Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BF0876

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
248873 CV EXPL 07-1256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mediation niet geslaagd. Marginale toetsing functie-indeling. De redenen, die de werkgever opgeeft om het advies van de Landelijke Bezwarencommissie tot indeling in de functie van hoofddocent niet op te volgen kunnen in redelijkheid niet worden aangemerkt als “gewichtige redenen” gedurende de referteperiode. Verklaring voor recht tot indeling in functie van hoofddocent toegewezen, evenals vordering tot betaling van in verband met die wijziging verschuldigd achterstallig loon.

Tussenvonnis van 27 juni 2007 en zie voor eindvonnis van 25 juni 2008 LJN: BF0008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

rolno: 07-1256

zaakno: 248873

typ: M.L. coll:

Vonnis van de kantonrechter d.d. 27 juni 2007

inzake

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

gemachtigde mr. H.J. Heuts-Amsing te Brunssum,

verschijnende bij F.G.C. Vaessen, gerechtsdeurwaarder,

tegen

de stichting De Stichting Hoogeschool Zuyd,

gevestigd en kantoorhoudende te 6419 DJ Heerlen aan de Nieuw Eyckholt 300,

gedaagde,

gemachtigde mr. Y.W.P. Suiskens te Roermond.

1 PROCESVERLOOP

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend c.q. proceshandelingen verricht:

- exploot van dagvaarding, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingevoegd.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 BEOORDELING

1.1 [eiser] is met ingang van 1 mei 2001 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de Hogeschool Zuyd in de functie van hogeschooldocent. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Hoger Beroepsonderwijs van toepassing.

1.2 Op 4 mei 2004 is bij de Hogeschool Zuyd het traject functieordening van start gegaan met als doel het transparant maken van het functiegebouw. In dit kader heeft Hogeschool Zuyd [eiser] bij schrijven d.d. 21 september 2004 laten weten dat hij is ingedeeld in de organieke functie van senior docent met de daarbij behorende maximaal salarisschaal 12.

[eiser] heeft daar op 14 oktober 2004 bezwaar tegen aangetekend bij de interne bezwarencommissie van Hogeschool Zuyd. Die commissie heeft het bestuur op 8 april 2005 geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren met als redengeving “dat er sprake is van discrepantie tussen de opgedragen werkzaamheden en de werkzaamheden passend bij de toegewezen functie voor wat betreft de bijdrage aan de masters European Masters Facility and Real Estate Management(…). Een taak die uitgevoerd wordt buiten het reguliere dienstverband met Hogeschool Zuyd (…) dat er geen discrepantie is tussen de opgedragen werkzaamheden en de werkzaamheden passend bij de toegewezen functie c.q. de functie die uitgevoerd wordt binnen het reguliere dienstverband met de Hogeschool Zuyd.”

De interne bezwarencommissie brengt op 5 mei 2005 (andermaal) advies uit en adviseert wederom het bezwaar ongegrond te verklaren met als reden”dat er sprake is van discrepantie tussen de opgedragen werkzaamheden en de werkzaamheden passend bij de toegewezen functie. Verzoeker is werkzaam bij een masteropleiding (ook al is dit niet uit naam van Hogeschool Zuyd, er is wel sprake van een opgedragen taak). De commissie is van oordeel dat hier wel degelijk sprake is van een schaal 13 functie.”

1.3 Het College van Bestuur van Hogeschool Zuyd laat [eiser] bij schrijven d.d. 25 mei 2005 weten dat het advies van de bezwarencommissie van 28 april 2005 (? A.O.) wordt overgenomen en verklaart het bezwaar ongegrond.

[eiser] tekent op 1 juni 2005 tegen deze beslissing bezwaar aan bij Landelijke Bezwarencommissie Functieordenen HBO. Deze commissie beveelt het College van Bestuur aan om het advies van de interne bezwarencommissie voldoende te (laten) motiveren, waarop de interne bezwarencommissie haar advies op 19 september 2005 als volgt bijstelt: “De commissie heeft de uitgevoerde en opgedragen werkzaamheden van de bezwaarmaker vergeleken met de kernactiviteiten van de functies senior docent en hoofddocent in het functiehuis van de hogeschool. Het betreft hier de resultaatgebieden onderwijs, innovatie, organisatie, onderzoek en overig(…) De commissie komt daarbij tot de conclusie dat er weliswaar sprake is van discrepantie tussen de opgedragen werkzaamheden en de werkzaamheden passend bij de bijdrage aan de masters European Master Facility and Real Estate Management ( …) maar tekent aan dat deze discriminerende taak wordt uitgevoerd buiten het reguliere dienstverband met Hogeschool Zuyd en dat derhalve bij de uiteindelijke oordeelsvorming deze taak buiten beschouwing dient te worden gelaten. De commissie komt verder tot de conclusie dat er voor het overige geen discrepantie is tussen de opgedragen werkzaamheden en de werkzaamheden passend bij de toegewezen functie van senior docent.”

1.4 Het College van Bestuur deelt [eiser] op 27 september 2005 mee: “dat zij het nieuwe advies van de interne bezwarencommissie heeft overgenomen, hetgeen betekent dat het College van Bestuur uw bezwaar opnieuw gegrond/ongegrond verklaart.” Bij schrijven d.d. 30 september 2005 corrigeert het college deze brief aldus dat in de tekst van de brief had moeten staan dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard.

[eiser] tekent ook hiertegen op 2 november 2005 bezwaar aan bij de Landelijke Bezwarencommissie.

1.5 De Landelijke Bezwarendommissie schrijft in haar advies van 15 augustus 2006 het volgende.

“ Uit de stukken en het zitting verhandelde is de Commissie gebleken dat [eiser] tijdens de referteperiode voor een taakomvang van ongeveer 200 uur belast was met het verzorgen van de mastersopleiding, waarbij hij voorts verantwoordelijk was voor het innoveren van een afgerond deel van de mastersopleiding De Commissie acht de omvang van deze werkzaamheden voldoende substantieel en constateert dat [eiser] hiermee de kernactiviteiten behorend tot de resultaatgebieden “onderwijs”en “innovatie” van de Hoofddocent heeft verricht. Dat [eiser] deze werkzaamheden deels op declaratiebasis verrichtte maakt dit naar het oordeel van de Commissie niet anders. De Commissie neemt daarbij in overweging dat gebleken is dat deze taken niet een incidenteel karakter hadden en voorts dat sprake was van één afgerond taakpakket waarbij de wijze van bekostiging van de uren van [eiser] niet van invloed dient te zijn op de waardering van zijn functie. Ten aanzien van het resultaatgebied “Onderzoek“ is de Ccommissie gebleken dat [eiser] binnen de kenniskring FM Innovation functioneert als domeinmanager en dat hij als zodanig verantwoordelijk is voor de opzet en realisatie van complexe multidisciplinaire programma’s Van aansturing door een lector is de Commissie niet gebleken. Aldus verricht [eiser] de kernactiviteiten behorend bij het resultaatgebied “Onderzoek”. Tenslotte heeft de werkgever ter zitting erkend dat [eiser] in de referteperiode deel uitmaakte van het managementteam. De Commissie ziet niet in waarom in deze sprake zou zijn van werkzaamheden voortvloeiend uit het coördinatorschap, zoals de werkgever heeft aangegeven, omdat niet iedere coördinator lid is van het managementteam en er derhalve geen rechtstreeks verband tussen beide is. Dat het managemenetteam niet opgenomen is in het organigram doet niet af aan het bestaan van dit team en zijn verantwoordelijkheden. Gezien het feit dat deze werkzaamheden terug te vinden zijn in de kernactiviteiten bij het resultaatgebied “Advisering over strategische doelen (nieuwe) opleidingen” zoals behorend tot de Senior hoofddocent acht de commissie deze werkzaamheden meer passend bij het functieprofiel van Hoofddocent dan dat van Senior docent. Het geheel overziende is de Commissie van oordeel dat de werkgever de functie van [eiser] ten onrechte niet heeft ingedeeld in het meest passende functieprofiel, namelijk dat van Hoofddocent. De Commissie adviseert de werkgever hiertoe alsnog over te gaan.”

Het College van Bestuur deelt [eiser] bij schrijven d.d. 7 september 2006 mee dat het heeft besloten het advies van de Landelijke Bezwarencommissie niet op te volgen, waartoe het - kort en zakelijk weergegeven - de volgende gewichtige redenen aanwezig acht:.

a) De omvang van 200 uur kan niet worden aangemerkt als substantieel, gelet op een ander advies van de commissie.

b) De commissie heeft in haar advies de stelling dat de werkzaamheden op het resultaatgebied onderzoek als complex en multidisciplinair zijn aan te merken niet dan wel onvoldoende onderbouwd en stelt geheel onterecht dat geen aansturing door een lector plaatsvindt. Die aansturing is een feitelijk uitgangspunt; [eiser] was in de referteperiode lid van de kenniskring en belast met een aantal taken die pasten binnen de functie van senior docent;

c) Het college van bestuur mist de kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing waarom de commissie stelt dat het lidmaatschap van het managementteam een indeling in de functie van hoofddocent rechtvaardigt. Besluitvorming is voorbehouden aan de directeur en niet aan het managementteam.

2. [eiser] vordert:

2.1 te bepalen dat Hogeschool Zuyd het advies van de landelijke Bezwarencommissie van 15 augustus 2006 dient uit te voeren, omdat er geen zwaarwichtige belangen zijn die zich tegen het opvolgen van het advies verzetten noch inhoudelijke gronden die indeling in de functie van senior docent rechtvaardigen;

2.2 de indeling in de functie van hoofddocent in te laten gaan op 1 september 2002, conform de toepasselijke regelgeving;

2.3 Hogeschool Zuyd te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het achterstallig loon, inclusief de jaarlijkse periodieken, en alle daaraan gekoppelde bedragen zoals onder meer vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf 1 september 2002.

2.4 [eiser] verwijst naar van toepassing zijnde bepalingen uit de CAO en daarbij behorende reglementen en stelt zich samenvattend op het standpunt dat de door het College van Bestuur in haar schrijven d.d. 7 september 2006 genoemde gewichtige redenen in het geval van [eiser] niet opgaan.

3.1 Hogeschool Zuyd stelt dat een besluit tot functie-indeling slechts mogelijk is aan de hand van een weging van een veelheid van factoren, die zich zonder een zekere beleidsvrijheid niet goed laat denken. Het advies van de Landelijke bezwarencommissie van 15 augustus 2007 is niet bindend. Artikel 6 lid 5 van het Landelijk Bezwarenreglement Functieordenen HBO stelt de werkgever in de gelegenheid om daarvan af te wijken indien er gewichtige redenen zijn en dat is hier het geval.

De functie van [eiser] als hogeschooldocent werd ten tijde van de indiensttreding gewaardeerd met schaal 12 en Hogeschool Zuyd vermag niet in te zien hoe [eiser], louter en alleen op grond van het functieordeningsproces, meent gerechtigd te zijn tot een hogere schaal per 1 september 2002, nauwelijks een jaar na indiensttreding. De CAO 2002/2003 kende ook de functiekarakteristiek van “hogeschoolhoofddocent”schaal 13, die hogere diepgaande eisen stelde in verband met de grotere verantwoordelijkheden c.q. bredere onderwijskundige taken zoals het ontwikkelen van een geheel nieuwe leercyclus, het opzetten van een nieuw vakgebied etc. Bij de functieordening is de functie “hogeschooldocent” getransponeerd naar de functie “senior docent”(functie groep 12) en de functie “hogeschoolhoofddocent” naar de functie “hoofddocent”(functiegroep 13), waarbij de daadwerkelijk door docenten verrichtte werkzaamheden zijn getoetst aan de criteria, zoals opgenomen in het functiegebouw van Hogeschool Zuyd.

3.2. Hogeschool Zuyd licht de gewichtige redenen om af te wijken van het advies van de Landelijke Bezwarencommissie als volgt toe.

3.2.1 De normtaak bedraagt 1659 uur bij een fulltime functie en de masteropleiding “European Master facility” beslaat een taakomvang van ongeveer 200 uur, derhalve 12% van de werkzaamheden en kan niet meer of minder dan als een “module” worden beschouwd. In een andere zaak beschouwde de Landelijke Bezwarencommissie een dergelijke omvang als niet voldoende substantieel.

Die werkzaamheden worden eigenlijk op “projectbasis” verricht en er is binnen het 50 docenten tellende korps van de faculteit “Facility Management” slechts één docent bezoldigd conform schaal 13. [eiser] is, in tegenstelling tot die docent, niet betrokken bij de coördinatie van de totale cursus, maar belast met een afgerond onderdeel van die opleiding. [eiser] functioneert ook niet op “Ph.D” niveau en de andere docenten, die net als [eiser] modules aan de masteropleidingen verzorgen, worden eveneens gesalarieerd conform functiegroep 12.

3.2.2 Er is sprake van een kennelijke misslag in het advies van de Landelijke Bezwarencommissie. Een kenniskring wordt altijd aangestuurd door een “lector”. [eiser] functioneert binnen de kenniskring FM Innovation als “domein manager” en de desbetreffende lector is de heer Nota. Er is geen sprake van dat [eiser] verantwoordelijk is voor de opzet en realisatie van complexe multidiciplinaire programma’s waar de commissie gewag van maakt.

3.2.3 Er is geen sprake van enigerlei managementteam, waarvan [eiser] deel zou uitmaken. De opleiding kent afstudeerprofielen met teamleiders (allen met uitzondering van één collega ingedeeld in schaal 12) die tweewekelijks met de faculteitsdirecteur, die uiteindelijk beslissingsbevoegd is, overleggen.

Indien Hogeschool Zuyd de Landelijke Bezwarencommissie zou volgen en [eiser] zou plaatsen in de functie “hoofddocent” met schaal 13, dan zou dit leiden tot niet alleen een verschraling van het geambieerde niveau, maar ook tot onwenselijke uitstraling naar de collega’s van [eiser].

“Ph.D niveau”, hetgeen betekent promoveren dan wel bezig zijn met een promotieonderzoek, is maatgevend voor de functie van hoofddocent, maar [eiser] heeft geen ambitie daarvoor en publiceert niet in vakliteratuur

4.1 Ten aanzien van de relevante CAO-bepalingen moet worden vastgesteld dat artikel G-4, waarnaar [eiser] verwijst, toepassing mist, nu dat artikel was opgenomen in de CAO van 2000-2002 en het in de onderhavige periode gaat om de door [eiser] in de referteperiode van september 2002 tot september 2004 verrichtte werkzaamheden.

Artikel F-2 van de in de referteperiode van toepassing zijnde CAO voor het Hoger Beroepsonderwijs verklaart het Reglement Landelijk Bezwarencommissie Functieordenen HBO van toepassing en artikel 4 lid 2 van dat van dat Reglement zegt het volgende.

“De werkgever volgt het advies van de commissie op, tenzij er voor de werkgever gewichtige redenen zijn van het advies af te wijken:”

4.2. Hogeschool Zuyd wijst er terecht op dat haar bij de functieordening een zekere beleidsvrijheid toekomt. Deze beleidsvrijheid blijkt ondermeer uit artikel 4 lid 1 van het Reglement van de Landelijke Bezwarencommissie, waarin is neergelegd dat de Commissie toetst of de werkgever in redelijkheid en billijkheid tot de heroverwogen functieordeningsbeslissing, waartegen het bezwaar is gericht, heeft kunnen komen.

Het voorgaande neemt niet weg, dat de wijze, waarop Hogeschool Zuyd van haar beleidsvrijheid gebruik maakt, ook aan de bestaande kaders dient te worden getoetst, waaronder voormelde bepaling van artikel 4 lid 2 van het Reglement. Derhalve ligt in het onderhavig geschil ter beoordeling voor de vraag of Hogeschool Zuyd de door haar aangegeven redenen om van het advies af te wijken in redelijkheid als “gewichtige redenen” heeft kunnen aanmerken.

De kantonrechter heeft op dit punt behoefte aan nadere inlichtingen en zal een comparitie van partijen gelasten. Bij die gelegenheid zal tevens een regeling tussen partijen worden beproefd en de mogelijkheid van mediaton worden onderzocht.

De kantonrechter houdt, in afwachting van deze comparitie, iedere verdere beslissing aan.

3 UITSPRAAK

De kantonrechter:

gelast [eiser] in persoon en Hogeschool Zuyd rechtsgeldig vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en gemachtigd om een regeling te treffen, beide partijen desgewenst bijgestaan door haar gemachtigden, voor haar te verschijnen op donderdag 26 juli 2007 te 11.45 uur in het gerechtsgebouw te Heerlen aan de Akerstraat 108 teneinde inlichtin¬gen te verstrekken en een regeling te beproeven;

bepaalt verder dat eventuele ter comparitie over te leggen bescheiden uiterlijk acht werkdagen voor de compari¬tiedatum ter griffie van het -gerecht dienen te worden gedeponeerd onder gelijktijdige toezending aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, Kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.