Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BG6698

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
03-700615-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - Veroordeling wegens poging tot moord op een agent, bedreigingen van agenten, poging tot diefstal en diefstal, tot een gevangenisstrat van 7 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700615-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 december 2008

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte].

Gedetineerd PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier te Vught.

Raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is, na wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [Naam slachtoffer1], al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven dan wel heeft geprobeerd [Naam slachtoffer1], politieambtenaar in functie, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

Feit 2: samen met anderen een woninginbraak heeft gepleegd, dan wel samen met anderen heeft geprobeerd een woninginbraak te plegen

Feit 3: samen met anderen heeft ingebroken in een garage

Feit 4 en 5: [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer3] en [Naam slachtoffer4] heeft bedreigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten tenlastegelegd onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 heeft begaan. De officier van justitie is van mening dat verdachte van feit 2 primair moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair is de officier van justitie van mening dat de ‘voorbedachten rade’ bij verdachte aanwezig was. Het feit dat verdachte tussen het voornemen en de uitvoering niet continu heeft toegewerkt naar de poging tot moord, maakt dat niet anders. Verdachte had een plan en op het moment dat de gelegenheid zich voordeed, voerde verdachte zijn voornemen zonder voorbehoud uit.

Met betrekking tot de feiten 4 en 5 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zeer vervelende dreigementen jegens de verbalisanten heeft geuit en het spreekt voor zich dat de verbalisanten zich bedreigd voelden door verdachte, gelet op het feit dat verdachte net daarvoor had geprobeerd een collega te vermoorden.

3.2 Het standpunt van de verdediging

feit 1

De raadsman is van mening dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van voorbedachten rade bij verdachte en dat verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het gebuik van het mes [Naam slachtoffer1] zou komen te overlijden. Wel kan volgens de verdediging (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend worden bewezen (meer subsidiair), met dien verstande dat ook hier geen sprake is van voorbedachten rade.

feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken moet worden. Weliswaar is volgens de raadsman aannemelijk dat verdachte enkele goederen had klaargelegd in de woning, maar nu verdachte de woning niet zelfstandig met de spullen heeft kunnen verlaten, kan slechts de subsidiair tenlastegelegde poging wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verdachte heeft ontkend dat hij enkele spullen had klaargelegd.

feit 3

De raadsman heeft naar voren gebracht dat dit feit bewezen kan worden verklaard, gelet op het feit dat een van de fietssleutels, afkomstig van de weggenomen fietsen, bij verdachte is aangetroffen, de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

feiten 4 en 5

De raadsman heeft met betrekking tot feit 4 aangevoerd dat de rechtbank de vraag moet beantwoorden of de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De omstandigheden waaronder de uitlatingen door verdachte zijn gedaan, spelen bij de beoordeling een rol. De raadsman heeft aandacht gevraagd voor de situatie waarin verdachte zich bevond en is, gelet daarop, van mening dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 5 refereert de raadsman zich wat betreft een eventuele bewezenverklaring met verwijzing naar hetgeen hij onder feit 4 heeft opgemerkt.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 3 oktober 2007 tegen 05.05 uur gaan de verbalisanten [Naam verbalisant B] en [Naam slachtoffer1] naar aanleiding van meldingen over een woninginbraak1 naar de woning aan de [Straatnaam] te Kerkrade. [Naam verbalisant B] heeft de diensthond bij zich. Tijdens het opnemen van de situatie buiten de woning horen zij dat het raam van de woonkamer wordt geopend. Door dit geopende raam ziet [Naam slachtoffer1] een man staan. Omdat deze na vordering daartoe niet naar buiten komt, gaat [Naam verbalisant B] met de diensthond door het raam naar binnen. In de gang van de woning herkent [Naam verbalisant B] verdachte. In afwachting van de komst van [Naam slachtoffer1] zet [Naam verbalisant B] verdachte tegen de muur. Nadat ook [Naam slachtoffer1] binnen is, treden [Naam verbalisant B] en zijn diensthond terug, zodat [Naam slachtoffer1] verdachte kan boeien.2

Over wat daarna is gebeurd, lopen de verklaringen uiteen.

De verbalisant [Naam slachtoffer1] verklaart dat hij met zijn rechterhand verdachte bij diens linkerpols vastpakt om hem te boeien. [Naam slachtoffer1] heeft de boeien in zijn linkerhand. Verdachte draait zich naar [Naam slachtoffer1] toe, waardoor deze recht tegenover hem komt te staan. Daarop probeert [Naam slachtoffer1] met zijn rechterelleboog verdachte weg te duwen. [Naam slachtoffer1] ziet vervolgens dat verdachte zijn rechterhand omhoog heft en dat hij in die hand een mes houdt. Verdachte maakt van bovenaf een stekende beweging in de richting van de nek van [Naam slachtoffer1], waarop [Naam slachtoffer1] met zijn rechterhand een afweerbeweging maakt. Later ziet [Naam slachtoffer1] dat hij snijwonden heeft aan zijn rechterhand.3 De inmiddels gearriveerde verbalisanten [Naam slachtoffer4] en [Naam verbalisant H] zien dat [Naam slachtoffer1] bloedt aan diens rechterhand4.

De verbalisant [Naam verbalisant B] ziet dat [Naam slachtoffer1] verdachte bij zijn linkerarm of linkerhand heeft vastgepakt en hem wil gaan boeien. Hij ziet vervolgens dat verdachte met zijn rechterhand iets onder zijn kleding vandaan haalt en zijn rechterarm in de lucht heft. [Naam verbalisant B] ziet dat verdachte een mes in zijn rechterhand houdt, achter [Naam slachtoffer1] komt en van boven naar beneden een stekende beweging naar diens rug maakt. [Naam verbalisant B] heeft vervolgens de diensthond ingezet; deze heeft verdachte in zijn rechterarm gebeten.5

De verdachte verklaart dat de beide politiemannen min of meer tegelijk in zijn richting komen. Hij wordt tegen de muur geduwd en realiseert zich dat hij wordt aangehouden en weer naar de gevangenis moet. Hij pakt daarop zijn mes dat aan zijn rechterzij in een foedraal aan zijn broekriem hangt. Verdachte weet niet meer of hij het mes met zijn rechter- of met zijn linkerhand pakt; hij vermoedt met links, omdat hij in zijn rechterhand niet meer zo sterk is. Hij wil de agent steken. Hij steekt met kracht onderhands achteruit in de richting van de agent. Kort daarna wordt hij door de hond in zijn rechterarm gebeten.6 Later verklaart verdachte nogmaals dat hij het mes met zijn linkerhand vastpakt7. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 28 november 2008 voegt verdachte daar nog aan toe dat hij het mes met zijn linkerhand pakte, omdat de politiehond al zijn rechterarm vast heeft. Hij wilde echter niet de agenten raken maar de hond, die in zijn arm beet.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring die verdachte met betrekking tot de manier van steken heeft afgelegd. De verklaringen van de verbalisanten zijn op ambtseed opgemaakt. Weliswaar wijken deze op onderdelen van elkaar af, maar komen met elkaar overeen waar zij betrekking hebben op het maken van een bovenhandse stekende beweging met de rechterhand in de richting van de nek/rug [Naam slachtoffer1].

De rechtbank hecht echter vooral geen geloof aan de verklaring van verdachte op grond van diens tegenstrijdige verklaringen over zijn middelengebruik, voorafgaand aan het ten laste gelegde feit, alsmede de op cruciale onderdelen wisselende en wijzigende variaties in diens verklaringen. Ten aanzien van het middelengebruik vertelt verdachte dat hij niet onder invloed was. Daar tegenover staat dat hij verklaart de voorafgaande avond twee puntjes heroïne te hebben gebruikt8. Tevens vertelt verdachte dat hij stukken kwijt is9 door het drinken van een fles Martini10. Ook de getuige [Naam getuige VA] verklaart dat verdachte Martini heeft gedronken. Verdachte is tussen 02.00 en 03.00 uur bij hem gekomen en is tussen 04.00 en 05.00 uur weggegaan.11 Dat verdachte het niet meer precies weet, blijkt ook uit zijn eerste, hiervoor weergegeven verklaring: hij weet niet meer of hij het mes met zijn rechter- of linkerhand heeft gepakt. Ook wisselt wie hij wil steken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, door te handelen als hiervoor door de verbalisanten is beschreven, heeft getracht opzettelijk een ander van het leven te beroven. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte hierbij met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Verdachte heeft voorafgaand aan het hem ten laste gelegde feit aan de getuige [Naam getuige VA] verteld dat hij de eerste beste agent die hij tegenkomt afsteekt en dat als de politie hem zou proberen tegen te houden hij hen af zou steken12. Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat verdachte ook daadwerkelijk een mes bij zich had en dit ook gebruikte. Dit gebruik deed zich voor op het moment dat agenten hem probeerden te boeien of, in de door [Naam getuige VA] weergegeven woorden van verdachte, op het moment dat de politie hem probeerde tegen te houden.

Daarmee is echter nog niet gezegd dat sprake is van een moment van kalm overleg en bedaard nadenken, voorafgaand aan de uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat dit moment er wél is geweest. Immers, [Naam verbalisant B] verklaart dat verdachte tijdens diens aanhouding telkens probeerde weg te lopen en schreeuwde. Dit stopte echter op het moment dat [Naam slachtoffer1] erbij kwam. [Naam verbalisant B] trad vervolgens een tweetal meters terug, waarop [Naam slachtoffer1] trachtte verdachte de boeien om te doen. Op het moment dat [Naam slachtoffer1] trachtte hem de boeien om te doen, probeerde verdachte opnieuw weg te komen van de plaats waar hij stond. Het was ook op dat moment dat verdachte het mes pakte. Verdachte zelf zegt over dit moment: het drong tot hem door dat hij weer naar de gevangenis moest, hij pakte zijn mes, wilde die agent steken en stak met kracht. Hij hoopte dat de verbalisanten hem op dat moment zouden doodschieten, zodat hij niet naar de gevangenis hoefde.13

Op grond van dit relaas stelt de rechtbank vast dat gedurende de aanhouding sprake was van een moment van rust tussen de overdracht van de ene naar de andere verbalisant en dat verdachte zich tijdens het aanbrengen van de handboeien realiseerde dat hij weer de gevangenis in moest, iets dat hij beslist niet meer wilde. Daarop besloot verdachte het mes te pakken en zijn eerdere voornemen een agent “af te steken” uit te voeren, daarbij denkend dat hij dan zou worden doodgeschoten. Kortom, er is bij verdachte sprake van een moment van kalm overleg en bedaard nadenken met betrekking tot zijn handelen, voorafgaand aan de uitvoering.

Daarmee heeft verdachte niet alleen getracht opzettelijk een ander van het leven te beroven, maar dit ook met voorbedachten rade gedaan zodat er sprake is van een poging tot moord.

De raadsman heeft een uitvoerig betoog gehouden voor de situatie dat er geen sprake zou zijn van een poging tot moord. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen en vastgesteld, behoeft hetgeen de raadsman daarbij heeft aangevoerd geen nadere bespreking meer.

Feit 2

In het dossier bevindt zich de aangifte van [Naam slachtoffer5]14. Op 3 oktober 2007 wordt zij omstreeks 05:00 uur wakker van glasgerinkel in haar woning. Zij hoort vervolgens allerlei geluiden op de begane grond en belt 112. Haar zoon [Naam zoon]15 verklaart later dat vanuit de zitkamer enkele spullen verdwenen zijn, welke op de piano in de hal op de benedenverdieping zijn aangetroffen16. Dat waren een telefoon, een weerstation en een schoenendoos met brillen. De verdachte, die zelf verklaart door het gebroken wc-raampje de woning te zijn binnengekomen17, is om 05:20 uur in de woning van aangever [Naam slachtoffer5] op heterdaad aangehouden18. De verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij de auto wilde stelen en daarom de autosleutels wilde bemachtigen19. Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de woning niet met de gereed gelegde goederen, die hij zich met het kennelijke oogmerk daartoe heeft willen toe-eigenen, heeft kunnen verlaten, zodat hij nog niet als heer en meester over de goederen heeft beschikt. Van een voltooide diefstal is derhalve geen sprake, zodat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Wél kan het subsidiair ten laste gelegde bewezen worden verklaard, omdat verdachte immers heeft gepoogd de klaargelegde goederen te stelen.

Feit 3

In het dossier bevindt zich de aangifte van [Naam slachtoffer5]20. Zij verklaart dat uit haar garage drie fietsen zijn gestolen21. Technisch onderzoek heeft uitgewezen dat de onderste ruit van de garagedeur was gebroken en dat de garagepoort openstond22. Gelet op het feit dat de fietsensleuteltjes bij verdachte zijn aangetroffen23 en hij voorts ter zitting heeft verklaard dat hij de fietsen samen met [Naam getuige VA] heeft gestolen, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden.

Feiten 4 en 5

In het dossier bevinden zich de aangiftes van de verbalisanten [Naam slachtoffer3]24, Beuskens25 en [Naam slachtoffer4]26, die verklaren dat de verdachte jegens hen op agressieve wijze de in de tenlastelegging opgenomen woorden heeft gebezigd27. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betreffende uitingen van dien aard en zijn ze gedaan onder zodanige omstandigheden, dat deze geschikt zijn om vrees voor het verlies van het leven te doen ontstaan. In het licht van het voorgaande, namelijk dat de verdachte hieraan voorafgaand gepoogd heeft een hunner collega’s met een mes te vermoorden, valt zeer wel in te zien dat de verbalisanten zich bedreigd hebben gevoeld. De omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het uiten van de bedreigingen geboeid was, maakt dit niet anders.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

hij op 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes met kracht en van korte afstand naar die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair

hij op 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [Straatnaam] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [Naam slachtoffer5], zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak en inklimming, met genoemd oogmerk een aantal spullen (een telefoon en een weerstation en een schoenendoos met brillen) heeft klaargezet en heeft gezocht naar een autosleutel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een garage behorende bij een woning gelegen aan de [Straatnaam] heeft weggenomen fietsen, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

4.

hij op 3 oktober 2007 in de gemeente Heerlen [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer3] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik schiet jullie alle vier kapot";

5.

hij op 3 oktober 2007 in de gemeente Heerlen [Naam slachtoffer4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer4] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik zie nou jouw gezicht, dat vergeet ik nooit meer. Ik koop een geweer en jij bent de eerste die ik kapot schiet. Ik heb vaker op politie geschoten, denk je soms dat ik niet durf? Ik zweer je dat ik jou kapot maak".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

poging tot moord

feit 2 subsidiair:

poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak of inklimming

feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

feit 5:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Ten aanzien van verdachte is door R.J.P. Rijnders, psychiater, en A.J. de Groot, psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen te Utrecht, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater een rapport, gedateerd 26 september 2008, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens;

- dat de tenlastegelegde feiten (indien bewezen) betrokkene volledig kunnen worden toegerekend en er geen sprake is van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank het met de verdediging eens zijn dat vrijspraak voor het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, dan het fundament wegvalt onder een strafoplegging die de duur van de voorlopige hechtenis ver overschrijdt. De overige tenlastegelegde feiten rechtvaardigen volgens de raadsman geen hele lange gevangenisstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Moord is een van de ernstigste delicten die men kan plegen. Een ander zijn kostbaarste bezit, zijn leven, ontnemen wordt dan ook dienovereenkomstig zwaar bestraft. Als dat feit niet wordt voltooid door omstandigheden die buiten de invloed van verdachte liggen – zoals in dit geval - is er sprake van een poging. Ook een dergelijke poging dient zwaar bestraft te worden. De wens van verdachte is immers onverminderd op voltooiing van het feit gericht geweest. Het is niet de verdienste van verdachte dat dit niet is voltooid.

Wel zal de rechtbank bij het vaststellen van de uiteindelijke straf gevolgen verbinden aan de uitkomst van de daad. Tussen een voltooide moord en een poging die eindigt zonder letsel bij het slachtoffer bestaat toch een aanzienlijk verschil en dat verschil weegt mee bij het vaststellen van de strafmaat.

In dit geval is het slachtoffer licht gewond geraakt aan zijn hand. Afgezet tegen het voltooide feit zijn de gevolgen dus gering geweest. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank op grond van uitspraken in andere zaken als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

Het feit is gepleegd tegen een politieagent in functie in het kader van verzet bij de aanhouding. Politieagenten handhaven het gezag van de overheid en de veiligheid in de maatschappij. Dat is een zware taak, die zij in veiligheid moeten kunnen verrichten. Een wezenlijk verschil met burgers die aan een poging tot moord zijn bloot gesteld is dat deze dat meestal niet in het kader van hun beroepsuitoefening meemaken. Voor een politieambtenaar in functie ligt dat echter anders. Als hij weer gaat werken, kan hij in principe direct weer in een dergelijke situatie terechtkomen. De invloed op het dagelijks functioneren is dan ook enorm en die invloed kan jaren duren.

Handelen zoals dat van verdachte is dan ook onder geen enkele omstandigheid verontschuldigbaar. Hoewel de fysieke gevolgen voor de agent gering zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat een straf die normaal bij poging tot moord zou passen de ernst van het feit niet voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien dient niet alleen verdachte duidelijk gemaakt te worden hoe fout hij heeft gehandeld. Ook anderen dienen in het kader van de generale preventie er van doordrongen te zijn dat dergelijk gedrag niet tolereerbaar is en strafrechtelijk zware gevolgen heeft. Een en ander brengt de rechtbank er toe een zwaardere straf op te leggen dan het hiervoor genoemde uitgangspunt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook de inbraak gedurende de nachtelijke uren in een woning waarvan de bewoners aanwezig zijn zodanig ernstig is dat dit gevolgen moet hebben voor de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de inbraak ernstige gevolgen voor de bewoners heeft. Hun gevoelens van angst en onveiligheid hebben zich niet beperkt tot de betreffende nacht.

Tot slot tilt de rechtbank zwaar aan de aard van de bedreigingen die zijn geuit in de richting van de politiemensen die verder bij de aanhouding waren betrokken. De rechtbank stelt in dat verband vast dat uit het aan de bewezenverklaarde poging tot moord ten grondslag liggende feitencomplex moet worden afgeleid dat de verdachte geen loze woorden bezigde, maar zeer wel in staat was de daad bij het woord te voegen.

Op grond van voornoemde omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en noodzakelijk. Zij zal deze gevangenisstraf dan ook opleggen.

Hieruit volgt dat de rechtbank de officier van justitie niet volgt in de door hem geëiste gevangenisstraf van 20 jaar. De rechtbank acht een dergelijke straf voor deze feiten veel te fors. Hiervoor heeft de rechtbank al duidelijk gemaakt dat zij de feiten, evenals de officier van justitie, bijzonder ernstig acht. Een straf als door de officier van justitie geëist staat echter volledig los van straffen die in dergelijke gevallen door rechtbanken plegen te worden opgelegd. De officier van justitie heeft geen uitspraken overgelegd of genoemd waaruit kan blijken dat dit anders zou zijn.

6 De benadeelde partij

Benadeelde partij [Naam slachtoffer1]

De benadeelde partij [Naam slachtoffer1], p/a Politie Limburg Zuid, Postbus 1230, 6201 BE Maastricht, vordert een schadevergoeding van € 9.785,17 ter zake van feit 1.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 453,40 (ter zake de posten: reiskosten eigen auto ad € 100,92 + diversen ad € 24,00 + reiskosten naar AZM en advocaat ad € 34,08 + verlies no-claim ad € 243,00 + reiskosten AZM d.d. 12 november 2007 ad € 19,70 + reiskosten bedrijfsarts ad € 31,70).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00. De rechtbank zal het meer gevorderde afwijzen.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het totaal-bedrag van € 2.453,40 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 3 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering ten aanzien van de posten ‘derving loonkosten’ ad € 171,95 en ‘het verlies aan arbeidsvermogen 2008’ ad €175,95 niet van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij, voor zover het dit deel van de vordering betreft, niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering wat betreft de post ‘huishoudelijke zorg/mantelzorg’ ad € 672,00 afwijzen.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op.

Ten slotte zal de rechtbank de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden tot heden begroot op € 500,00 ter zake kosten van rechtsbijstand, overeenkomstig het in civiele procedures gebruikelijke liquidatietarief sectoren kanton (1 punt wegens correspondentie en 1 punt wegens toelichting vordering ter zitting).

Benadeelde partij [Naam slachtoffer5]

De benadeelde partij [Naam slachtoffer5], [Adresgegevens slactoffer5], vordert een schadevergoeding van € 1564,90 terzake van feiten 2 en 3.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door de hiervoor onder 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.564,90 (€ 1.064,90 + € 500,00).

Nu aan de verdachte ter zake van deze feiten een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het bedrag van € 1.564,90 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 3 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen foedraal zal worden onttrokken aan het verkeer en de in beslag genomen fietssleutels aan aangeefster [Naam slachtoffer5] zullen worden teruggegeven.

Het in beslag genomen foedraal is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het een voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan. Het foedraal zal dan ook aan het verkeer worden onttrokken.

De in beslag genomen fietssleutels zullen aan de rechthebbende [Naam slachtoffer5], [Adresgegevens slachtoffer5] worden teruggegeven.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 285, 289, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 2 primair;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 12, te weten een foedraal;

- gelast de teruggave van het inbeslaggenomene aan [Naam slachtoffer5], [Adresgegevens slachtoffer5], te weten 2 fietssleutels (nummer 11 op voornoemde beslaglijst).

Benadeelde partijen

[Naam slachtoffer1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], p/a Postbus 1230, 6201 BE Maastricht, te betalen een bedrag van € 2.453,40, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 3 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] ter zake de posten ‘derving loonkosten’ en ‘verlies aan arbeidsvermogen 2008’ in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], ter zake de post ‘huishoudelijke zorg/mantelzorg’;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], ter zake het meer verzochte betreffende de post ‘smartengeld’;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer1] € 2.453,40 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 49 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt de verdachte in de kosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a Sv, tot heden begroot op € 500,00 en ter zake kosten van rechtsbijstand alsnog te maken;

[Naam slachtoffer5]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer5], Adresgegevens slachtoffer5], te betalen een bedrag van € 1.564,90, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 3 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer5] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer5] € 1.564,90 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 31 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer5] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 december 2008.

Buiten staat

Mr. F.A.G.M. Vluggen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

---------------------------------------------------

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht en van korte afstand) naar die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht en van korte afstand) naar die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer1], hoofdagent van politie, gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht en van korte afstand) naar die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [Straatnaam] heeft weggenomen sierraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [Straatnaam] weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met genoemd oogmerk een aantal spullen (onder meer een telefoon en/of een weerstation en/of een schoenendoos met brillen) heeft/hebben klaargezet en/of heeft/hebben gezocht naar een autosleutel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een garage behorende bij een woning gelegen aan de [Straatnaam] heeft weggenomen 3, in elk geval een of meer fietsen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Heerlen [Naam slachtoffer2] en/of [Naam slachtoffer3] [Naam slachtoffer4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer2] en/of [Naam slachtoffer3] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik schiet jullie alle vier kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 3 oktober 2007 in de gemeente Heerlen [Naam slachtoffer4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer4] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik zie nou jouw gezicht, dat vergeet ik nooit meer. Ik koop een geweer en jij bent de eerste die ik kapot schiet. Ik heb vaker op politie geschoten, denk je soms dat ik niet durf? Ik zweer je dat ik jou kapot maak", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

--------------------------------------

1 Proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2007, nr. 2007141437-30, waarin verslag wordt gedaan van het beluisteren van de cd-rom waarop de genoemde meldingen zijn vastgelegd (pagina 15 van het zaaksdossier).

2 Proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2007, nr. 2007141437-2 (pagina’s 17 tot en met 19).

3 Proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2007, nr. 2007141437-2 (pagina’s 19 tot en met 21). Proces-verbaal van aangifte van 4 oktober 2007, nr. 2007141437-22 (pagina 177).

4 Proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2007, nr. 2007141437-22 (pagina 25).

5 Proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2007, nr. 2007141437-2 (pagina’s 20 tot en met 21).

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-21 (pagina 244).

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris van 5 oktober 2007.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris van 5 oktober 2007

9 Naar de rechtbank begrijpt, zegt de verdachte dat hij stukken kwijt is uit zijn geheugen.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 november 2007, nr. 2007141437-62 (pagina 253).

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige van 1 november 2007, nr. 2007141437-54 (pagina 236).

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige van 1 november 2007, nr. 2007141437-54 (pagina 236).

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-21 (pagina 244).

14 Proces-verbaal van verhoor aangever van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-26 (pagina’s 173 en 174)

15 Proces-verbaal van verhoor getuige van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-20 (pagina’s 228 tot en met 230)

16 Proces-verbaal van verhoor getuige van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-19 (pagina’s 225 tot en met 227)

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-21 (pagina’s 241 tot en met 246)

18 Proces-verbaal van aanhouding van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-14 (pagina’s 239 en 240) en proces-verbaal van bevindingen van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-2 (pagina’s 17 tot en met 22)

19 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 28 november 2008.

20 Proces-verbaal van aangever van 3 oktober 2007, nr. 2007141437-18 (pagina’s 175 en 176)

21 De rechtbank begrijpt: op 3 oktober 2007.

22 Proces-verbaal relaterende forensisch onderzoek van 22 oktober 2007, nr. 2007141437-29 (pagina’s 49 tot en met 59)

23 Proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2007, nr. 2007141437-41 (pagina’s 47 en 48)

24 Proces-verbaal van aangifte van 11 oktober 2007, nr. 2007141437-58 (pagina’s 192 en 193)

25 Proces-verbaal van aangifte van 11 oktober 2007, nr. 2007141437-59 (pagina’s 195 en 196)

26 Proces-verbaal van aangifte van 11 oktober 2007, nr. 2007141437-37 (pagina’s 189 tot en met 191)

27 Proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2007, nr. 2007141437-42 (pagina’s 23 tot en met 28)