Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BG2967

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-10-2008
Datum publicatie
04-11-2008
Zaaknummer
133591 / KG ZA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schilderij; Art 25 lid 1 onder de Auteurwet; Aantasting?; Contractuele aanspraak?; Schending eer en goede naam?; 1019h Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 30 oktober 2008

Zaaknummer : 133591 / KG ZA 08-423

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[Eiser in kort geding],

wonende te [woonplaats],

eiser in kort geding,

advocaat mr. R.W.E.J. Luijten;

tegen:

het publiekrechtelijk lichaam PROVINCIE LIMBURG,

zetelende te Maastricht,

gedaagde in kort geding,

advocaat mr. H.J.M. Boukema, kantoor houdende te ’s-Gravenhage,

procesadvocaat mr. Ch.M.E.M. Paulussen.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, [naam eiser], heeft gedaagde, hierna te noemen “de provincie”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 16 oktober 2008, heeft [Eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties en naar ter terechtzitting overgelegde foto’s aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten.

De provincie heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties en naar ter terechtzitting overgelegde foto’s, waarna partijen op elkaars stellingen hebben gereageerd.

Ten slotte heeft [Eiser] om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Bij brief van 9 mei 1990 heeft de provincie aan [Eiser] opdracht gegeven tot het vervaardigen van een geschilderd portret van [naam gouverneur]. De aanleiding daarvoor was het aanstaande afscheid van [Naam gouverneur] als gouverneur van Limburg. [Eiser] heeft bedoeld schilderij vervaardigd overeenkomstig de daartoe aan hem verstrekte opdracht.

Het schilderij is in mei 1991 bij gelegenheid van een ceremonie protocollaire opgehangen in het provinciehuis, en wel in de “Galerij der Gouverneurs”, zijnde een schilderijenreeks van portretten van onder andere opeenvolgende gouverneurs van Limburg, verspreid over verschillende ruimtes. Aldaar heeft het schilderij gehangen tot 13 juni 2008, derhalve gedurende in ieder geval 17 jaar. Op voormelde datum is het schilderij uit de galerij verwijderd en elders in het provinciehuis opgehangen. In de Galerij der Gouverneurs hangt op de plek waar voorheen het door [Eiser] geschilderde portret hing, thans een nieuw portret van [Naam gouverneur]. Dit portret is in 2008 geschilderd.

2.2 Op 21 juni 2008 hebben de media Dagblad de Limburger, Limburgs Dagblad en de lokale omroep L1, het bericht verspreid dat bedoeld portret van de galerij is verwijderd en in plaats daarvan een nieuw portret van [Naam gouverneur] is opgehangen, waarbij is aangegeven dat de provincie [Naam gouverneur] wil herdenken als bouwmeester en het door [Eiser] vervaardigde portret “niet de juiste uitstraling” had. Ook is vermeld dat het door [Eiser] geschilderde portret een andere plek in het provinciehuis krijgt.

[Eiser] heeft via bedoelde mediaberichten vernomen dat het door hem geschilderde portret van [Naam gouverneur] uit de Galerij der Gouverneurs is verwijderd. Met hem is hierover geen overleg gevoerd.

2.3 [Eiser] heeft de provincie gesommeerd om het portret binnen drie weken terug te plaatsen in voormelde galerij en het portret ook aldaar teruggeplaatst te houden. De provincie weigert aan de sommatie gevolg te geven.

2.4 [Eiser] stelt –kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

2.4.1 Met het verwijderen van het portret handelt de provincie in strijd met de aan [Eiser] gegeven opdracht en de (ten tijde van de opdracht) aan het portret gegeven (mondeling overeengekomen) bestemming van het portret, namelijk plaatsing en opname in de Galerij der Gouverneurs. Daarnaast is er sprake van aantasting in de zin van het bepaalde in artikel 25 lid 1 onder d van de Auteurswet (Aw). De provincie handelt daarmee onrechtmatig jegens [Eiser]. [Eiser] lijdt hierdoor schade.

2.4.2 Door de in het persbericht gebezigde woorden “niet de juiste uitstraling” tussen aanhalingstekens te plaatsen, wordt aangegeven dat het gaat om een citaat van de provincie. Deze woorden, en de volgens de provincie door haar gebezigde woorden “niet de juiste statuur”, hebben een duidelijk negatieve klank en houden een diskwalificatie in van het werk van [Eiser], hetgeen ook zo door de lezers is opgevat. Voormelde bewoordingen zijn grievend en diffamerend ten aanzien van [Eiser]. Hiermee handelt de provincie onrechtmatig jegens [Eiser]. Als de provincie bedoelde uitlatingen niet heeft gedaan, dan handelt de provincie onrechtmatig door niet in de media afstand te nemen van deze uitlatingen. Door bedoeld onrechtmatig handelen lijdt [Eiser] schade, bestaande uit de aantasting van zijn eer en goede naam als kunstenaar.

2.4.3 [Eiser] heeft een spoedeisend belang bij na te melden vordering.

2.5 Op grond van het vorenstaande heeft [Eiser] gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (“bij vonnis”, zo begrijpt de voorzieningenrechter, vrzgr.) uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

1. de provincie gebiedt om binnen vijf werkdagen na betekening van het in dezen te

wijzen vonnis het door [Eiser] bij gelegenheid van het afscheid van [naam gouverneur] als gouverneur vervaardigde portret terug te plaatsen op de oorspronkelijke plaats in de zogenoemde galerij der Gouverneurs in het Gouvernement aan de Maas en aldaar geplaatst te houden op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de provincie in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, althans op straffe van een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

2. de provincie veroordeelt om binnen vijf werkdagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis een rectificatie te plaatsen in dagblad de Limburger en het Limburgs Dagblad inhoudende dat de provincie nadrukkelijk afstand neemt van de in deze media als citaat van de provincie gepresenteerde bewoordingen: “onjuiste uitstraling” ten aanzien van het door [Eiser] vervaardigde portret van [naam gouverneur] op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,- per dag dat de provincie in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, althans op straffe van een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

3. de provincie veroordeelt om aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te

voldoen een bedrag van € 1.000,00 als voorschot op de door [Eiser] tengevolge van de handelwijze van de provincie jegens [Eiser] geleden en nog te lijden schade althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

4. de provincie veroordeelt in de kosten van dit geding.

2.6 De vordering wordt door de provincie weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Vast staat dat de provincie tevreden was, en nog steeds is, met het het door [Eiser] geschilderde portret van [Naam gouverneur]. De beschrijvende tekst in het gedenkboek over het Gouvernementsgebouw spreekt van “feilloos geportretteerd”, zo heeft de provincie ter terechtzitting aangegeven.

De provincie heeft het door [Eiser] geschilderde portret verplaatst omdat zij thans van oordeel is dat de bijzondere historische rol van [Naam gouverneur] als strijdvaardig bestuurder en als bouwheer van het Gouvernement aan de Maas een andere artistieke benadering nodig had. De conservator vindt dat het nieuwe portret van [Naam gouverneur] daarom beter past bij het architectonisch karakter van de Galerij. Het “oude”, wat meer statische, portret van [Naam gouverneur] zou volgens de conservator, gelet op lijnen en kleurstelling van het schilderij, beter passen op de huidige locatie, te weten bij de ingang van de centrale hal van het Gouvernementsgebouw tegenover de geplaatste gedenksteen ter gelegenheid van de eerste-steenlegging door [Naam gouverneur].

3.2 Kernvraag in onderhavige zaak is of de provincie het door [Eiser] geschilderde portret van [Naam gouverneur] mocht verplaatsen naar de huidige locatie.

De provincie beantwoordt die vraag bevestigend, [Eiser] ontkennend. Daaraan legt [Eiser] ten eerste de (ten tijde van de opdracht) aan het portret gegeven (mondeling overeengekomen) bestemming van het portret, namelijk plaatsing en opname in de Galerij der Gouverneurs, ten grondslag. Ten tweede stelt hij dat er met de verplaatsing sprake is van aantasting van zijn werk als bedoeld in artikel 25 lid 1 onder d Aw.

Allereerst dient derhalve de vraag te worden beantwoord wat partijen ten aanzien van de locatie van bedoeld portret zijn overeengekomen. Volgens de provincie hebben partijen terzake geen afspraak gemaakt, weshalve de provincie zelf mocht bepalen waar zij het schilderij zou tentoonstellen, hetgeen uiteindelijk de Galerij der Gouverneurs is geworden. Volgens de provincie is eerst ná het voltooien van het schilderij, door de provincie eenzijdig een besluit genomen over een geschikte plaats voor het portret.

[Eiser] deelt deze visie van de provincie niet. Hij stelt dat uit de brief van opdrachtverlening weliswaar niet volgt dat partijen een locatie hadden afgesproken, maar dat dit niet in die brief staat weergegeven omdat dit voor partijen helder was. Volgens [Eiser] hebben partijen voorafgaande aan de opdracht al in mondelinge contacten afgesproken, althans volgt uit deze contacten, dat het schilderij bestemd was voor de Galerij der Gouverneurs, en wel voor de locatie waar dat schilderij gedurende 17 jaar ook daadwerkelijk heeft gehangen.

De voorzieningenrechter oordeelt terzake een en ander als volgt.

Tussen partijen is in confesso dat er (bij de opdrachtverlening) niet schriftelijk is vastgelegd dat de gemeente zich heeft verplicht het schilderij op bedoelde locatie te hangen. Alsdan komt het aan op de vraag of partijen terzake mondelinge afspraken hebben gemaakt, welke vraag [Eiser] bevestigend, en de provincie ontkennend, beantwoordt.

Voor beide visies zijn aanwijzingen te vinden. Een aanwijzing voor de juistheid van de visie van [Eiser], is te lezen in de brief waarin de provincie opdracht aan [Eiser] verleent tot het schilderen van het portret:

“Te zijner tijd pleeg ik graag overleg over de lijst van het portret, die gelijk zal moeten worden aan de lijsten van de reeds aanwezige doeken”.

Ook een krantenartikel uit de Limburger en het Limburgs Dagblad van kort na mei 1991, biedt aanwijzingen. Aldaar wordt het college van Gedeputeerde Staten geciteerd voor wat betreft hun keuze voor [Eiser] :

“omdat diens naturalistische werk past in de reeks van al hangende portretten”.

Een aanwijzing voor de juistheid van de visie van de provincie, is te lezen in de op schrift gestelde toespraak van 17 mei 1991:

“We hebben even getwijfeld waar we het schilderij zouden hangen.”

Volgens [Eiser] dient laatste zin slechts als een kwinkslag richting [Naam gouverneur] te worden beschouwd. Hoe dit ook zij, een tussen partijen gemaakte afspraak omtrent de bestemming van het portret, kan op basis van het voorgaande niet zonder nader onderzoek naar feiten en omstandigheden aannemelijk worden geacht.

Reeds gelet hierop kan het gevorderde niet worden toegewezen op basis van de eerste grondslag, te weten een contractuele aanspraak. Dat het volgens [Eiser] al voorafgaande aan de opdracht duidelijk was dat het schilderij bestemd was voor de Galerij der Gouverneurs, is door de provincie betwist, en daarmee zonder nader onderzoek eveneens niet aannemelijk, nog daargelaten de vraag of het louter duidelijk zijn van een bestemming voor een portret, maakt dat de schilder een dergelijke locatie kan “afdwingen” zonder dat aan die bestemming een uitdrukkelijke overeenkomst ten grondslag ligt.

Doch zelfs als partijen wél zouden hebben afgesproken dat het schilderij in de Galerij der Gouverneurs moest komen te hangen, rijst de vraag of dit dan ook zonder meer betekent dat het schilderij aldaar onder alle omstandigheden tot in lengte van dagen zou moeten blíjven hangen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit in het onderhavige geval niet het geval is, mede gelet op het hierna onder 3.3 overwogene.

3.3 [Eiser] keert zich voorts tegen de verplaatsing van het door hem vervaardigde schilderij op grond van artikel 25 lid 1 sub d Aw. Hij stelt dat vanwege het feit dat het portret is vervaardigd voor een specifieke plaats, verwijdering van het werk een aantasting van het werk oplevert. Zo deze stelling al niet faalt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen

–hetgeen de voorzieningenrechter van oordeel is- oordeelt de voorzieningenrechter dat een aantasting als bedoeld in voormeld artikel, mede gelet op het gemotiveerde verweer zijdens de provincie, niet aannemelijk is gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou een verplaatsing van een schilderij onder omstandigheden een aantasting als bedoeld in artikel 25 Aw kunnen opleveren, doch is dit in casu niet het geval. [Eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de verplaatsing, zijn eer en goede naam zou kunnen worden aangetast. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het schilderij niet is verplaatst naar bijvoorbeeld “de kolenkelder”, doch naar de centrale hal van het Gouvernementsgebouw, alwaar het bij de ingang van die hal is tentoongesteld tegenover de geplaatste gedenksteen ter gelegenheid van de eerste-steenlegging door [Naam gouverneur]. Als onbetwist staat vast dat dit een prominente plek is die bezoekers bij zowel het binnengaan als bij het verlaten van het Gouvernementsgebouw passeren.

In dit verband overweegt de voorzieningenrechter nog dat de facto onduidelijk is welk belang [Eiser] nu eigenlijk heeft bij zijn vordering onder 1, gelet op het feit dat als onweersproken vast staat dat het schilderij in de hal een veel grotere toegang heeft tot het publiek dan toen het nog in de Galerij hing. Anders gezegd: in de centrale hal komen meer bezoekers dan in de Galerij. Het ligt toch in de rede dat het de wens van een schilder is om zijn werken aan een zo groot mogelijk publiek te tonen.

Dat [Eiser] meent dat de historische balans van de portrettenreeks verdwenen is met het vervangen van het door hem geschilderde portret door een portret dat in 2008 is vervaardigd, moge wellicht juist zijn, doch als uitgangspunt heeft te gelden dat, bij gebrek aan (aannemelijkheid van) een afspraak over waar een schilderij moet komen te hangen, het de eigenaar van een portret is die mag bepalen waar hij een portret ophangt. Bovendien is onduidelijk hoe [Eiser] wordt benadeeld door het verdwijnen van de “historische integriteit van de portrettenreeks”.

De voorzieningenrechter begrijpt dat [Eiser] op zijn zachtst gezegd teleurgesteld is over het feit dat de provincie het portret heeft verplaatst zonder hierover overleg met [Eiser] te voeren. Hoewel de voorzieningenrechter die teleurstelling kan begrijpen, kan dit enkele feit er niet toe leiden dat een verplaatsing onrechtmatig is.

3.4 Op grond van al het voorgaande dient de vordering tot terugplaatsing van het schilderij te stranden.

3.5 De vorderingen onder 2 en 3 zijn eenzelfde lot beschoren. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Artikel 10 EVRM waarborgt in lid 1 de uitingsvrijheid en geeft in lid 2 aan onder welke voorwaarden en voor welke doeleinden de uitingsvrijheid mag worden beperkt. Beperkingen aan de uitingsvrijheid dienen derhalve te worden getoetst aan artikel 10 lid 2 EVRM. [Eiser] baseert zijn vordering op schending van zijn eer en goede naam. Onder andere artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 10 lid 2 EVRM, strekken ter bescherming van de eer en goed naam van in casu [Eiser]. De thans gevorderde rectificatie is een sanctie als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM die de uitingsvrijheid beperkt. Alsdan rijst de vraag of die beperking is toegestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de door de provincie gedane uitlating “niet de juiste statuur” over het door [Eiser] geschilderde portret niet grievend of diffamerend, mede gelet op het verband waarin zij is gedaan en gelet op de aard van de uiting, zijnde een waardeoordeel over een schilderij, en de inhoud daarvan. Ook van de van deze zinsnede door de pers gemaakte zinsnede “niet de juiste uitstraling”, oordeelt de voorzieningenrechter dat een dergelijke uitlating, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet grievend of diffamerend is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt de eer en goede naam van [Eiser] door bedoelde uitingen niet aangetast. Een inbreuk op het uiten van die zinsnede, acht de voorzieningenrechter dan ook niet noodzakelijk of gerechtvaardigd. Een rectificatie of schadevergoeding is derhalve niet aan de orde.

3.6 [Eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

De provincie heeft bepleit dat de proceskosten ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dienen te worden gesteld op € 6.000,-. [Eiser] heeft daartegen aangevoerd dat met de gebruikelijke forfaitaire kostenveroordeling kan worden volstaan. De voorzieningenrechter deelt wat dit betreft de visie van [Eiser]. In casu is er allereerst sprake van een gemengde vordering. De vordering onder 1 is namelijk mede gebaseerd op –kort gezegd- wanprestatie, en aan de vorderingen onder 2 en 3 ligt (mede) onrechtmatig handelen (schending van de eer en goede naam) ten grondslag. Voor zover onderhavige geschil raakt aan het intellectuele eigendomsrecht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aard van het geschil, en de moeilijkheidsgraad van de zaak, maken dat het redelijk is dat met de gebruikelijke forfaitaire kostenveroordeling kan worden volstaan. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat uit de toelichting op artikel 1019h Rv volgt dat bij bijvoorbeeld grootschalige namaak of piraterij, een volledige proceskostenveroordeling is gerechtvaardigd. Dit is in casu niet aan de orde.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van de provincie gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 254,- aan vast recht en € 816,- voor salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.