Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BF0781

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-09-2008
Datum publicatie
15-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/1357 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht Wvg-WMO. Doelmatigheidsoverwegingen geen grond voor afwijzen aanvraag scootersafe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 1357

Uitspraak van de meervoudige kamer

in het geding tussen

[naam],

wonend te Maastricht, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 augustus 2007

Kenmerk: 100003412

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift tegen een door verweerder genomen besluit van 26 maart 2007 ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 augustus 2007 heeft eiseres tegen eerstgenoemd besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 14 mei 2008, waar eiseres in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door

H.M. Pluijmaeckers, werkzaam bij de gemeente Maastricht

2. Overwegingen

Eiseres bewoont een traploze woning, die evenwel niet vanaf het straatniveau zonder trappen te moeten lopen bereikbaar is.

Aan eiseres is op 3 augustus 2005 een verhuisadvies afgegeven voor een traploos toegankelijke en traploze woning. Tegen de beslissing op bezwaar waarbij het verhuisadvies is gehandhaafd zijn geen rechtsmiddelen meer aangewend.

Eiseres heeft op 16 augustus 2006 een aanvraag ingediend voor een individuele vervoersvoorziening , te weten een scootmobiel, ten behoeve van kleine tripjes, boodschappen en bezoek aan vrienden en kennissen. Op 14 december 2006 adviseert het Centrum voor indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) dat er een indicatie is voor een scootmobiel met dien verstande dat levering eerst kan plaatsvinden, indien een adequate berging is gerealiseerd. Voor deze – ambtshalve opgestarte – woonvoorziening is reeds geadviseerd op 13 december 2006. Het plaatsen van een scootersafe wordt geadviseerd.

Uit de rapportage van 26 maart 2007 blijkt dat voor de aanschaf en aanleg van een scootersafe een bedrag van € 5.949,= noodzakelijk is. De rapportage vermeldt:

“In de casusbespreking van 22 maart 2007 is […] ter sprake gebracht. Iedereen was het erover eens dat het verhuisadvies nog steeds van kracht is en dat er op grond hiervan geen aanpassingen worden verricht in de huidige woning. Er worden uitsluitend woonvoorzieningen toegekend indien er sprake is van een ‘noodzakelijke voorziening ter overbrugging tot verhuizing’. Het moge duidelijk zijn dat hier bij een scootersafe geen sprake van is.

Kortom: alvorens de scootmobiel kan worden verstrekt dient mw. eerst te verhuizen naar een woning, die voldoet aan het door de medisch adviseur opgestelde programma van eisen, met een geschikte berging voor de scootmobiel.”

Bij besluit van 26 maart 2007 wordt eiseres medegedeeld dat er een indicatie is voor een scootmobiel, maar dat er geen sprake is van een geschikte berging. De scootmobiel zal worden verstrekt, zodra eiseres op basis van het verhuisadvies d.d. 3 augustus 2005 over een woning beschikt met een adequate stalling. De aanvraag wordt vooralsnog afgewezen op die grond.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en stelt in bezwaar dat de deur van de berging kan worden aangepast en dat de woningbouwvereniging medewerking wil verlenen. Tijdens de hoorzitting blijkt dat er tevens voldoende plaats is voor een scootersafe. Voorts geeft eiseres aan dat zij haar huidige woonomgeving niet wenst te verlaten.

Bij besluit van 6 augustus 2007 wordt het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan wordt ten grondslag gelegd dat de stalling van de scootmobiel, in de vorm van een scootersafe, de enige oplossing is, maar zodanige aanpassingen met zich brengt, dat deze niet, in de tijd dat eiseres nog op haar huidige adres woont, als doelmatig te bestempelen zijn. De te realiseren woonvoorziening is niet duurzaam.

In beroep wordt door eiseres gesteld dat in de tuin bij de flat een scootersafe gerealiseerd kan worden.

Ter zitting brengt eiseres naar voren dat de scootersfe hergebruikt kan worden. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres een eigen verantwoordelijkheid heeft om een geschikte woonruimte te vinden en dat de compensatieplicht daarin zijn grens vindt.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of de geïndiceerde scootmobiel terecht en op goede grond vooralsnog niet wordt verstrekt, omdat de te realiseren safe niet duurzaam is, gelet op het verhuisadvies.

Voordat de rechtbank een oordeel geeft over bovenstaande vraag dient zij te onderzoeken welke wetgeving van toepassing is op de aanvraag en de ambtshalve te beoordelen woonvoorziening, gelet op het in de WMO neergelegde overgangsrecht.

Het overgangsrecht luidt als volgt:

Artikel 40 van de WMO

1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat:

a. […];

b. […];

c. […];

d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet.

2. Indien op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onder d, met toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten bij beschikking een voorziening is verleend, blijven de andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van die wet als bedoeld in het eerste lid, onder b, met betrekking tot die beschikking gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet.

3. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet.

De bepaling van artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de WMO wordt door de rechtbank als volgt uitgelegd.

Ondanks het feit dat de WMO per 1 januari 2007 in werking is getreden (artikel 42 van de WMO), blijft op aanvragen – ook van na die datum – de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) van toepassing zolang er geen WMO-verordening wordt vastgesteld uiterlijk tot 1 januari 2008, dan wel, als er wel een WMO-verordening wordt vastgesteld, tot drie maanden na de vaststelling, daarbij rekening houdend met de uiterste toepassingsdatum van 31 december 2007.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de beslissing op een aanvraag gebaseerd moet worden op de Wvg, als deze beslissing wordt genomen tot drie maanden na de vaststelling van de WMO-verordening, daarbij rekening houdend met de uiterste toepassingsdatum van 31 december 2007. Wordt evenwel beslist op dergelijke aanvraag na die drie maanden, daarbij rekening houdend met de uiterste toepassingsdatum van 31 december 2007, dan is de WMO van toepassing op de aanvraag (zie TK, 30131, nr. 29, pag. 107). Dit betekent eveneens dat het regime van de WMO onverkort van toepassing is per 1 januari 2007 op aanvragen van voor 1 januari 2007 waarop niet voor die datum is beslist, indien de gemeenteraad de WMO-verordening reeds drie maanden voordien heeft vastgesteld en deze naar behoren is bekend gemaakt (vgl. Vz Rb Haarlem, 15 februari 2008, LJN BC8164 en Rb Breda, 13 juni 2008, LJN BD5148). Dit houdt ook in dat op alle aanvragen per 1 januari 2008 een WMO beslissing moet worden genomen.

De aanvraag voor de vervoersvoorziening dateert van 17 augustus 2006. De beoordeling van de noodzakelijke woonvoorziening is ambtshalve opgestart in december 2006.

De gemeenteraad van de gemeente Maastricht heeft op 29 september 2006 de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 (hierna: WMO-Verordening) vastgesteld.

Verweerder heeft eerst op 26 maart 2007 beslist op de aanvraag en ter zake van de woonvoorziening.

Het voorgaande betekent dat de WMO in Maastricht op 1 januari 2007 onverkort in werking is getreden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder nu deze eerst op 26 maart 2007 op de aanvraag (afwijzend) heeft beslist, daarbij terecht toepassing heeft gegeven aan de WMO.

Ten aanzien van de rechtsvraag overweegt de rechtbank het volgende.

Eiseres betwist niet dat zij een verhuisindicatie heeft, omdat haar huidige woning, gelet op haar beperkingen, niet adequaat is, omdat deze op een hoger gelegen verdieping is gelegen, zonder dat deze bereikbaar is met een lift. Evenmin betwist zij dat het haar eigen verantwoordelijkheid is om een bij haar beperkingen passende woning te vinden.

Verweerder betwist niet dat eiseres geïndiceerd is tot het gebruik van een scootmobiel gelet op haar beperkingen.

Hetgeen partijen verdeeld houdt, is de vraag of verweerder de afwijzing van de aanvraag mag baseren op de overweging dat het plaatsen van een verplaatsbare scootersafe, gelet op het verhuisadvies, niet duurzaam is, gelet op het feit dat vanuit een oogpunt van gemeentefinanciën deze oplossing niet doelmatig is.

Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de WMO-Verordening bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te heffen of te verminderen. De toelichting op dit artikel geeft aan dat wat langdurig noodzakelijk is afhankelijk is van de concrete (medische) situatie.

Vast staat dat een scootmobiel langdurig noodzakelijk is gezien de beperkingen van eiseres. Zij zal ook na haar noodzakelijk geachte verhuizing aangewezen zijn op dit vervoermiddel. De door eiseres ondervonden beperking is onomkeerbaar en een verbetering is niet te verwachten.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van verweerder dat de scootmobiel tegen weer en wind en diefstal beschut moet worden in redelijkheid gesteld kan worden, gelet op de aard en de kosten van een dergelijke voorziening. Dat niet wordt overgegaan tot verstrekking van een scootmobiel als een adequate stallingsmogelijkheid ontbreekt en ook niet is te realiseren, is daarom aanvaardbaar.

In dit kader merkt de rechtbank op dat de safe voor de scootmobiel weliswaar formeel kan worden aangemerkt als een woonvoorziening, maar dat de materiële noodzaak in de fysieke beperkingen met betrekking tot het zich verplaatsen buitenshuis op lokaal niveau ligt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de compensatieverplichting van verweerder die voortvloeit uit artikel 4 van de WMO in essentie de vervoersvoorziening betreft en er op gericht moet zijn die te realiseren, nu deze is geïndiceerd.

In het onderhavige geval is gebleken dat er wel degelijk een mogelijkheid is om een al dan niet tijdelijke en/of verplaatsbare stalling te realiseren in de nabijheid van de woning van eiseres. In het licht van de compensatieverplichting die op verweerder rust ingevolge artikel 4 van de WMO en gelet op de verhuisindicatie die aan eiseres is verleend, ligt het plaatsen van een tijdelijke en/of verplaatsbare stalling dan ook de rede.

De stelling van verweerder dat een tijdelijke verplaatsbare stalling geen duurzame oplossing biedt, en dat daarom de scootmobiel nog niet verstrekt kan worden, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Zij overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat in de WMO-Verordening duurzaamheid als term noch als criterium voorkomt. Geconcludeerd moet worden dat verweerder duurzaamheid hanteert in het kader van de verzwaarde motiveringsplicht (artikel 26 van de WMO) bij de uitleg waarom afgezien wordt van verstrekking, ondanks het feit dat eiseres geïndiceerd is voor een scootmobiel en er mogelijkheid is tot plaatsing van een tijdelijke en/of verplaatsbare berging voor de scootmobiel. Verweerder vult de term duurzaamheid in met het als niet doelmatig bestempelen van een investering in een verplaatsbare scootersafe, omdat eiseres gelet op haar eigen verantwoordelijkheid een adequate woning te zoeken een urgentie dient aan te vragen. De onuitgesproken gedachte is dat de scootersafe mogelijk slechts voor zeer korte tijd geplaatst zou moeten worden, hetgeen de investering niet zou rechtvaardigen.

Vast staat dat de stalling in ieder geval noodzakelijk is gedurende de periode dat eiseres nog niet over een adequate woning beschikt. Gelet op de regels rondom urgentie, die door het Woningburo Maastricht worden gehanteerd (vgl. Jaarverslag 2005, gepubliceerd 23 oktober 2006, zie: www.woningburo-maastricht.nl) is de wachttijd maximaal een jaar. De tijd die nodig is voor de noodzakelijke handelingen om een urgentie te verkrijgen daargelaten, is de wachttijd voor een adequate gelijkvloerse woning met adequate stallingsmogelijkheid overzienbaar, maar overigens ongewis. In het ongelukkigste geval wordt de scootersafe dus aangeschaft en is plaatsing niet meer nodig, omdat eiseres tezelfdertijd een adequate woning wordt aangeboden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of verweerder de doelmatigheid van de investering eiseres mag tegenwerpen. Zij beantwoordt deze vraag negatief.

Een belangrijk kenmerk van een scootersafe is dat hij verplaatsbaar is en dus hergebruikt kan worden door eiseres dan wel door een ander. Een scootersafe is naar het oordeel van de rechtbank als zodanig een adequate oplossing voor gevallen als het onderhavige, waar sprake is van een indicatie voor een vervoersvoorziening en enige frictie op de woningmarkt.

Dat de aanleg van een geschikte ondergrond en/of de aanleg van een krachtstroompunt kosten zijn die mogelijk wel bij iedere gebruiker zullen terugkeren en dat ook eventuele tussentijdse opslag (al dan niet door de leverancier) als kostenpost kan worden aangemerkt, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de bovenstaande constatering niet af.

In artikel 4.7 van de WMO-Verordening zijn de weigeringsgronden opgenomen ter zake van woonvoorzieningen. Onderdeel h van dit artikel van de WMO-Verordening in verbinding met het Besluit nadere regels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 (hierna: Besluit) stelt ter zake van woonvoorzieningen de regel omtrent het kostenaspect. De financiële bovengrens bij woonvoorzieningen is gesteld op € 45.378,= (artikel 5.5 van het Besluit juncto artikel 4.7 onder h van de WMO-Verordening). Op grond van deze bepalingen kan een investering als in casu begroot op afgerond € 6000,= niet geweigerd worden op de enkele grond dat de kosten te hoog zijn.

In artikel 1.2. van de WMO-Verordening zijn de weigeringsgronden opgenomen ter zake van vervoersvoorzieningen. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit artikel in verbinding met een bepaling van het Besluit tot de door verweerder gehanteerde afwijzingsgrond kan leiden, zodat geconcludeerd moet worden dat op grond van regelgeving en beleid het niet verstrekken van de gevraagde voorziening niet kan worden geweigerd.

De rechtbank stelt vast dat het voorliggende geval – dat in afwachting van het zich realiseren van de ene voorziening de andere voorziening kosten met zich brengt die bij een omgekeerde volgtijdigheid niet aan de orde zouden zijn geweest – kennelijk niet is voorzien door verweerder. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in casu sprake is van zodanige afwijkende feiten of omstandigheden of in de persoon van eiseres gelegen overwegende bezwaren dat daaruit voortvloeit dat het vergoeden van de kosten uit efficiëntie-overwegingen van verweerder niet kunnen worden gevergd. Zij overweegt daartoe dat er sprake is van een voorziening in natura, die bovendien grotendeels hergebruikt kan worden, en dat niet is gebleken dat door het realiseren van een tijdelijke c.q. verplaatsbare scootersafe het systeem van vervoersvoorzieningen of woonvoorzieningen wordt bedreigd.

Gelet op bovenstaande overwegingen moet het beroep dan ook voor gegrond worden gehouden. De vervoersvoorziening is eiseres op onjuiste gronden en ten onrechte onthouden. Het besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht.

Aldus gedaan door E.V.L. Heuts, voorzitter, P.J.M. Bruijnzeels en F.L.G. Geisel, leden, in tegenwoordigheid van E.J.H.G. van Binnebeke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2008

w.g. E. van Binnebeke w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 15 september 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van ver¬zending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.