Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BF0721

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
03/700309-08, 03/550663-06 VTVV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige is veroordeeld wegens tweemaal poging tot doodslag en eenmaal poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. Gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd gedurende de proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700309-08, 03/550663-06 VTVV

Datum uitspraak: 15 augustus 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte],

thans gedetineerd in het Opvang- en Behandelcentrum “Het Keerpunt”,

Pater Kustersweg 8 te 6267 NL Cadier en Keer.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet die [Naam slachtoffer1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of boven zijn lies heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Naam slachtoffer1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of boven zijn lies heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer2] van het leven te beroven, met dat opzet die [Naam slachtoffer2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn zij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Naam slachtoffer2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn zij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Naam slachtoffer3] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer3]), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand heeft gestoken en/of gesneden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 primair en laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet die [Naam slachtoffer1] met een mes in zijn lies heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer2] van het leven te beroven, met dat opzet die [Naam slachtoffer2] met een mes in zijn zij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 4 mei 2008 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Naam slachtoffer3] met een mes in zijn hand heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair, feit 2 primair:

Poging tot doodslag.

Feit 3 primair:

Poging tot zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door drs. M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport opgemaakt en gedateerd op 16 juli 2008. Dit rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie dat de verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat dit feit hem slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de door de deskundige gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer stellende dat de verdachte de drie ten laste gelegde feiten heeft begaan omdat sprake was van een ogenblikkelijke dan wel een dreigende ogenblikkelijk aanranding van zijn lijf, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. De raadsman voerde daartoe aan -kort gezegd- dat de verdachte, toen hij stond te plassen, zich onverhoeds geconfronteerd zag met een zestal hem belagende personen en daarbij geen mogelijkheid zag zich aan die confrontatie te onttrekken.

De raadsman heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft hiertoe gesteld dat de verdachte heeft gehandeld in een heftige gemoedstoestand veroorzaakt door vorenbedoelde aanranding.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat noch uit de stukken noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van door de raadsman geschetste omstandigheden. Noch is ter zitting enige andere omstandigheid naar voren gebracht die de stellingen van de raadsman aannemelijk zouden kunnen maken. Uit het dossier blijkt daarentegen duidelijk dat er sprake is geweest van een groepsgevecht. De rechtbank verwerp het primaire en subsidiaire verweer van de raadsman dan ook.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2 primair en 3 primair zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel conform het advies van het bureau jeugdzorg van de jeugdreclassering zal worden opgelegd. Zij heeft, voor het geval dat de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel meewerkt, tevens gevorderd dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van zes maanden.

De raadsman heeft, gelet op zijn beroep op noodweer subsidiair noodweerexces ten aanzien van de drie ten laste gelegde feiten in primaire en subsidiaire vorm, de rechtbank gevraagd de verdachte deswege vrij te spreken dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen en maatregelen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen hoofdstraf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de strafoplegging is tevens rekening gehouden met

- het belang van een juiste normhandhaving,

- het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde,

- de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is,

- het gegeven dat de verdachte reeds meermalen eerder terzake geweldsmisdrijven is veroordeeld,

- het feit dat verdachte een mes meeneemt naar een uitgaansgelegenheid en niet schroomt om dit te gebruiken, waarbij de rechtbank overweegt dat de gevolgen veel ernstiger hadden kunnen zijn, en

- de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed met name bij de slachtoffers [Naam slachtoffer1] en [Naam slachtoffer2] teweeg heeft gebracht.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat de verdachte als licht verminderd toerekenbaar moet worden beschouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gezien het vorenstaande, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel onder meer kennisgenomen van:

- het voormelde rapport van de GZ-psycholoog drs. M.M.F. van Casteren,

- een brief van de heer B.J.M. Gorissen, jeugdreclasseerder bij bureau jeugdzorg te Maastricht, gedateerd op 24 juli 2008, onder meer inhoudende een plan van aanpak,

- een analyserapport en een “rapportage strafzitting” beiden van de hand van de heer Gorissen voornoemd en gedateerd op 24 juni 2008.

In het rapport van de gedragsdeskundige drs. Van Casteren, wordt -zakelijk weergegeven- vermeld:

[Naam verdachte] is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis NAO beginnend in de adolescentie. Daaraan ten grondslag ligt een pedagogisch en affectief verwaarlozende opvoedingssituatie en hechtingsproblematiek. [Naam verdachte] lijkt weinig zicht te hebben op zijn eigen innerlijke dynamiek, waardoor emoties hem onverwachts kunnen overspoelen en kunnen leiden tot agressief gedrag. [Naam verdachte] heeft in het verleden laten zien moeilijk begeleidbaar te zijn. Hij laat zich nauwelijks aansturen en gaat zijn eigen gang.

In de thuissituatie ontstaan regelmatig spanningen tussen [Naam verdachte] en zijn (stief)ouders. [Naam verdachte] accepteert het gezag van vader niet en laat zich niet aansturen door zijn ouders. Vader is pedagogisch onmachtig en kan [Naam verdachte] ook op affectief gebied onvoldoende ondersteunen. Hij heeft moeite om zijn zoon grenzen op te leggen en de touwtjes in handen te nemen. Door de onveilige en pedagogisch en affectief verwaarlozende opvoedingssituatie in de vroege jeugd is er sprake van een verstoorde hechting.

Individuele therapeutische gesprekken zouden, volgens de gedragsdeskundige, [Naam verdachte] kunnen helpen wat meer zicht te krijgen op zijn eigen innerlijke dynamiek en manieren om op een adequatere manier met spanningen om te gaan. Hij moet leren om gezag te accepteren en meer vertrouwen krijgen in volwassen. Als hij zich beter leert uiten en tijdig hulp vraagt bij zijn problemen, zullen de spanningen niet meer zo hoog oplopen en zal hij niet zo snel tot acting out gedrag komen. Daarnaast is het nodig dat de gezinsrelaties worden verbeterd en genormaliseerd. De gezagsverhoudingen moeten hersteld worden. Opvoedingsondersteuning voor met name vader en gezinstherapie is gewenst, maar wordt bemoeilijkt door de handicap van ouders. Om goed met de ouders te kunnen communiceren is een doventolk noodzakelijk. Overleg met de heer Gorissen van de jeugdreclassering leert dat een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt overwogen voor [Naam verdachte]. [Naam verdachte] zou dan een STP traject (studie- trainingsprogramma) ingaan waarbij hij drie maanden lang zeer intensief begeleid wordt door de jeugdreclassering en duidelijke afspraken met hem gemaakt worden ten aanzien van school en/of werk en een goede vrijetijdsbesteding. Daarnaast kan een voorwaarde zijn dat hij zich onder behandeling laat stellen van Sedna en ook opvoedingsondersteuning van vader/stiefmoeder en, indien mogelijk, gezinstherapie door Sedna wordt ingezet.

De rechtbank leidt hieruit af het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt ondersteund door de deskundige.

In het analyserapport van de heer Gorissen voornoemd, wordt -zakelijk weergegeven- vermeld:

[Naam verdachte] heeft al op jonge leeftijd volwassen taken en verantwoordelijkheden op zich (moeten) nemen. Door zijn belangrijke rol in het gezin als tolk voor zijn ouders en medeopvoeder van zijn zusje, zijn de gezagsverhoudingen binnen het gezin verstoord. Hij heeft altijd zijn eigen wegen moeten belopen en accepteert hierdoor nauwelijks nog bemoeienis van zijn ouders en van andere betrokkenen zoals de jeugdreclassering en onderwijzers.

De gezagsverhoudingen moeten hersteld worden. Daarnaast is het wenselijk om [Naam verdachte] vanaf het moment dat hij vrijkomt vanuit de Jeugdreclassering intensief te begeleiden. Te denken valt aan een STP of ITB begeleiding waarbij [Naam verdachte] zes tot twaalf maanden lang (zeer) intensief begeleid wordt door de jeugdreclassering. De begeleiding moet vooral gericht zijn op het maken van duidelijke afspraken ten aanzien van school en/of werk en een goede vrijetijdsbesteding. Dit zou mogelijk kunnen worden gemaakt binnen een gedragsbeïnvloedende maatregel.

In de ”rapportage strafzitting” van de heer Gorissen voornoemd, wordt -zakelijk weergegeven- vermeld:

Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering adviseert de rechtbank [Naam verdachte] verplichte begeleiding en behandeling op te leggen in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel. Deze maatregel biedt [Naam verdachte] en ouders de kans te werken aan de problematiek, en om recdive- en schadekansen te verkleinen. Dit met als doel [Naam verdachte] een gezonde uitgroei naar volwassenheid te kunnen bieden.

De invulling van een gedragsbeïnvloedende maatregel zal er als volgt uit kunnen zien:

- ITB HKJ. Deze intensieve begeleiding is noodzakelijk om het recidiverisico en schadekansen te beperken. De begeleiding is vooral gericht op het scheppen van kaders, regels, structuur en controle hiervan;

- FFT (Functional Family Therapy) door Sedna. Deze vorm van hulpverlening is intensief en gericht op het zicht krijgen in de samenhang van [Naam verdachte]’s problematiek en het gezinssysteem;

- SAM Training. Een soort van sociale vaardigheidstraining gericht op de sociaal emotionele ontwikkeling en agressieregulatie van [Naam verdachte]. Extra aandacht in deze training zal uitgaan naar [Naam verdachte]’s manier van uiten van emoties.

Het totale traject ITB HKJ, FFT en SAM kan binnen de gedragsbeïnvloedende maatregel worden uitgevoerd.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming uitdrukkelijk verklaard dat hij het eens is met het plan van aanpak en dat hij een door hem ondertekend exemplaar reeds in zijn bezit heeft. Onder deze omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 77w, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een knipmes, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft met behulp waarvan de drie bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen en niet teruggegeven jas.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam slachtoffer1] en [Naam slachtoffer2] zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 458,50

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer1] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 900,-.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf en een maatregel zal worden opgelegd, zal de vordering tot het totaalbedrag van € 1.358,50 worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer2] door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 327,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer2] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 750,-.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf en een maatregel zal worden opgelegd, zal de vordering tot het totaalbedrag van € 1.077,- worden toegewezen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 1 primiar en 2 primair bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer1] en [Naam slachtoffer2] aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank tot het tweemaal opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77i, 77l, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77gg, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig uren, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 15 december 2006, gewezen onder parketnummer 03/550663-06. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden. Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden;

- adviseert deze straf ten uitvoer te leggen in “Het Keerpunt” te Cadier en Keer dan wel in een andere Rijksinrichting of daartoe aangewezen particuliere inrichting voor jeugdigen;

- beveelt, dat van de opgelegde jeugddetentie een deel, groot acht maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg in het Arrondissement Maastricht te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordeelt;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis -waaronder begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld- gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie;

- legt op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen voor de duur van zes maanden, bestaande uit een contact met de jeugdreclassering dat is gericht op de regie van het hulpverleningsproces en op de uitvoering van het door het bureau jeugdzorg van de jeugdreclassering voorgestelde plan van aanpak, te weten een deelname aan:

- het programma van het ITB-HKJ,

- de "FFT" (Functional Family Therapy) door Sedna en

- de SAM Training;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel meewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van zes maanden;

- verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven knipmes;

- gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven jas, merk G-STAR, aan de rechthebbende;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], [Adres slachtoffer1], te betalen een bedrag van € 1.358,50 (duizend driehonderdachtenvijftig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente van 4 mei 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer1] aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van één dag, met dien verstande dat toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer1], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer2], [Adres slachtoffer2], te betalen een bedrag van € 1.077,- (duizend zevenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 4 mei 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer2] aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van één dag, met dien verstande dat toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer2], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- gelast dat de voorwaardelijke straf opgelegd in de zaak met het parketnummer 03/550663-06, te weten een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig uren, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, kinderrechter, mr. P.E.C.M. Dahmen en mr. I. Becker-Hartenhof, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 15 augustus 2008, zijnde mr. I. Becker-Hartenhof buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.