Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BH1206

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-09-2008
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
03-700331-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met andere personen buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en cocaïne. Door de raadsman van verdachte is naar voren gebracht, dat de observatie een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Wetboek van Strafvordering inhoudt. Nu er voor genoemde observatie geen bevel van een officier van justitie was, is de raadsman van mening dat de observatie onrechtmatig is, zodat het daaruit verkregen bewijs niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De observatie heeft plaatsgevonden gedurende een beperkt aantal uren, zonder technische hulpmiddelen en op de openbare weg. De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde observatie geen stelselmatige observatie betreft als bedoeld in artikel 126g Wetboek van Strafvordering.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700331-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2008

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte]

Raadsman: mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 augustus 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

Samen met andere personen heroïne en cocaïne buiten het grondgebeid van Nederland heeft gebracht.

Subsidiair:

Samen met andere personen heroïne en cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De primair ten laste gelegde uitvoer van verdovende middelen is bewezen. Er is geen sprake geweest van een stelselmatige observatie. De recente jurisprudentie hierover is daar duidelijk in.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is naar voren gebracht, dat de observatie, gerelateerd in het proces-verbaal van bevinding op pagina 73 en volgende van de doornummering, een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Wetboek van Strafvordering inhoudt. Deze observatie levert, aldus de raadsman, een dusdanige schending van de privacy van zijn cliënt op, dat voor deze observatie een bijzondere opsporingsbevoegdheid nodig was. De raadsman is van mening dat, nu er voor genoemde observatie geen bevel van een officier van justitie was, deze observatie onrechtmatig is, zodat het daaruit verkregen bewijs niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

Voor het geval de rechtbank dit verweer niet mocht volgen heeft de raadsman nog gesteld dat in dit geval slechts sprake is van een poging heroïne en cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Daarnaast heeft hij gesteld dat alleen de hoeveelheid verdovende middel op verdachte aangetroffen voor zijn rekening kunnen komen. Ieder van de verdachten had immers zijn eigen drugs bij zich.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de wetsgeschiedenis bij artikel 126g Wetboek van Strafvordering, dient onder stelselmatige observatie te worden verstaan: die vorm van observatie waarmee een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van iemands privé-leven. Criteria die van belang zijn voor beantwoording van de vraag of er sprake is van een stelselmatige observatie zijn de duur, de plaats, de frequentie en de intensiteit van de observatie en de vraag of er al dan niet sprake is geweest van het toepassen van technische hulpmiddelen die meer bieden dan het versterken van zintuigen. De rechtbank constateert dat er op 14 mei 2008 een éénmalige observatie heeft plaatsgevonden door een observatieteam (Joint Hit Team).

De observatie heeft plaatsgevonden gedurende een beperkt aantal uren, zonder technische hulpmiddelen en op de openbare weg. De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde observatie geen stelselmatige observatie betreft als bedoeld in artikel 126g Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

De raadsman heeft voorts het verweer gevoerd, dat er geen sprake kan zijn van de ten laste gelegde uitvoer van harddrugs uit Nederland, omdat verdachte de harddrugs feitelijk niet buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Immers, ten tijde van zijn aanhouding bevond verdachte zich nog in Nederland.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer van de raadsman niet op gaat. Onder het buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet is ingevolge het bepaalde in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet immers begrepen het aanwezig hebben van verdovende middelen in een voertuig met een bestemming gelegen in het buitenland.

Tot slot heeft de raadsman nog gesteld, dat verdachte enkel aansprakelijk kan worden gehouden voor de hoeveelheid harddrugs die bij zijn aanhouding bij hem is aangetroffen en niet voor de verdovende middelen aangetroffen bij een van zijn medeverdachten, die zich ten tijde van verdachtes aanhouding eveneens in het voertuig bevonden.

Ook dit verweer dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verworpen. Immers, vast staat dat verdachte wist van de aanwezigheid van die verdovende middelen, zodat ook de bij zijn medeverdachten aangetroffen verdovende middelen voor zijn, verdachtes, rekening komen.

De rechtbank acht het vervoeren van heroïne en cocaïne wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte ter zitting afgelegd;

- het proces-verbaal van aanhouding (verdachte) d.d. 15 mei 2008, dossierpagina’s 28-29;

- het proces-verbaal van aanhouding (medeverdachte R. Lenoir) d.d. 15 mei 2008, dossierpagina’s 22-23;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 15 mei 2008, dossierpagina’s 233-234;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 15 mei 2008, dossierpagina’s 238-239;

- NFI rapport 2008.05.26.211/aanvraag 1, d.d. 12 juni 2008, dossierpagina’s 247-248;

- NFI rapport 2008.05.26.211/aanvraag 2, d.d. 12 juni 2008, dossierpagina’s 249-250.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Op 15 mei 2008 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 96,4 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 4,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededaders genoemde heroïne en cocaïne vervoerd in een auto met bestemming Frankrijk.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het primair bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf maanden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Bij de bepaling van de strafmaat dient rekening gehouden te worden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is door psychische problemen, voortvloeiend uit een echtscheiding, aan de drugs geraakt. Hij zit daardoor zonder werk en moet weer bij zijn ouders inwonen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De verdachte was samen met anderen in een auto onderweg naar Frankrijk. Hij en één van die anderen hadden relatief grote hoeveelheden, te weten in totaal 100,9 gram, harddrugs bij zich. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze drugs bestemd waren voor eigen gebruik. De LOVS richtlijn voor de uitvoer van 0-200 gram harddrugs, uitgaande van de situatie die in de richtlijn is omschreven als “standaard”, bedraagt drie maanden gevangenisstraf. De rechtbank zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden die redenen geven van deze richtlijn af te wijken. Zij zal dan ook drie maanden gevangenisstraf opleggen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wapenaar, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 september 2008.