Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BF0338

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-09-2008
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
03/700343-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreigde getuige in zaak tegen NN-verdachte

Door de rechter-commissaris is een statusbeschikking ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering genomen in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen een onbekende verdachte. Deze beschikking is dus niet genomen in de zaak van de onderhavige, met naam bekende verdachte. Om die reden heeft de onderhavige verdachte geen beroepsrecht tegen de genoemde beschikking. Het feit dat deze beschikking op een bepaald moment aan de met naam bekende verdachte is betekend doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Raadkamer 14 augustus 2008

Parketnummer: 03/700343-08

Beslissing van de raadkamer van de rechtbank Maastricht op het hoger beroep inzake de beschikking van de rechter-commissaris van 4 januari 2008, ingesteld op 12 augustus 2008, door:

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres en woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiare Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

De feiten

De rechter-commissaris heeft op 4 januari 2008 een beschikking ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering genomen, waarin een getuige de status van bedreigde getuige is verleend.

Op 20 februari 2008 heeft de rechter-commissaris de bedreigde getuige, aangeduid met nummer […], in aanwezigheid van zijn/haar raadsman gehoord.

Op 18 juli 2008 is de voornoemde beschikking van de rechter-commissaris aan verdachte in persoon betekend.

Verdachte heeft, door tussenkomst van zijn raadsvrouwe mr. Landerloo, op 12 augustus 2008 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking van de rechter-commissaris.

Het hoger beroep is op de zitting van de raadkamer d.d. 14 augustus 2008 in aanwezigheid van mr. Landerloo behandeld.

Beroepschrift

Voor de inhoud van het beroepschrift verwijst de raadkamer naar de namens de verdachte ingediende pleitnota. Deze pleitnota is in kopie bijgevoegd.

Standpunt van de officier van justitie

Door de officier van justitie is aangevoerd dat de bestreden beschikking weliswaar aanvankelijk niet ten aanzien van de onderhavige verdachte is genomen, maar dat deze beschikking nu ook in deze strafzaak dient te gelden. De beschikking is op 18 juli 2008 aan de verdachte betekend. Het hoger beroep is ingediend op 12 augustus 2008. Dit is buiten de wettelijke termijn. De verdachte dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beoordeling

De raadkamer stelt voorop dat zij zich ervan heeft overtuigd dat de rechter-commissaris de beschikking waartegen beroep is ingesteld, heeft verleend in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen een op 4 januari 2008 volgens de rechter-commissaris onbekende verdachte.

De vraag die allereerst voorligt is of verdachte ontvankelijk is in zijn beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris.

De raadkamer dient daartoe in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of een later bekend geworden verdachte een beroepsrecht toekomt wanneer de rechter-commissaris ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering aan een getuige de status van bedreigde getuige heeft gegeven in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen een onbekende verdachte.

Het eerste lid van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering omschrijft, samengevat en voor zover relevant, de procedure en bevat een aantal voorwaarden voor de verlening van de status van bedreigde getuige.

Artikel 226a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt – onder andere – dat de officier van justitie, de verdachte, en de getuige in deze procedure in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord.

Ingevolge artikel 226b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte binnen veertien dagen na betekening van een beschikking inzake de toewijzing van de status van bedreigde getuige tegen deze beschikking in hoger beroep gaan.

De raadkamer stelt vast dat de wetgever niet heeft voorzien in een hoger beroepsregeling voor een situatie als de onderhavige.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoeging in het Wetboek van Strafvordering van de artikelen 226a e.v. Wetboek van Strafvordering, (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22483, nr. 3, Memorie van Toelichting, p. 25) is het volgende te lezen:

Het is denkbaar dat een bedreigde getuige wordt verhoord in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen een onbekende dader. Het verhoor van de bedreigde getuige zal er dan juist op gericht zijn opheldering te verschaffen over de vermoedelijke dader. De officier van justitie dient tot bijwoning van dat verhoor te worden uitgenodigd. Indien de verdachte in een later stadium bekend wordt en bij de vordering bedoeld in artikel 181, derde lid, Sv wordt aangewezen, dienen de verdachte en diens raadsman, wil tenminste de verklaring van de bedreigde getuige tot bewijs gebezigd kunnen worden, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld de bedreigde getuige te ondervragen. De bedreigde getuige zal in dat geval al dan niet in opdracht van de rechter ter terechtzitting ten tweeden male door de rechter-commissaris, met inachtneming van de artikelen 226c-226f, moeten worden verhoord.

De raadkamer is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat, nu in de onderhavige aangelegenheid door de rechter-commissaris een beschikking ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering is genomen op het moment dat [Naam verdachte] nog geen verdachte was, hem in de onderhavige procedure geen beroepsrecht toekomt.

Het feit dat de beschikking van de rechter-commissaris in een later stadium aan de verdachte [Naam verdachte] is betekend doet aan het vorenstaande niet af.

Nu de bestreden beschikking niet is genomen in de strafzaak tegen [Naam verdachte] heeft laatstgenoemde hiertegen geen beroepsrecht en dient hij om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.

Beslissing

De raadkamer verklaart de appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 5 september 2008.

Door mrs. W.A.P. Hillen, voorzitter, J.H. Klifman, rechter, J.M.E. Kessels, rechter, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, zijnde de griffier niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

De officier van justitie brengt

deze beslissing ter kennis van

de verdachte

Maastricht, 5 september 2008

De Officier van Justitie