Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BH4704

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
03/700076-08, 03/700615-08 (ttzgev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaine en hennep. De rechtbank is ten aanzien van de poging tot doodslag van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van voorarrest. De rechtbank stelt tevens bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700076-08, 03/700615-08 (ttzgev)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 december 2008

in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Gedetineerd PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 december 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

03/700076-08

Feit 1 primair: heeft gepoogd [naam slachtoffer] met een mes van het leven te beroven.

Feit 1 subsidiair: heeft gepoogd [naam slachtoffer] met een mes zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Feit 1 meer subsidiair: [naam slachtoffer] met een mes heeft mishandeld.

03/700615-08

Feit 1: opzettelijk ongeveer 70 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

Feit 2: opzettelijk ongeveer 110 gram hennep aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte feit 1 primair (03/700076-08) en de feiten 1 en 2 (03/700615-08) heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 primair wijst de officier van justitie op de volgende omstandigheden. Verdachte heeft een mes vanuit zijn ouderlijke woning meegenomen toen hij op stap ging. Hij heeft na excessief gebruik van alcohol op agressieve wijze de confrontatie gezocht met het slachtoffer en het slachtoffer gestoken in de buurt van vitale delen van diens lichaam. Ten aanzien van de drugsgerelateerde feiten 1 en 2 wijst de officier van justitie naar de verklaring van [buitengewoon opsporingsambtenaar] en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [namen verbalisanten], de ODV-test en het rapport van het NFI.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde (03/700076-08). In de visie van de raadsman is er geen sprake van (voorwaardelijk) opzet gericht op de dood van [naam slachtoffer] dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van de drugsgerelateerde feiten (03/700615-08), nu volgens de raadsman de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. De aanhouding is geschied in een buiten heterdaad situatie door beambten die daartoe niet bevoegd waren.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair (03/700076-08)

Aangever heeft verklaard dat hij op 3 februari 2008 voor de [plaats delict] te Maastricht door [naam verdachte] (zijnde verdachte) met een mes in zijn linkerbovenarm is gestoken. Aangever zag dat [verdachte] zijn arm met dit mes van achter zijn hoofd naar voren bracht en hem raakte. De arts heeft een steekwond in de linkerschouder waargenomen.

Verdachte heeft verklaard dat [naam slachtoffer] ruzie met hem maakte. Een vriend van een bekende van verdachte kwam tussen beide. [voornaam slachtoffer] liep toen weg. Verdachte zag dat [voornaam slachtoffer] met een uitsmijter praatte. Verdachte liep vervolgens naar [voornaam slachtoffer] toe en wilde met hem vechten. Dezelfde vriend kwam wederom tussen beide. Die vriend trok aan verdachte en duwde hem weg bij [voornaam slachtoffer]. Verdachte verklaarde dat hij een mes pakte en dat hij [voornaam slachtoffer] met dat mes in zijn linkerbovenarm stak. Verdachte is een mes getoond waarna hij heeft verklaard dat hij met dit mes gestoken heeft.

Gelet op bovenstaande verklaringen van de aangever, verdachte en de geneeskundige verklaring is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 3 februari 2008 te Maastricht gepoogd heeft [naam slachtoffer] met een mes opzettelijk van het leven te beroven door met dat mes te steken in de linkerbovenarm van die [naam slachtoffer]. De rechtbank stoelt dit oordeel op het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de stukken van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de opzet had om [naam slachtoffer] te doden. Anders dan de raadsman is de rechtbank evenwel van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet is de aard van de gedraging alsmede de omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht, gelet op de algemene ervaring, bepalend. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg (in casu de dood) zal intreden. Verdachte verkeerde ten tijde van het onderhavige incident in beschonken toestand. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol het coördinatievermogen negatief beïnvloedt. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verdachte stak met een bovenhandse beweging, gericht op het bovenlichaam van het slachtoffer, in een situatie waarin verdachte, het slachtoffer, en een derde, die partijen trachtte te scheiden, in beweging waren. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank de als aanmerkelijk te beschouwen kans op dat door het handelen van verdachte een vitaal orgaan kon worden geraakt en de dood kon intreden.

Ieder weldenkend mens is zich bij de hiervoor beschreven handelingen van dit risico bewust. Dat dit voor verdachte anders zou zijn, is niet gebleken.

Feit 1/2 (03/700615-08)

[naam buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar, verklaart dat hij op 18 september 2008 met zijn collega [naam collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] bezig was met het uitschrijven van een bekeuring op de parkeerplaats van de Albert Heijn, gelegen aan de Scharnerweg te Maastricht. Hij verklaart dat [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] uit de binnenzak van een voor hen onbekend persoon (verdachte) een plasticzak ziet vallen met een groene/bruine inhoud. [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] verklaart dat verdachte drie meter van hen afstond. [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] vraagt aan verdachte of dat wiet is, hetgeen verdachte volgens [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] bevestigt. Verdachte raapt de zak snel op en rent weg. Na het uitschrijven van de bekeuring besluiten [buitengewoon opsporingsambtenaar] en [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] in de buurt rond te gaan rijden. Na 5 à 10 minuten ziet [buitengewoon opsporingsambtenaar] verdachte vervolgens staan in een wasserette. / [buitengewoon opsporingsambtenaar] verklaart dat zij voor de zaak uitstappen en dat zij verdachte in de zaak zien wegrennen. [buitengewoon opsporingsambtenaar] volgt verdachte tot op het toilet en ziet dat hij een zakje met witte inhoud in een urinoir gooit. [buitengewoon opsporingsambtenaar] houdt verdachte aan. De eigenaar van de wasserette, genaamd [naam eigenaar wasserette], verklaart dat hij de toezichthouders de toiletruimte ziet betreden en nadat zij met verdachte het toilet hebben verlaten, treft hij in het urinoir een zak met wit spul aan, die hij afgeeft aan de toezichthouders. [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] en [buitengewoon opsporingsambtenaar] dragen de verdachte over aan de verbalisanten [naam verbalisanten]. [buitengewoon opsporingsambtenaar] overhandigt [naam verbalisant] het pakketje met daarin een op cocaïne gelijkende stof. Tijdens de insluitingsfouillering wordt door de verbalisanten in de mouw van de jas van verdachte een plastic zakje met daarin een op hennep gelijkende stof aangetroffen. Verbalisant [naam verbalisant] verklaart dat de stoffen positief reageren op de aanwezigheid van cocaïne (70 gram netto, NFI-codes 463.383 en 463.387) respectievelijk hennep (110 gram netto). Een tweetal monsters van de op cocaïne gelijkende stof is onderzocht door het NFI (NFI-codes 463.383 en 463.387) dat concludeert dat de onderzochte monsters cocaïne bevatten.

Gelet op bovenstaande verklaringen en het NFI-rapport is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 18 september 2008 te Maastricht 70 gram cocaïne en 110 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Waar de raadsman heeft betoogd dat de aanhouding onrechtmatig zou zijn, nu deze heeft plaatsgevonden in een buiten heterdaad situatie door beambten die daartoe niet bevoegd waren, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman nu zij van oordeel is dat er sprake is van een heterdaad situatie en dat in een dergelijke situatie een ieder bevoegd is een verdachte aan te houden. De constatering van getuige [collega van de buitengewoon opsporingsambtenaar] van het aanwezig hebben van wiet, het oprapen ervan door verdachte en vervolgens ermee wegrennen, rechtvaardigt het oordeel dat de verboden toestand voortduurt. Dat er een aantal minuten is gelegen tussen voormelde constatering en het zoeken naar en het aanhouden van verdachte is voor de rechtbank onvoldoende om niet van een heterdaad situatie te kunnen spreken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair (03/700076-08)

hij op 03 februari 2008, in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [naam slachtoffer] met een mes in diens linker bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. (03/700615-08)

hij op 18 september 2008 in de gemeente Maastricht, opzettelijk aanwezig heeft gehad 70 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. (03/700615-08)

hij op 18 september 2008 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 110 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

03/700076-08 primair:

poging tot doodslag

03/700615-08 feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

03/700615-08 feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht dient te worden gekoppeld.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de eenvoudige mishandeling een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen dan wel een taakstraf voor de duur van 74 uren geïndiceerd is. Ten aanzien van de drugsgerelateerde delicten wordt bepleit dat een gevangenisstraf van drie maanden de maximale duur van bestraffing betreft.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft nietsontziend, terwijl hij onder invloed was van alcohol, het slachtoffer met een mes gestoken. Door het handelen van verdachte heeft het slachtoffer een steekwond in zijn linker bovenarm opgelopen. Het gedrag van verdachte getuigt van disrespect voor het leven dan wel de lichamelijke integriteit van een ander.

Voorts heeft verdachte verdovende middelen aanwezig gehad. De aangetroffen hoeveelheden duiden op een dealerindicatie. De verdachte heeft onvoldoende normbesef en overziet niet de kwalijke gevolgen van het verstrekken van verdovende middelen aan drugsgebruikers, die vaak hun verslaving door crimineel handelen trachten te bekostigen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van 14 november 2008 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en geweldsdelicten.

Door [naam reclasseringswerker], reclasseringswerker bij het Leger des Heils, is op 30 oktober 2008 een voorlichtingsrapport uitgebracht omtrent de persoon van verdachte. Het Leger des Heils adviseert de rechtbank een voorwaardelijke straf op te leggen waarbij een verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde wordt gesteld, ook als dit inhoudt het nakomen van een meldingsgebod, meewerken aan een ambulante behandeling in verband met zijn druggebruik, meewerken aan een aanmelding bij MEE en zich houden aan de gemaakte afspraken tussen verdachte en MEE.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming noodzakelijk is.

De door de officier van justitie geëiste straf is naar het oordeel van de rechtbank echter te zwaar, met name gelet op het feit dat verdachte nog relatief jong is en langdurige detentie de thans bestaande motivatie tot het accepteren van hulp teniet zal doen. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden.

De rechtbank acht - gelet op de huidige zorgelijke ontwikkeling - het van belang dat verdachte gaat werken aan zijn door het Leger des Heils geduide problemen. Derhalve zal de rechtbank verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde stellen bij het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, groot 9 maanden.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres benadeelde partij], vordert een schadevergoeding van € 855,80 (650,= aan immateriële schade en € 205,80 aan materiële schade) ter zake van het ten laste gelegde onder parketnummer 03/700076-08.

De rechtbank zal aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] in redelijkheid een bedrag van € 250,= aan immateriële en een bedrag van € 149,= aan materiële schadevergoeding toewijzen, nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde strafbare feit (03/700076-08) rechtstreeks schade is toegebracht. Het (totaal)bedrag € 399,= zal worden vermeerderd met de wettelijke rente van 3 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7 Het beslag

Het in beslag genomen steakmes (met zwart handvat) is vatbaar voor verbeurdverklaring nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het primair bewezen verklaarde feit (03/700076-08) met behulp van dit mes is begaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 9 maanden maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Leger des Heils; ook als dit inhoudt het voldoen aan een meldingsgebod, het meewerken aan een ambulante behandeling in verband met zijn druggebruik en zijn medewerking verlenen aan een aanmelding bij MEE en zich houden aan de gemaakte afspraken tussen verdachte en MEE;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd een steakmes met zwart handvat;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 399,=, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst af het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 december 2008.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 03 februari 2008,in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [naam slachtoffer] met een mes in diens (linker) bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2008, in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in de (linker) bovenarm van genoemde [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2008, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), met een mes in diens (linker) bovenarm heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 03/700615-08

1.

hij op of omstreeks 18 september 2008 in de gemeente Maastricht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 18 september 2008 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 110 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;