Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BH1158

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
03/700717-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd een jonge vrouw te vermoorden (feit 2) en dat hij ter voorbereiding daarvan opzettelijk een voorwerp, te weten een mes, voorhanden heeft gehad (feit 1).

De bewezenverklaarde feiten kunnen de verdachte niet worden toegerekend wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verdachte is derhalve niet strafbaar. Ontslag van alle rechtsvervolging en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700717-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 augustus 2008

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres verdachte].

Gedetineerd PI Mid. Holland, HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Raadsman is mr. C.H.M. Geraedts, advocaat te Brunssum.

1 Onderzoek van de zaak

a.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2008 en 15 augustus 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een moord op [naam slachtoffer] heeft voorbereid;

Feit 2: geprobeerd heeft [naam slachtoffer] te vermoorden;

Feit 3: een moord dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op [naam slachtoffer] heeft voorbereid;

Feit 4: geprobeerd heeft [naam slachtoffer] te vermoorden, dan wel geprobeerd heeft haar opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bekennende verklaringen afgelegd door verdachte in eerste instantie gebezigd kunnen worden als bewijs. De later afgelegde ontkennende verklaring dient als ongeloofwaardig te worden beschouwd.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de 4 tenlastegelegde feiten

Feit 1

De raadsman heeft naar voren gebracht dat, als al bewezen zou worden verklaard dat verdachte een mes had, hetgeen enkel door verdachte is verklaard, er concrete aanwijzingen dienen te zijn dat het mes kennelijk bestemd was voor het misdrijf moord.

De mogelijkheid bestaat dat verdachte door zijn handelen er veel eerder op uit was zichzelf te straffen dan om [naam slachtoffer] fysiek iets aan te doen. Zelfs is niet onmogelijk dat verdachte het mes voorhanden had om het eerder bij [naam slachtoffer] in haar brievenbus gedeponeerde doodshoofdje te verwijderen.

Feit 2

Op de eerste plaats heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet de wil had om [naam slachtoffer] te doden. Gelet op de door de deskundigen vastgestelde stoornis bij verdachte, de onwaarschijnlijke verklaringen die hij heeft afgelegd over gelegenheden en zijn kennelijke neiging om zonder schuldbesef te liegen, moet ernstig worden getwijfeld aan de juistheid van de door hem afgelegde, bekennende verklaring.

Op de tweede plaats heeft de raadsman naar voren gebracht dat er bij verdachte geen sprake kan zijn van kalm en rustig overleg. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de rapportages omtrent de gemoedstoestand van verdachte in de periode voorafgaan en ten tijde van het ten laste gelegde.

Tot slot kan niet gesproken worden van een uitvoeringshandeling. Uit de situatieschets blijkt dat de afstand tussen verdachte en [naam slachtoffer] naar schatting circa 15 meter bedroeg. Ook blijkt uit niets dat verdachte op [naam slachtoffer] is toegelopen, zoals in de dagvaarding vermeld.

Feit 3

Dit feit is enkel gebaseerd op basis van de verklaringen van verdachte. De inhoud van de verklaringen zijn -gelet op de door de deskundigen vastgestelde stoornis- zeer onwaarschijnlijk en worden niet bevestigd door enig ander bewijsmiddel.

Feit 4

Niemand verklaart dat verdachte in of in de nabijheid van de school te hebben gezien. Niemand kan bevestigen dat hij, als hij al in de buurt zou zijn geweest, in het bezit was van messen. Bewijs is hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen van verdachte en de betrouwbaarheid daarvan is uiterst discutabel.

Het enkel bellen en de mededeling die verdachte heeft gedaan leveren geen bewijs op voor het tenlastegelegde, poging moord, danwel poging zwaar lichamelijk letsel.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen wordt op 23 november 2007 een melding gedaan dat aan [adres slachtoffer] te Maastricht een jonge vrouw wordt bedreigd. Ter plaatse worden opsporingsambtenaren aangesproken door [naam slachtoffer]. Zij vertelt hen dat zij die morgen even voor achten werd opgewacht door [naam verdachte]. Hij stond op de oprit naar de parkeerplaats van [adres slachtoffer] en hield iets in zijn hand, waarschijnlijk een mes.

In haar aangifte verklaart [naam slachtoffer] dat zij op 23 november omstreeks 07.45 uur haar woning heeft verlaten. Op de oprit bij haar woning zag zij [naam verdachte] staan. Zij zag dat [verdachte] zijn arm, iets omhoog langs zijn lichaam had zitten. Zij zag dat hij in zijn rechterhand iets glimmends had. Zij dacht dat dit een mes was, maar wist dit niet zeker. Zij heeft zich vervolgens omgedraaid en is weggerend.

Tijdens zijn verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij op 23 november 2007 omstreeks 07.55 uur naar de woning van [naam slachtoffer] is gegaan om haar te vermoorden. Daartoe had verdachte een groot, speciaal gekocht uitklapmes bij zich met een bruin handvat. Hij had het mes al opengeklapt in zijn broekzak gestopt. Hij wilde haar met dit mes doodsteken en daarna zelfmoord plegen. Toen [naam slachtoffer] naar buiten kwam, is verdachte naar haar toegelopen. Hij wilde het uitgeklapte mes uit zijn broekzak pakken. [naam slachtoffer] rende snel weg. Als hij het mes op tijd uit zijn broekzak had gekregen, had hij [naam slachtoffer] vermoord. Het lukte hem niet snel daarom is hij haar ook niet meer achterna gerend.

De rechtbank acht de te laste gelegde feiten onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank gaat uit van de eerste verklaring zoals door die verdachte is afgelegd bij de politie. Deze verklaring is gedetailleerd en geloofwaardig. Deze verklaring vindt bevestiging in de verklaring van [naam slachtoffer]. Aan de door verdachte nadien afgelegde en telkens wijzigende verklaringen hecht de rechtbank geen geloof. Mede omdat zij niet stroken met de aangifte.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet hoeft te blijken dat het mes ‘kennelijk’ bestemd was om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Dit bestanddeel is sinds 1 februari 2007 niet langer een bestanddeel van artikel 46 Wetboek van Strafrecht.

Ook is, niettegenstaande de gediagnosticeerde stoornis van verdachte, niet gebleken dat verdachte zijn wil niet kon bepalen nu daar blijkens vaste jurisprudentie slechts van kon worden gesproken indien bij verdachte elk inzicht in de reikwijdte van zijn handelen ontbreekt. Ook heeft verdachte zich vooraf beraden over de wijze waarop het delict uitgevoerd diende te worden. Uit de aanschaf van een mes leidt de rechtbank af dat het ten laste gelegde delict met voorbedachte rade heeft plaats gevonden.

Uit de verklaringen van [verdachte] en [naam slachtoffer] leidt de rechtbank af dat verdachte bij de woning van [naam slachtoffer] is geweest teneinde haar te vermoorden. [Verdachte] heeft verklaard dat hij daartoe speciaal een mes had gekocht. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte reeds een begin van uitvoering van het delict had gemaakt nu verdachte het open geklapte mes in zijn broekzak had en het ook daadwerkelijk wilde pakken maar de voltooiing van het delict werd belet door de vlucht van het beoogde slachtoffer.

Feit 3

De rechtbank acht feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen nu het bewijs slechts berust op de verklaring van verdachte en het vereiste bewijsminimum als bedoeld in artikel 341, lid 4, Wetboek van Strafvordering niet wordt gehaald.

Feit 4

De rechtbank acht feit 4 niet wettig en overtuigend bewezen. Het bewijs berust deels op enkele verklaring van verdachte. Voorts is niet gebleken dat door verdachte een handeling is verricht die duidt op een begin van uitvoering van het tenlastegelegde delict.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 23 november 2007 (in de gemeen)te Maastricht ter voorbereiding van het misdrijf moord op [naam slachtoffer] opzettelijk een mes (uitklapbaar mes, bruin handvat) bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 23 november 2007 (in de gemeen) te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een door hem, verdachte, (voor deze voorgenomen moord) aangeschaft mes (uitklapbaar mes, bruin handvat) zich heeft begeven naar de woning van die [naam slachtoffer] en die [naam slachtoffer] daar heeft staan opwachten met het opengeklapte mes in zijn broekzak en dat mes uit zijn broekzak heeft gehaald (op het moment dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer] zag aankomen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1. strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: ter voorbereiding van moord opzettelijk een voorwerp, bestemd tot het plegen van dat misdrijf, voorhanden hebben

Feit 2: poging tot moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2. strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door B.Y. van Toorn, psycholoog en I. Matthaei, psychiater, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater een rapport d.d. 12 februari 2008 respectievelijk 6 februari 2008 opgesteld. De rapporteurs hebben overlegd over onderzoek, conclusie en advies. Naar aanleiding van de rapportages zijn door zowel de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank nadere vragen gesteld die op 22 mei 2008 en 14 mei 2008 zijn beantwoord.

Het door deze beide deskundigen uitgebrachte rapport houdt onder meer het volgende in.

Betrokkene is lijdende aan zowel een ziekelijke stoornis in de vorm van een stoornis van Asperger, in combinatie met een depressieve stoornis met vitale kenmerken. De stoornis van Asperger is een aangeboren stoornis waarbij de sociale en emotionele ontwikkeling ernstig verstoord wordt en nauwelijks te beïnvloeden is. Deze stoornis is eveneens aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. De verschijnselen en ernstige beperkingen hebben een doorslaggevende rol gespeeld bij het tenlastegelegde.

Door zijn onvermogen om zijn emoties te herkennen en te duiden, door zijn onvermogen om te communiceren met anderen in combinatie met zijn bizarre en obsessieve gedachtegang is betrokkene op geen enkele wijze in staat geweest om gedragsalternatieven te genereren. Geadviseerd wordt om betrokkene ontoerekeningsvatbaar te achten voor de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank verenigt zich geheel met deze conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare. Nu de bewezenverklaarde feiten de verdachte wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kunnen worden toegerekend, is de verdachte niet strafbaar.

5 De op te leggen maatregel

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging op basis van volledige ontoerekeningsvatbaarheid bepleit en ingestemd met plaatsing in een daartoe geëigende instelling zoals geadviseerd door de deskundigen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Het hiervoor onder 4.2. genoemde rapport van de deskundigen B.Y. van Toorn en I. Matthaei houdt als conclusie en advies het volgende in - zakelijk weergegeven -:

Opname in een gespecialiseerde setting is noodzakelijk. Bij betrokkene is sprake van een psychische stoornis die niet te genezen is en niet of nauwelijks behandelbaar is. Behandeling moet meer gezien worden als begeleiding. De begeleiding dient ook intensief te zijn omdat het de steun en structuur die het gezin van herkomst aan betrokkene tot jong volwassen heeft geboden, dient te vervangen. Als gevolg van de stoornis is het betrokkene niet mogelijk om sociale contacten te maken zodat hij zich altijd buitengesloten en eenzaam zal voelen. Het is niet uit te sluiten dat hij niet opnieuw tot een soortgelijk strafbaar feit overgaat. Het is zelfs mogelijk dat bij herhalende afwijzingen zijn onlustgevoelens toenemen waardoor niet alleen de kans op herhaling maar ook de kans op een meer ernstig feit toeneemt.

Geadviseerd wordt om betrokkene te ontslaan van alle rechtsvervolging en in het kader van een artikel 37 maatregel te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over.

Op grond van de inhoud van vorenbedoelde rapporten en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen is de rechtbank van oordeel, dat de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis eist. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking de ernst en de aard van het begane feit en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 45, 46, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 3 en 4 primair en subsidiair;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is aangegeven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde en ontslaat verdachte op dat onderdeel van alle rechtsvervolging;

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor één jaar;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.M. Beije, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 augustus 2008.

Buiten staat

Mr. M.C.A.E. van Binnebeke is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.