Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:6679

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
01-03-2021
Zaaknummer
AWB08 / 1922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verweerder verzocht – onder verwijzing naar artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) – haar te laten weten of gegevens van haar zijn doorgegeven aan anderen. Verweerder heeft aan eiseres onder meer medegedeeld dat gegevens van haar zijn verstrekt aan een zorgaanbieder. De vraagtekens, die eiseres heeft geplaatst bij de wijze waarop en waarom verweerders gemeente informatie heeft verschaft aan deze zorgaanbieder, is geen onderwerp van dit geschil. Verweerder had deze zorgaanbieder moeten vermelden in het register als bedoeld in artikel 30 van de Wbp, aangezien nu eenmaal gegevens van eiseres zijn verstrekt aan deze instantie. De rechtbank verbindt verder geen gevolgen aan deze omissie. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB08 / 1922

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 oktober 2008

Kenmerk: 03674713

1 Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

De gedingstukken uit de zaak met registratienummer 08/873 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd.


Het onderzoek ter zitting heeft op 27 augustus 2009 plaatsgevonden, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [naam] .

2 Overwegingen

Eiseres heeft op 1 oktober 2007 de Sociale Dienst van verweerders gemeente verzocht – onder verwijzing naar artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) – haar te laten weten of gegevens van haar zijn doorgegeven aan anderen.

Op 5 november 2007 heeft eiseres zich gewend tot het College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP) met een verzoek te bemiddelen bij het verkrijgen van inzage in haar persoonsgegevens. Het CBP heeft deze brief doorgestuurd naar verweerders gemeente met het verzoek om de brief van 5 november 2007 als bezwaarschrift tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van 1 oktober 2007 in behandeling te nemen.

Ondertussen heeft een medewerker van verweerders gemeente, [naam medewerker 1] , bij brief van

22 november 2007 aan eiseres medegedeeld dat de Sociale Dienst alleen haar gegevens heeft doorgegeven aan het Centrum indicatiestelling zorg en dat verder geen gegevens aan andere instanties zijn doorgegeven.

Bij besluit van 7 januari 2008 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres van

5 november 2007, gericht tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek van

1 oktober 2007, niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat uit artikel 35 van de Wbp blijkt dat de verantwoordelijke desgevraagd mededeling doet over de verwerkte persoonsgegevens. Voorts heeft verweerder overwogen dat een mededeling geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat er evenmin sprake kan zijn van het niet tijdig nemen van een besluit.

Vervolgens heeft eiseres zich bij brief van 16 januari 2008 wederom gewend tot het CBP met een verzoek te bemiddelen bij het verkrijgen van inzage in haar persoonsgegevens. Volgens eiseres is hetgeen in de brief van 22 november 2007 is geschreven niet juist, nu zij in december 2006 een aanbod van IZA CURA heeft ontvangen.

Het CBP heeft voorts verweerders gemeente verzocht op grond van artikel 35 van de Wbp een overzicht van de persoonsgegevens van eiseres te geven.

In reactie hierop heeft een medewerker van verweerders gemeente, [naam medewerker 2] , bij brief van 29 april 2008 aan eiseres medegedeeld dat er geen gegevens aan derden zijn verstrekt, behoudens aan het Centrum indicatiestelling zorg en gegevensuitwisseling aan bepaalde instanties op basis van een wettelijke grondslag. Verder is aan eiseres medegedeeld dat de sector Sociale Zaken geen gegevens bij IZA Cura heeft aangeleverd.

Bij brief van 10 juni 2008 heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het besluit van 7 januari 2008.

Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder bij brief van 10 juli 2008 laten weten dat het besluit van 7 januari 2008 onjuist is, omdat er abusievelijk vanuit is gegaan dat er geen sprake is van een besluit. Verweerder heeft voorts aangegeven dat het besluit van 7 januari 2008 wordt ingetrokken en het bezwaarschrift van 5 november 2007 opnieuw in behandeling wordt genomen.

Bij het thans bestreden besluit van 9 oktober 2008 heeft verweerder een nieuw besluit genomen op de bezwaren van eiseres.

Verweerder heeft besloten om de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze zien op het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek van 1 oktober 2007. Volgens verweerder is op 29 april 2008 een besluit op dit verzoek genomen, zodat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling.

Verder heeft verweerder het besluit van 29 april 2008 herroepen in die zin dat deze beslissing van 29 april 2008 wordt aangevuld met de mededeling dat er wel persoonsgegevens aan IZA Cura zijn verstrekt.

Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat het besluit van 29 april 2008 onbevoegd is genomen, omdat verweerder toentertijd nog geen mandaat had verleend voor het nemen van besluiten op verzoeken ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp. Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit dit mandaatgebrek geheeld.

Verweerder heeft voorts het verzoek van eiseres om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) afgewezen, omdat naar de mening van verweerder geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.

Tot slot heeft verweerder € 322,00 toegekend aan eiseres voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase.

Eiseres heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder bij het thans bestreden besluit een juiste beslissing heeft genomen op het verzoek van eiseres van 1 oktober 2007, waarbij zij op basis van artikel 35 van de Wbp gevraagd heeft of de sector Sociale Zaken haar persoonsgegevens aan derden heeft doorgegeven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Het bezwaarschrift van eiseres dateert van 5 november 2007 en is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek van 1 oktober 2007.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op 29 april 2008 een beslissing heeft genomen op voornoemd verzoek. Het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit is dan ook naar dezerzijds oordeel terecht door verweerder wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog van eiseres dat de brief van 29 april 2008 niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb, nu onder deze brief het rechtsmiddel ontbreekt en in deze brief niets is vermeld over mandaat, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank merkt op dat zowel door eiseres als door [naam medewerker 2] , zijnde de medewerker van verweerder die de brief van 29 april 2008 heeft verstuurd, ten onrechte niet is onderkend dat tegen deze brief een rechtsmiddel openstond. Het al dan niet vermelden van de mogelijkheid van bezwaar is – anders dan eiseres van mening is – niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een besluit in de zin van de Awb.

Aangezien het besluit van 29 april 2008 niet door verweerder zelf is afgedaan en ondertekend, maar door [naam medewerker 2] voornoemd, die op dat moment (nog) niet bevoegd was om een besluit te nemen namens verweerder op een verzoek ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp, is er naar dezerzijds oordeel in het primaire besluit sprake van een mandaatsgebrek, welk gebrek door het thans bestreden besluit is ondervangen.

Door eiseres is terecht opgemerkt in het aanvullend beroepschrift van 18 december 2008 dat ook de brief van 22 november 2007 als een besluit op haar verzoek dient te worden aangemerkt. De rechtbank merkt in dit verband op dat de onderhavige procedure mede door de bemoeienis van het CPB en de veelvuldige communicatie tussen verweerders gemeente en eiseres zich heeft voortgesleept, ondanks het feit dat verweerder(s gemeente) al aan het verzoek van eiseres gehoor had gegeven middels de besluiten van 22 november 2007, 7 januari 2008 en 29 april 2008. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het thans bestreden besluit met recht het laatste besluit van 29 april 2008 als primair besluit heeft aangewezen.

Eiseres heeft aangevoerd het onbegrijpelijk te vinden waarom verweerder pas in het thans bestreden besluit toegeeft dat er door verweerders gemeente gegevens aan IZA Cura zijn verstrekt. Eiseres vraagt zich verder af waarom verweerder niet zelf contact heeft opgenomen met eiseres en haar heeft gevraagd om met IZA Cura contact op te nemen. Ook vraagt eiseres zich af waarom verweerders gemeente haar gegevens alleen heeft verstrekt aan IZA Cura en niet aan andere zorgverzekeraars.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder bij het thans bestreden besluit aan eiseres heeft medegedeeld dat haar gegevens zijn doorgegeven aan IZA Cura. Waarom verweerder eerst in de thans bestreden beslissing op bezwaar dit heeft medegedeeld en niet eerder, acht de rechtbank voor deze zaak niet relevant.

De rechtbank overweegt voorts dat de aard van de bezwaarschriftenprocedure meebrengt dat het bestuursorgaan gebreken in het primaire besluit kan herstellen, hetgeen thans is geschied. Bij heroverweging van het primaire besluit van 29 april 2008 heeft verweerder immers het primaire besluit herroepen, in die zin dat deze beslissing wordt aangevuld met de mededeling dat persoonsgegevens van eiseres zijn verstrekt aan IZA Cura. De rechtbank acht deze gang van zaken in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb.

De vraagtekens die eiseres heeft geplaatst bij de wijze waarop en waarom verweerders gemeente informatie heeft verstrekt van IZA Cura, is geen onderwerp van dit geschil en behoeft hier verder dan ook geen bespreking.

Eiseres heeft voorts betoogd dat in het register als bedoeld in artikel 30 van de Wbp de verstrekking van gegevens aan IZA Cura niet is vermeld.

Uit het bestreden besluit is de rechtbank gebleken dat verweerders gemeente de naam van eiseres, haar adres en woonplaats aan IZA Cura heeft doorgegeven. Deze gegevens zijn aan IZA Cura verstrekt om eiseres in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de collectieve ziektekostenverzekering die verweerders gemeente had afgesloten met IZA Cura. Voorts is gebleken dat deze gegevens zijn gehaald uit het uitkeringssysteem (GWS4all) van de Sociale Dienst. De rechtbank stelt vast dat het bestand GWS4all in het betreffende register is vermeld. IZA Cura als zodanig is niet in het register terug te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om IZA Cura te vermelden in het betreffende register, aangezien nu eenmaal gegevens van eiseres zijn verstrekt aan laatstgenoemde instantie. De rechtbank verbindt verder geen gevolgen aan deze omissie. Indien eiseres meent hierdoor schade te hebben geleden, kan zij hierom verzoeken bij verweerder.

Vervolgens trekt eiseres het gestelde in het bestreden besluit dat geen gegevens meer aan anderen zijn verstrekt, in twijfel.

Gelet op de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank vast dat er volgens het register geen gegevens meer aan anderen zijn verstrekt. Voorts is de rechtbank gebleken dat binnen verweerders gemeente een onderzoek heeft plaatsgevonden ten einde te bepalen of dit het geval is. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat dit niet zo is. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond om te twijfelen aan verweerders mededeling dat er geen gegevens van eiseres aan anderen zijn verstrekt. Eiseres heeft immers het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, althans geen begin van bewijs geleverd, waaruit het tegenovergestelde blijkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet meer persoonsgegevens aan derden heeft verstrekt dan het bij primair besluit van 29 april 2009 aangevuld met het thans bestreden besluit aan eiseres heeft medegedeeld.

Eiseres heeft vervolgens verzocht om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiseres dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden, faalt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 24 december 2008 (LJN: BG8294), vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Voorts is in die uitspraak overwogen dat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Het bezwaarschrift van eiseres is op 16 november 2007 bij verweerder ingekomen. Gelet hierop is ten tijde van deze uitspraak van de rechtbank een termijn van 3 jaar niet overschreden, zodat van schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geen sprake is.

Eiseres heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat zij aanspraak maakt op een betaling van € 1.000,00 als een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wbp.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat eiseres om aanspraak te maken op schadevergoeding op grond van voornoemd artikel, hiervoor een apart verzoek dient in te dienen bij verweerder, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank merkt in dit verband ten overvloede nog op dat eiseres de schade ook niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt.

Ten aanzien van het betoog van eiseres dat verweerder in het kader van toekennen van proceskosten ten onrechte geen punt heeft gegeven met een waarde van € 322,00 vanwege het indienen van een bezwaarschrift op 23 september 2008, overweegt de rechtbank dat laatstgenoemde brief niet het bezwaarschrift is maar een brief met aanvullende gronden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden geen punt heeft toegekend voor deze proceshandeling, nu uit de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht, onderdeel A4, blijkt dat dit slechts geldt voor het indienen van het bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting en de nadere hoorzitting.

Gezien het bovenstaande is het beroep van eiseres ongegrond.

3 Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2009.

w.g. D. Laeven w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:4 september 2009

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.