Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BG6514

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
133730
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het door bureau jeugdzorg overgelegde indicatiebesluit en het evaluatieverslag komt een ander beeld naar voren dan uit het door bureau jeugdzorg overgelegde werkplan.

De kinderrechter stelt voorop dat uit artikel 1: 261 lid 2 BW volgt dat het verzoek tot uithuisplaatsing van strekt tot effectuering van het indicatiebesluit waarbij voor hem de aanspraak op deze vorm van jeugdzorg is gevestigd. In verband hiermee wordt in dezelfde bepaling voorts bepaald dat het indicatiebesluit bij het verzoekschrift dient te worden overgelegd. Naar het oordeel van de kinderrechter wijst de wettelijke regeling er zelf al op dat de toewijzing van het verzoek om uithuisplaatsing zich in beginsel niet kan uitstrekken tot een periode gelegen na het vervallen van de geldigheid van het indicatiebesluit. Het antwoord op de vraag of deze tekortkoming door bureau jeugdzorg nog kan worden opgevangen door vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het indicatiebesluit een nieuw besluit te nemen dat aanspraak op de beoogde jeugdzorg voor de resterende termijn van de beoogde uithuisplaatsing vestigt, zal de kinderrechter thans nog in het midden laten. Naar het oordeel van de kinderrechter is in de door de moeder aangevoerde bijkomende omstandigheden – de bij haar gewekte onzekerheid met betrekking tot de mogelijkheid van een terugplaatsing van de minderjarige voordat hij de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt – al voldoende aanleiding gelegen om de periode waarvoor de gevraagde machtiging wordt verleend te beperken tot de geldigheidsduur van het indicatiebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 4 december 2008

Zaaknummer: 133730 / OT RK 08-1574

BESCHIKKING OP VERZOEK VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING EN MACHTIGING UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de [de minderjarige]:

[naam minderjarige], geboren te Heerlen op 28 oktober 2006,

verder te noemen [de minderjarige],

kind van:

[naam moeder minderjarige], wonende te [adres moeder minderjarige],

advocaat mr. E.J.A. Roeleven,

en

[naam vader minderjarige], wonende te [adres vader minderjarige]

1. Verloop van de procedure

Op 3 oktober 2008 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 november 2008.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige] is geboren uit de relatie tussen de moeder en de vader.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. Het kind verblijft bij pleegouders.

Bij beschikking van 17 april 2008 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 10 mei 2008 laatstelijk verlengd tot 6 december 2008.

Bij beschikking van 17 april 2008 van de kinderrechter is de machtiging uithuisplaatsing laatstelijk verlengd tot 6 december 2008.

[de minderjarige] verblijft sinds 10 mei 2007 bij pleegouders.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor een periode van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een perspectiefbiedend pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de [heer S.] namens bureau jeugdzorg – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat moeder thans aan een groot aantal van de door de gezinsvoogd gestelde voorwaarden inzake huisvesting, inkomen e.d. voldaan heeft. Moeder weigert echter een psychologisch onderzoek te ondergaan. Ze heeft wel contact opgenomen met de Mondriaan Zorggroep maar weigert zich te laten behandelen. Voor bureau jeugdzorg is het thans onduidelijk wat de pedagogische vaardigheden zijn van moeder.

3.3

Mr. Roeleven heeft namens de moeder gesteld dat er geen bezwaren zijn tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

Moeder heeft wel bezwaar tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een pleeggezin teneinde [de minderjarige] aldaar tot zijn vijfde jaar de hechtingsfase te laten doormaken.

Mr. Roeleven heeft aangegeven dat dit laatste in strijd is met het wettelijk uitgangspunt van de uithuisplaatsing: namelijk bewerkstelligen dat het kind weer thuis geplaatst kan worden bij de ouder(s).

Overigens heeft moeder voldaan aan de door de gezinsvoogd gestelde voorwaarden voor thuisplaatsing van [de minderjarige].

Daarnaast heeft moeder sinds afgelopen maand slechts twee uur per maand, dit was eerst een uur per maand, omgang met [de minderjarige]. Dit is te weinig. [de minderjarige] kan zich niet hechten aan moeder; vervreemdt zelfs van moeder. Mr. Roeleven heeft in dezen verwezen naar een verslag van maart 2007 van Xonar waarin geadviseerd wordt om de bezoekfrequentie van moeder aan [de minderjarige] uit te breiden.

Mr. Roeleven heeft verzocht, indien de kinderrechter het verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing toewijsbaar acht, slechts te verlengen tot het einde van de geldigheidsduur van het indicatiebesluit d.d 7 maart 2008, te weten 14 maart 2009.

3.4

De pleegouder van [de minderjarige], mevrouw [O.], heeft ter zitting aangegeven open te staan voor een uitbreiding van de bezoekregeling van moeder aan [de minderjarige]; de bezoeken kunnen zelfs bij hen thuis plaatsvinden.

4. Beoordeling

Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen.

Met betrekking tot het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter als volgt.

Ingevolge artikel 1: 261 lid 1 Burgerlijk wetboek (BW) kan de kinderrechter de stichting bureau jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Als uitgangspunt staat voorop dat deze maatregel alleen kan worden getroffen indien deze met het oog op het herstel van de gezinsband noodzakelijk is ter afwering van de bedreiging bedoeld in artikel 1: 254 lid 1 BW. Dat neemt niet weg dat hoe jonger het kind is, des te belangrijker het is dat duidelijk is wie langdurig voor het kind als verzorgende ouder zal functioneren in verband met de gewenste wederzijdse hechting van kinderen en verzorgers. De kinderrechter verwijst in dit verband naar artikel 20 lid 3, tweede volzin, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

De kinderrechter stelt vast dat in het door bureau jeugdzorg overgelegde werkplan, in overeenstemming met het daaromtrent bepaalde in artikel 43 lid 4 Wet op de jeugdzorg aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de verblijfplaats van [de minderjarige]. In dit plan is vermeld dat op 25 september 2008 een bespreking in het zogenoemde MDO heeft plaatsgevonden, waarbij is geconcludeerd dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij zeker tot de leeftijd van vijf jaar verder opgroeit in het huidige pleegezin. Daarbij is opgemerkt dat [de minderjarige] zich momenteel midden in de hechtingsfase bevindt en dat hij deze moet kunnen doorzetten tot de leeftijd van vijf jaar om een verdere positieve ontwikkeling te garanderen. Voorts blijkt uit dit plan dat de aan de moeder gestelde voorwaarden met betrekking tot de gewenste verbetering van haar levenssituatie in relatie worden gebracht tot een mogelijke uitbreiding van de omgangsregeling, maar dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat [de minderjarige] terugkeert naar de moeder.

Uit het door bureau jeugdzorg overgelegde indicatiebesluit en het evaluatieverslag komt echter een ander beeld naar voren. Uit de verslaglegging maakt de kinderrechter op dat bureau jeugdzorg de mogelijkheid van een eventuele terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder uitdrukkelijk heeft opengehouden en deze afhankelijk heeft gesteld van de mate waarin de moeder haar leven weer op orde kan krijgen. Dat moeder hiervoor de laatste tijd haar uiterste best heeft gedaan is tussen partijen niet in geding. Mede in verband met deze constatering heeft de moeder zich bij monde van haar advocaat op het standpunt gesteld dat de maatregel van uithuisplaatsing in elk geval niet langer mag duren dan tot het moment waarop de geldigheidsduur van het indicatiebesluit verstrijkt.

Met betrekking tot dit laatste argument stelt de kinderrechter voorop dat uit artikel 1: 261 lid 2 BW volgt dat het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] strekt tot effectuering van het indicatiebesluit waarbij voor hem de aanspraak op deze vorm van jeugdzorg is gevestigd. In verband hiermee wordt in dezelfde bepaling voorts bepaald dat het indicatiebesluit bij het verzoekschrift dient te worden overgelegd. Naar het oordeel van de kinderrechter wijst de wettelijke regeling er zelf al op dat de toewijzing van het verzoek om uithuisplaatsing zich in beginsel niet kan uitstrekken tot een periode gelegen na het vervallen van de geldigheid van het indicatiebesluit. Het antwoord op de vraag of deze tekortkoming door bureau jeugdzorg nog kan worden opgevangen door vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het indicatiebesluit een nieuw besluit te nemen dat aanspraak op de beoogde jeugdzorg voor de resterende termijn van de beoogde uithuisplaatsing vestigt, zal de kinderrechter thans nog in het midden laten. Naar het oordeel van de kinderrechter is in de door de moeder aangevoerde bijkomende omstandigheden – de bij haar gewekte onzekerheid met betrekking tot de mogelijkheid van een terugplaatsing van [de minderjarige] voordat hij de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt – al voldoende aanleiding gelegen om de periode waarvoor de gevraagde machtiging wordt verleend te beperken tot de geldigheidsduur van het indicatiebesluit, dat wil zeggen tot 14 maart 2009. De kinderrechter acht het van groot belang dat tijdens de loop van de nu gegeven machtiging goed en op ondubbelzinnige wijze met de moeder wordt gecommuniceerd of en zo ja wanneer het reëel is dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar is te verwachten.

De kinderrechter zal het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing dan ook toewijzen, echter slechts tot 14 maart 2009, de datum waarop de geldigheid van het indicatiebesluit verloopt.

5. Beslissing:

Verlengt de termijn waarvoor voornoemde minderjarige onder toezicht is gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 6 december 2008 voor één jaar.

Verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij pleegouders met ingang van

6 december 2008 tot 14 maart 2009.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op

4 december 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.