Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BG9088

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/113 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlies executieve status politieambtenaar. Beroep gegrond: keuze voor nieuwe functie was niet op geheel vrijwillige basis, zoals vereist voor verlies van de executieve status. Na arbeidsongeschiktheid heeft eiser geopteerd voor herplaatsing in een andere functie (zonder executieve status), functies met een executieve status waren niet voorhanden. Rechtbank voorziet zelf in de zaak: eiser behoudt de executieve status.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: 08 / 113 AW

Uitspraak

in het geding tussen

[naam eiser],

wonend te [plaats], eiser,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid,

verweerder.

Datum bestreden besluiten: 11 december 2007

Kenmerk: 07LZB01992 en 07LZB02707

1. Procesverloop

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten van 11 december 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 28 februari 2007 en 10 juli 2007 ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten is door eiser op 21 januari 2008 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn aan eisers gemachtigde gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 november 2008, waar eiser is verschenen bij gemachtigde N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.H. Gunther en A.P.C.W. Tummers.

2. Overwegingen

Eiser was tot 1 september 2006 in dienst van de Politieregio Limburg Zuid in de functie van senior rechercheur. Voor deze functie is hij door het UWV arbeidsongeschikt verklaard.

In het kader van re-integratie is eiser bij primair besluit van 28 februari 2007 per 1 september 2006 (tijdelijk) aangesteld in de functie van assistent recherche. Bij primair besluit van 10 juli 2007 is deze plaatsing definitief geworden.

Tegen beide besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij is, in aanwezigheid van zijn raadsman, op 18 september 2007 op het bezwaar gehoord door F.J.H. Gunther en K. Bosman namens het bevoegde gezag.

Verweerder heeft bij de nu bestreden besluiten het bezwaar ongegrond verklaard onder handhaving van zijn besluiten tot plaatsing van eiser in de functie van assistent recherche met verlies van de executieve status. Verweerder heeft eiser de executieve status ontnomen omdat hij naar verweerders opvatting in de functie van assistent recherche niet meer is aangesteld om politietaken uit te voeren in de zin van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993. Verder is er sprake van een vrijwillige keuze voor c.q. acceptatie van de nieuwe functie, waarbij eiser zelf een keuze heeft gemaakt uit meerdere hem aangeboden functies. Er is dan ook geen sprake van een (verplichte) herplaatsing op grond van de artikelen 64 of 65a van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp).

Eiser is het ook met deze besluiten niet eens voor zover deze betrekking hebben op het verlies van de executieve status en heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Aangevoerd is dat de besluiten een toereikende basis ontberen en strijdig zijn met artikel 3:2 van de Awb. Dat hij na een herplaatsing wegens arbeidsongeschiktheid zijn executieve status niet behoudt berust op een onjuiste toepassing van het Barp en van het Besluit bezoldiging politie (hierna: Bbp). Ook wordt hiermee de reikwijdte en betekenis van de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 december 2001 miskend. Ten slotte zijn de besluiten in strijd met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

Het beroepschrift strekt tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden besluiten en de onderliggende primaire besluiten. Verzocht wordt te bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, dan wel dat de rechtbank zelf voorziet in de zaak. Eiser verzoekt verder verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank dient thans te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft kunnen besluiten tot het ontnemen van de executieve status aan eiser.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In artikel 49c, aanhef en onder c, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, verplicht is passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt.

In eerdergenoemde circulaire van 20 december 2001 is onder 8 bepaald dat, als een ambtenaar niet verplicht wordt verplaatst maar uit eigen beweging een functie verkiest waaraan een andere status is verbonden, formeel sprake is van een ontslag op verzoek uit een functie met een executieve status, gevolgd door een aanstelling in een functie met een niet executieve status.

Waar verweerder als beleid heeft dat hij (op een door hem te bepalen tijdstip) aan een ambtenaar als eiser de executieve status kan ontnemen indien die ambtenaar op vrijwillige basis werkzaamheden gaat verrichten die niet de uitvoering van de politietaak betreffen - en niet, indien dat verplicht gebeurt -, moet de rechtbank volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 4 mei 2005, LJN AT6399) in de eerste plaats de vraag beantwoorden of sprake is (geweest) van bedoelde vrijwilligheid. Gelet op het belang van het antwoord op die vraag zal naar het oordeel van de rechtbank over die vrijwilligheid geen onduidelijkheid moeten bestaan. In geval van twijfel zal moeten worden geoordeeld dat de executieve status niet aan de ambtenaar kan worden ontnomen.

De rechtbank heeft geen verzoek van eiser aangetroffen om hem aan te stellen in een functie met een niet-executieve status. In het kader van zijn re-integratie is eiser de keuze uit een aantal functies geboden, waaronder de functie van assistent recherche. Ter zitting is desgevraagd namens verweerder meegedeeld dat alle functies die eiser zijn aangeboden, een executieve status ontbeerden. Functies met een executieve status waren op dat moment niet passend.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat hoewel een besluit waarbij eiser door verweerder uitdrukkelijk wordt opgedragen een van de aangeboden functies te gaan vervullen ontbreekt, het eiser – gelet op het bepaalde in artikel 49c, aanhef en onder c, van het Barp – niet vrijstond om geen enkele van de aangeboden functies te aanvaarden. De stelling van verweerder dat er sprake was van een geheel vrijwillige keuze voor een functie zonder executieve status deelt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder dan ook – gelet op het gevoerde beleid - niet gerechtigd eiser de executieve status te ontnemen.

Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

De rechtbank acht eveneens termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake vier punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het bezwaar en het beroep, het bijwonen van de hoorzitting en de zitting van de rechtbank en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Daarbij beschouwt de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2007 en het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2007 als samenhangende zaken. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 4 x € 322,-- x 1 = € 1288,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

2. herroept de besluiten van 28 februari 2007 en 10 juli 2007, voor zover het betreft het onthouden van de executieve status, en bepaalt dat eiser de executieve status wordt toegekend;

3. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het herroepen gedeelte van voornoemde besluiten;

4. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 143,00 wordt vergoed door de Politieregio Limburg Zuid;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure, aan de zijde van eiser begroot op € 1288,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de Politieregio Limburg Zuid aan eiser.

Aldus gedaan door M.A.H. Span-Henkens in tegenwoordigheid van F.A.W. van Gils als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2009

w.g. F.A.W. van Gils w.g. M. Span-Henkens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 6 januari 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, ook de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.