Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BF8811

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
132847 / KG ZA 08-375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"exceptio plurium litis consortium", ondeelbare pachtovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 9 oktober 2008

Zaaknummer : 132847 / KG ZA 08-375

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

1. [Naam eiser sub 1],

wonende [woonplaats],

eiser sub 1,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk (Arnhem);

2. [Naam eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eiseres sub 2,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk ;

3. [Naam eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

eiseres sub 3,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk;

4. [Naam eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

eiseres sub 4,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk;

5. [Naam eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],

eiseres sub 5,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk;

6. [Naam eiser sub 6]

wonende te [woonplaats],

eiser sub 6,

advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen (Tilburg).

1. Het verloop van de procedure

Eisers sub 1 tot en met sub 6, [namen eisers] hebben gedaagde, [naam gedaagde], bij exploot van 17 september 2008 gedagvaard in kort geding. Aan de dagvaarding zijn 12 producties gehecht.

Bij exploot van 23 september 2008 hebben [Eisers] [Naam neef van gedaagde], neef van [Gedaagde] en medepachter, opgeroepen om in dit geding als partij van zijn standpunt te doen blijken.

Op de dienende dag, 29 september 2008, hebben [Eisers] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering aan de hand van een pleitnota nader hebben doen toelichten.

Namens [Gedaagde] is aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Namens [Naam neef van gedaagde] is door mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Meerssen, het woord gevoerd.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Vervolgens is het geding voor enige tijd geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog in der minne te regelen. Na de hervatting is gebleken dat voor een minnelijke regeling nog enige tijd noodzakelijk was. Het geding is vervolgens tot 30 september 2008 te 12.00 uur aangehouden.

Op 30 september 2008 hebben [Eisers] de rechtbank bericht dat partijen er niet in zijn geslaagd een regeling te treffen en om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

Het geschil kan, voor zover van belang kort samengevat, als volgt worden weergegeven.

2.1. Tussen [Eisers] als verpachters en [Gedaagde] en [Naam neef van gedaagde] als pachters is een pachtovereenkomst van kracht met betrekking tot de percelen kadastraal bekend gemeente Gulpen, sectie G, nr. 80, gemeente Margraten, sectie W, nrs. 201, 204, 205 en 206 en gemeente Wittem, sectie F, nrs. 38, 76, 83, 89, 122, 123, 125 en 128. Deze pachtovereenkomst bestond aanvankelijk tussen [Eisers] en de vaders van [Gedaagde] en [Naam neef van gedaagde]. Bij vonnis van 17 januari 2007 heeft de pachtkamer van de rechtbank te Maastricht [Gedaagde] en [Naam neef van gedaagde] in de plaats gesteld van hun vaders. Dit vonnis is bij arrest van 13 mei 2008 van de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem bekrachtigd. Bij beschikking van de pachtkamer van de rechtbank te Maastricht van 17 januari 2007 is voorts genoemde pachtovereenkomst met zes jaren verlengd, welke beschikking bij beschikking van 13 mei 2008 van de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem is bevestigd.

2.2. [Eisers] hebben het voornemen om hun gehele te Noorbeek en Slenaken gelegen landgoed onder de Natuurschoonwet 1928 te rangschikken. Om aan de voorwaarden voor rangschikking te voldoen moeten op verschillende percelen op het landgoed, waaronder de percelen die feitelijk bij [Gedaagde] in gebruik zijn, bos, c.q. hoogstam fruitbomen worden aangeplant en moet rond diverse percelen omzoming worden aangebracht. [Eisers] hebben het daartoe noodzakelijke beplantingsplan opgesteld. Volgens [Eisers] bestonden er aan de zijde van de pachters geen bezwaren tegen dit beplantingsplan reden waarom zij op 1 december 2006 op grond van de Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer een aanvraag hebben ingediend voor subsidie voor de aanleg en het onderhoud van een deel van de beplanting. Bij beschikking van 30 november 2007 (productie 5 bij de dagvaarding) hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een subsidie toegekend van € 90.994,26 onder de voorwaarde dat de noodzakelijke beplantingswerkzaamheden op 31 maart 2008 zijn uitgevoerd.

2.3. [Eisers] werden onaangenaam verrast door een brief van 28 december 2007 van de raadsman van [Naam vader van gedaagde] (de vader van [Gedaagde]) en [Gedaagde] waarin zij aangeven niet zonder meer te kunnen instemmen met de voorgestelde beplanting. Tot ontsteltenis van [Eisers] vraagt de raadsman naar een concreet beplantingsplan terwijl [Eisers] dat reeds bij akte van 16 augustus 2006 hadden overgelegd. [Eisers] hebben daarop aan [Gedaagde] laten weten dat de eventueel te opperen bezwaren niet verenigbaar zijn met hun eerder gegeven instemming. Middels hun raadsman verzoeken c.q. sommeren zij [Naam vader van gedaagde] en [Gedaagde] om goedkeuring te geven aan de voorgestelde aanplant conform het eerder ter beschikking gestelde beplantingsplan.

2.4. Zoals aangegeven onder 2.2. hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg een subsidie van € 90.994,26 toegekend. Hiervan heeft een bedrag van € 53.383,47 betrekking op de aanplant van hoogstam fruitbomen op de percelen 1 en 7 en de bijbehorende omzoming. Dit betreft percelen die feitelijk bij [Gedaagde] in gebruik zijn. Om de subsidie te kunnen verkrijgen kan het plan niet (ingrijpend) gewijzigd worden. [Gedaagde] heeft weliswaar een alternatief beplantingsplan opgesteld, echter met dat plan zullen [Eisers] de reeds toegekende subsidies kwijt raken en kan de beoogde rangschikking onder de Natuurschoonwet niet worden gerealiseerd. De werkelijke bezwaren van [Gedaagde] tegen het beplantingsplan van [Eisers] zijn [Eisers] niet bekend noch duidelijk. Volgens [Eisers] is het gehele beleid van [Gedaagde] erop gericht de beplanting en daarmede de rangschikking onmogelijk te maken.

2.5. Noodgedwongen door deze gang van zaken hebben [Eisers] aan de Dienst Regelingen van de provincie Limburg uitstel gevraagd voor het uitvoeren van de werkzaamheden in het kader van het beplantingsplan. Bij brief van 5 december 2007 (productie 12 bij de dagvaarding) heeft de Dienst Regelingen het uitstel verleend tot uiterlijk 30 november 2008.

2.6. Omdat er aangeplant moet worden op gronden die [Gedaagde] pacht, hebben [Eisers] belang bij expliciete instemming van de pachter. Uit het thans ingenomen standpunt van [Gedaagde] blijkt dat hij zich tegen aanplant verzet, dat is volgens Zillikens onrechtmatig, ten eerste omdat hij zich tegen het vroegtijdig toegezonden beplantingsplan nimmer heeft verzet, ten tweede omdat het Pachthof in rechtsoverweging 4.13 van de beschikking van 13 mei 2008 (productie 1b bij de dagvaarding) heeft geoordeeld dat [Gedaagde] aan zijn toezeggingen is gehouden, ten derde omdat hij tot op de dag van vandaag niet duidelijk heeft gemaakt wat zijn werkelijke bezwaren zijn, ten vierde omdat bij het niet uitvoeren van het plan [Eisers] de reeds toegekende subsidie kwijtraken en ten vijfde omdat daardoor de rangschikking wordt vertraagd. [Eisers] lijden derhalve schade door toedoen van [Gedaagde].

2.7. De aanplant moet uiterlijk 30 november 2008 zijn gerealiseerd. Dat betekent dat met de werkzaamheden zo spoedig mogelijk een begin gemaakt moet worden. Bovendien is de subsidieregeling voor de inrichting van hoogstam boomgaarden in het landschapsgebied Zuid-Limburg in december 2007 gewijzigd. Die wijziging is zo ingrijpend dat een nieuw in te dienen subsidieverzoek voor het grootste deel zal worden afgewezen. Bovendien hebben [Eisers] een spoedeisend belang bij hun vordering in kort geding omdat rangschikking onder de Natuurschoonwet pas mogelijk is nadat duidelijk is geworden dat het beplantingsplan kan worden uitgevoerd. Uitstel daarvan heeft aanzienlijke fiscale consequenties voor [Eisers]

2.8. Volgens [Eisers] hebben zij de volledige instemming van [Naam neef van gedaagde], nu noch [Naam neef gedaagde], noch zijn vader, bezwaar hebben gemaakt tegen de aanplant van hoogstamfruitbomen op terreinen die feitelijk bij [Gedaagde] in gebruik zijn. In dit licht verwijzen zij naar rechtsoverweging 4.12 van voornoemde beschikking van 13 mei 2008 van het Pachthof te Arnhem.

2.9. [Gedaagde] weigert zijn instemming te geven, omdat hij door het beplantingsplan wordt gehinderd in zijn bedrijfsvoering. [Eisers] hebben zich derhalve genoodzaakt gezien [Gedaagde] in rechte te betrekking en hebben de voorzieningenrechter verzocht om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [Gedaagde] te veroordelen binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan [Eisers] schriftelijk mededeling te doen, dat hij instemt met de aanplant op de percelen 1,6,7 en 15 met bijbehorende omzoming conform het door [Eisers] opgestelde beplantingsplan, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- indien [Gedaagde] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft, althans [Eisers] te machtigen de werkzaamheden conform het beplantingsplan uit te voeren;

2. [Gedaagde] te verbieden [Eisers] te belemmeren in de werkzaamheden bij de uitvoering van het beplantingsplan, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- indien [Gedaagde] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft;

3. [Gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.10. De vordering wordt door [Gedaagde] weersproken. Op dit verweer wordt, voor zover van belang, bij de beoordeling ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Als meest verstrekkend verweer doet [Gedaagde] een beroep op de exceptio plurium litis consortium.

3.1.1. Dit verweer slaagt. De vordering van [Eisers] kan niet worden toegewezen omdat de vordering niet tegen [Gedaagde] alléén, maar tegen hem tezamen met [Naam neef van gedaagde] had moeten worden ingesteld. Hiertoe wordt overwogen dat het criterium voor toepassing van de exceptio plurium litis consortium is, dat de eisende partij meerdere gedaagden in rechte moet betrekken indien er een rechtsverhouding in geschil is waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen luidt in dezelfde zin. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan thans sprake is, nu er sprake is van een ondeelbare pacht, een feit dat door [Eisers] niet is betwist. Uithoofde van die ondeelbare pacht zijn de belangen van de beide pachters verweven, nu zij gezamenlijk uitvoering dienen te geven aan hetgeen [Eisers] van hen verlangt. Daaruit volgt dat hun beider instemming is vereist voor de uitvoering van het beplantingsplan.

3.1.2. [Gedaagde] stemt niet met het door [Eisers] voorgestelde beplantingsplan in omdat hij daardoor wordt gehinderd in zijn bedrijfsvoering.

3.1.3. [Naam neef van gedaagde] stelt dat hij in alle besprekingen het standpunt heeft ingenomen dat àls tot uitvoering van het beplantingsplan wordt overgegaan er door [Eisers] gecompenseerd moet worden. Door de aanplant krijgt [Naam neef van gedaagde] te maken met meer schaduw op zijn akkers, er zullen in het kader van de omzoming hagen worden aangebracht en onder een haag kan hij niet telen. [Naam neef van gedaagde] zal, ook al betreft het beplantingsplan percelen die feitelijk bij [Gedaagde] in gebruik zijn, wel degelijk nadeel gaan ondervinden van dit beplantingsplan.

[Naam neef van gedaagde] stelt bovendien dat hij als medepachter niet alleen een mederecht heeft maar ook een medeplicht nu hij tezamen met [Gedaagde] verantwoordelijk is voor de voldoening van de gehele pachtprijs.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de tussen partijen vigerende ondeelbare pachtovereenkomst en deze door [Gedaagde] en [Naam neef van gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden de vordering tegen zowel [Gedaagde] als [Naam neef van gedaagde] ingesteld had dienen te worden teneinde het door [Eisers] beoogde rechtsgevolg te kunnen bewerkstelligen.

3.1.4. [Eisers] waren zich kennelijk van deze omissie bewust nu zij ijlings op 23 september 2008 een oproepingsexploot aan [Naam neef van gedaagde] hebben doen betekenen.

Nu [Naam neef van gedaagde] echter niet als gedaagde is gedagvaard, maar slechts:

“teneinde alsdan en aldaar als partij van zijn standpunt te doen blijken (…)”

en er geen vordering tegen hem is ingesteld, kan deze actie er niet toe leiden dat [Eisers] ontvangen kunnen worden in hun vordering. Dit betekent dat van een inhoudelijke behandeling geen sprake kan zijn op grond van de exceptio plurium litis consortium.

3.2. Het vorenstaande maakt dat [Eisers] in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3.3. [Eisers] zullen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart [Eisers] in hun vorderingen niet ontvankelijk;

veroordeelt [Eisers] in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van [Gedaagde] begroot op € 254,-- aan vast recht en € 816,-- voor salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Huinen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

EvdP