Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BE9568

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
121717 / HA ZA 07-708
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 42 Fw. Pauliana, onverplichte betaling, overbruggingskrediet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 20 augustus 2008

Zaaknummer : 121717 / HA ZA 07-708

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

Roeland Hugo Gerard Marie KERCKHOFFS Q.Q. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Nutriscience bv,

wonende te Maastricht,

eiser,

procureur mr. K.P. Meegdes;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [woonplaats]

procureur mr. F.H.C. Aarts.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties, waaronder beslagstukken, overgelegd. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord. Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Ter rolle van 19 december 2007 heeft eiser vonnis gevraagd, gedaagde heeft toen geen proceshandeling verricht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1.1 Gedaagde was tot aan het op 13 december 2006 door deze rechtbank op verzoek van gedaagde uitgesproken faillissement van Nutriscience bv (hierna ook wel “de failliet” genoemd) de enige statutaire bestuurder van Nutriscience bv. Hij was volledig en alleen bevoegd. Op 15 mei 2006 heeft gedaagde met Nutriscience bv een schriftelijke geldleningovereenkomst gesloten met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“De schuldenaar heeft behoefte aan een kortlopend overbruggingskrediet van € 70.000,- voor de periode van 25 april tot en met uiterlijk 31 december;

De Schuldeiser bereid is om dit kortlopend overbruggingskrediet tijdelijk te verstrekken.

De Schuldeiser tevens directeur is van NutriScience (de Schuldenaar –zoals de rechtbank het daar staande “Schuldernaar” verbeterd leest-). …

Artikel 1.

De schuldeiser leent per 16 mei 2006 aan de schuldenaar € 50.000,- … en per 21 juni 2006 nogmaals een bedrag van

€ 20.000,- …

Artikel 3.

Deze geldlening wordt aangegaan voor de periode van 16 mei 2006 tot uiterlijk 31 december 2006. Voor of uiterlijk op die datum zal de integrale hoofdsom van de lening door schuldenaar zijn/worden afgelost.

…”

Op 18 mei 2006 is door Nutriscience bv van gedaagde € 50.000,- ontvangen en op 23 juni 2006 is door Nutriscience bv van gedaagde € 20.000,- ontvangen.

Gedaagde heeft verder zonder schriftelijk stuk in augustus 2006 € 20.000,- aan Nutriscience bv verstrekt. Dit bedrag is op

30 augustus 2006 onder de vermelding “lening”door Nutriscience bv ontvangen.

Op 5 september 2006 is door Nutriscience bv aan gedaagde € 20.000,- terugbetaald, op 14 oktober 2006 € 51.250,- en op 24 oktober 2006 € 20.400,-. Aldus is in totaal € 91.650,- betaald, kennelijk de hoofdsommen plus rente.

2.1.2 Eiser stelt dat deze terugbetalingen Paulianeus zijn in de zin van art. 42 Fw. Zij waren namelijk onverplicht omdat er pas uiterlijk 31 december 2006 terugbetaald hoefde te worden. Door de terugbetalingen zijn crediteuren als de werknemers, de fiscus, UWV en Pensioenfondsen benadeeld terwijl gedaagde en Nutriscience bv wisten of behoorden te weten dat er door de betaling benadeling plaatsvond. De slechte financiële situatie bij Nutriscience bv was bekend bij gedaagde én bij Nutriscience bv. Daarnaast doet eiser een beroep op art. 43 Fw: de terugbetalingen zijn verricht binnen een jaar voor de faillietverklaring terwijl Nutriscience bv zich niet voor de aanvang van die termijn tot terugbetaling had verplicht. Op grond van bovenstaande heeft eiser bij aangetekend schrijven van 8 maart 2007 op grond van art. 42 Fw jo. art. 3:50 BW de nietigheid van de betreffende rechtshandelingen ingeroepen zodat de betreffende bedragen terugbetaald dienen te worden. Gedaagde is vanaf 23 maart 2007 in verzuim met die terugbetaling zodat hij eveneens wettelijke rente is verschuldigd. Verder moet gedaagde de kosten voor de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die eiser heeft verricht, betalen.

2.1.3 Eiser heeft op grond van het vorenstaande gevorderd om uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat bij buitengerechtelijke verklaring d.d. 8 maart 2007 de nietigheid van de rechtshandelingen, op 5 september 2006, 4 oktober 2006 en 14 oktober 2006 verricht, door eiser terecht en op goede gronden is ingeroepen;

2. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen € 95.455,- althans

€ 93.438,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van in verzuim zijn, zijnde dit vanaf 23 maart 2007, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, het een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure, inclusief die van het beslag.

2.2 Gedaagde is van mening dat altijd de verwachting heeft bestaan dat de failliet wel zou overleven gelet op de orderportefeuille en de cash flow en ondanks enkele tegenslagen die ernstig op het werkkapitaal drukten. Die verwachting kwam onder meer voort uit de positie van de failliet (zij was één der ondernemingen van UM (Universiteit Maastricht) Holding), en uit de orders die zij ontving. Er waren echter maar enkele opdrachtgevers waardoor schoksgewijs werd betaald terwijl er wel constante kosten waren. Dit leverde tijdelijke liquiditeitskrapte op. Deze krapte werd ondermeer overbrugd doordat gedaagde geld leende aan de failliet. Dit deed hij bij overeenkomsten van 25 april 2005, 19 september 2005 en 15 mei 2006, welke overeenkomsten gekwalificeerd moeten worden als overbruggingskredieten. Al deze leningen werden door de failliet terugbetaald onmiddellijk nadat een debiteur de failliet had betaald waaromtrent ook wilsovereenstemming tussen de failliet en gedaagde bestond. Nog op 9 november 2006 was er een vergadering van de Raad van Commissarissen (RvC) waarin bij allen het vertrouwen bestond dat het goed zou komen met de failliet. De situatie was zorgelijk maar hoopvol.

Er bestaan verder bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat er geen sprake is van Paulianeuze rechtshandelingen. Ten eerste waren vrijwel alle crediteuren op het moment van de faillietverklaring groepsmaatschappijen van UM Holding terwijl UM Holding op de hoogte was van de leningen en daarvoor ook had meegetekend. Externe concurrente crediteuren waren er nauwelijks en de leningovereenkomsten waren gebrekkig opgesteld door UM Holding omdat deze Holding er voor had moeten zorgen dat de vorderingen van de failliet op de crediteuren aan gedaagde tot zekerheid verpand hadden moeten worden. Verder is het samenstel van rechtshandelingen (het uitlenen en het betalen) zodanig dat geen sprake is van benadeling. Gedaagde heeft juist een groot risico gelopen.

Gedaagde stelt dat nergens uit blijkt dat tussentijdse opeising niet mogelijk zou zijn en dat het duidelijk was dat zodra de failliet middelen had, zij gedaagde zou terugbetalen. Dat is ook telkens geschied. In elk geval kende de leningsovereenkomst van € 20.000,- geen schriftelijke tekst en op deze betaling is dus art. 6:38 BW in elk geval van toepassing. De failliet heeft dan ook alleen maar opeisbare betalingen verricht.

Gedaagde bestrijdt dat er sprake is van benadeling. Indien het hele samenstel van rechtshandelingen wordt bekeken hebben de leningen het voortbestaan van de failliet verlengd met 1,5 jaar.

Gelet op de inhoud van het notulen van de vergadering van de RvC van 9 november 2006 kan evenmin worden geconcludeerd dat er sprake is van wetenschap van benadeling. Uit alles blijkt namelijk dat de aanwezigen de kans van overleven van de failliet groter achtten dan de kans op een faillissement.

Gedaagde stelt tenslotte dat er ongeveer 8 uren aan buitengerechtelijke kosten mogen worden gerekend.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank gaat als erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist uit van de feiten zoals deze hiervoor onder 2.1.1 zijn vermeld.

3.2 Eiser heeft de vernietiging ingeroepen van drie rechtshandelingen en wel de betalingen door de failliet aan gedaagde van 5 september 2006 van € 20.000,-, van die op 14 oktober 2006 van € 51.250,- en van die op 24 oktober 2006 van

€ 20.400,- omdat deze betalingen onverplicht zouden zijn verricht.

De stelling van eiser dat elke betaling vóór 31 december 2006 onverplicht was omdat in de overeenkomst is opgenomen dat de geldlening wordt aangegaan tot uiterlijk 31 december 2006, geeft naar het oordeel van de rechtbank een te beperkte uitleg van de overeenkomst. Uit de aanhef van de overeenkomst blijkt namelijk dat het doel van de geldlening was om aan Nutriscience bv een overbruggingskrediet tot uiterlijk 31 december 2006 te verschaffen (zie hiervoor onder 2.1.1). Een redelijke uitleg van deze bewoordingen impliceert dat de termijn van de lening gekoppeld was aan de termijn waarvoor het krediet nodig was ter overbrugging van een gebrek aan liquiditeit. Tegen het licht van deze uitleg ontstond voor Nutriscience bv de rechtsplicht om tot terugbetaling van de lening over te gaan zodra de behoefte aan krediet ter overbrugging van liquiditeitskrapte niet langer aanwezig was. Die terugbetaling was dus niet onverplicht.

3.3 De hiervoor gegeven uitleg wordt ondersteund door eerdere overbruggingskredieten die aan Nutriscience bv zijn verstrekt. In de tussen partijen gesloten geldleningovereenkomst van 25 april 2005 handelt het om een overbruggingskrediet van € 80.000,- tot uiterlijk 31 december 2005 en in de geldleningovereenkomst van 19 september 2005 om een (aanvullend) overbruggingskrediet van € 45.000,- tot uiterlijk 30 september 2005. In deze laatste overeenkomst is als extra overweging opgenomen dat Nutriscience bv een direct opeisbare schuld heeft bij Danone van € 45.000,- en daarenboven geld te vorderen heeft van Unilever dat Unilever eind september zou betalen. Uit het door gedaagde in het geding gebrachte en door eiser niet bestreden overzicht (bijlage 6 bij conclusie van antwoord) blijkt dat op 29 september 2005 een bedrag van

€ 165.000,- door een crediteur aan Nutriscience bv is voldaan, waarna een dag later door Nutriscience bv € 45.000,- op de lening(en) wordt terugbetaald en voorts dat op 20 december 2005 een bedrag van € 377.000,- door een crediteur aan Nutriscience bv is voldaan, waarna een dag later door Nutriscience bv € 80.000,- op de lening(en) wordt terugbetaald. Ook met betrekking tot onderhavige terugbetalingen blijkt uit het genoemde overzicht dat deze steeds (nagenoeg) samenvielen met betalingen van crediteuren aan Nutriscience bv. De gestelde en uit de overeenkomsten af te leiden bedoeling van de overeenkomsten stemt dus overeen met de wijze waarop aan die overeenkomsten uitvoering is gegeven.

3.4 Uit het voorgaande volgt dat de terugbetalingen niet als onverplichte rechtshandelingen zijn aan te merken. Er is geen reden om de niet op schrift gestelde leenovereenkomst anders te benaderen dan de wel op schrift gestelde. Gedaagde stelt dat deze overeenkomst met dezelfde intentie is aangegaan als de overige. Uit het meergenoemde overzicht blijkt dat de terugbetaling in verband is te brengen met betalingen aan Nutriscience bv van crediteuren. Zelfs als van deze voorwaarde / termijn niet kan worden uitgegaan, stelt gedaagde met juistheid dat als uitgangspunt aangenomen moet worden dat een lening direct opeisbaar is tenzij blijkt dat daaraan een tijdsbepaling was verbonden. Nu daaromtrent onvoldoende is gesteld, zal worden aangenomen dat de lening ten tijde van de terugbetaling opeisbaar was en die terugbetaling dus een verplichte rechtshandeling betrof.

3.5 De slotsom is dat de betalingen niet als onverplichte rechtshandelingen zijn aan te merken. Doordat eiser zijn vordering uitsluitend heeft gebaseerd op de onverplichtheid van de betalingen, leidt dit tot afwijzing van die vordering. Eiser zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van gedaagde worden veroordeeld.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eiser uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde gerezen en tot op heden begroot op € 1.136,- aan griffierecht en € 1.788,- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, Dethmers en Russel, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.