.] (blz. 368).

19 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 13 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [H.] (blz. 956).

20 Zie: pv verhoor [Naam ex-vriendin verdachte] d.d. 31 juli 2008, opgemaakt door [C.] (blz. 114 en 115).

21 Zie: pv verhoor [Naam getuige S.] d.d. 17 juli 2008, opgemaakt door [H.] (blz. 175).

22 Zie: pv verhoor [Naam getuige R.] d.d. 18 juli 2008, opgemaakt door [H.] en [K.] (blz. 177 en 178).

23 Zie: pv verhoor [Naam partner getuige R.] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [vT.] (blz. 198).

24 Zie: pv verhoor [Naam getuige DJ.] d.d. 15 augustus 2008, opgemaakt door [B.] (blz. 145 en 146).

25 Zie: pv verhoor [Naam getuige DJ.] d.d. 11 juli 2008, opgemaakt door [K.] en [H.] (blz. 143).

26 Zie: pv verhoor [Naam getuige DJ.] d.d. 15 augustus 2008, opgemaakt door [B.] (blz. 146).

27 Zie: pv verhoor [Naam getuige DJ.] d.d. 15 augustus 2008, opgemaakt door [B.] (blz. 145 en 146).

28 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 941).

29 Zie: pv verhoor [Naam getuige P.] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [H.] (blz. 1000 en 1001).

30 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [S.] (blz. 883 en 884).

31 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [H.] en [S.] (blz. 889).

32 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 12 juli 2008, opgemaakt door [S.] (blz. 898).

33 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 13 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [K.] (blz. 909).

34 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 14 juli 2008, opgemaakt door [K.] en [S.] (blz. 913 tot en met 915).

35 Zie: proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting van 7, 8 en 9 juli 2009.

36 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 945 tot en met 947).

37 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 953).

38 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 13 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [H.] (blz. 961 tot en met 970).

39 Zie: pv verhoor [Naam getuige P.] bij de RC d.d. 15 juli 2008.

40 Zie: pv verhoor [Naam getuige P.] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [V.] (blz. 992).

41 Zie: pv verhoor [Naam getuige DJ.] d.d. 11 juli 2008, opgemaakt door [K.] en [H.] (blz. 143).

42 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 948).

43 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 13 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [H.] (blz. 971).

44 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 17 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [B.] (blz. 980).

45 Zie: proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting van 7, 8 en 9 juli 2009.

46 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 13 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [K.] (blz. 909).

47 Zie: pv verhoor verdachte d.d. 14 juli 2008, opgemaakt door [K.] en [S.] (blz. 915).

48 Zie: proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting van 7, 8 en 9 januari 2009.

49 Zie: proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting van 7, 8 en 9 juli 2009.

50 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 17 juli 2008, opgemaakt door [S.] en [B.] (blz. 980).

51 Zie: pv verhoor [Naam broer slachtoffer feit2] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [R.] (blz. 941).

52 Zie: pv verhoor [Naam getuige P.] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [H.] (blz. 1001).

53 Zie: pv verhoor [Naam getuige P.] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [H.] (blz. 1003 en 1005).

54 Zie: pv verhoor [Naam getuige P.] bij de RC d.d. 15 juli 2008.

55 Zie: proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting van 7, 8 en 9 januari 2009.

56 Zie: pv verhoor [Naam getuige V.] d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [P.] (blz. 98 en 99).

57 Zie: pv verhoor [Naam getuige S.] d.d. 17 juli 2008, opgemaakt door [H.] (blz. 175 en 176).

58 Zie: pv verhoor [T.B.] d.d. 9 juli 2008, opgemaakt door [P.] (blz. 71 en 72).

59 Zie: pv onderzoek met speurhond d.d. 10 juli 2008, opgemaakt door [H.] (blz. 411).