Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BE9074

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
03-700074-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat verdachte de poging tot doodslag (onder 1 primair tenlastegelegd) heeft begaan. Sprake van voorwaardelijk opzet. Daarnaast heeft verdachte een hoofdagent van de politie bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700074-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 augustus 2008

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting HvB Grave (Unit A + B), Muntlaan 1 te Grave

Raadsman is mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juli 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven (primair), dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel hem heeft mishandeld (meer subsidiair) door hem in de maag te stompen of te trappen en met zware schoenen tegen het hoofd te trappen;

Feit 2: een hoofdagent van politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [Naam slachtoffer1] (het primair tenlastegelegde). De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte en het verhoor van [Naam slachtoffer1], het toegebrachte letsel en de aard en de plaats daarvan, zoals dat uit de zich in het dossier bevindende foto’s en de medische verklaring blijkt in combinatie met de getuigenverklaringen van [Naam getuige1] en [Naam getuige2], het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris en de ter zitting getoonde schoenen. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, nu verdachte meermalen hard tegen het hoofd van verdachte heeft getrapt.

De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [Naam hoofdagent] en het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde betoogd dat bij verdachte het opzet om het slachtoffer te doden ontbrak. Ook kan niet, zo stelt de raadsman onder verwijzing naar jurisprudentie, via het voorwaardelijk opzet gekomen worden tot opzettelijk handelen. In dat verband heeft de raadsman erop gewezen dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat deze het slachtoffer weliswaar meerdere malen heeft geslagen en een tot twee keer heeft getrapt, maar dat niet duidelijk is waar verdachte het slachtoffer met het trappen heeft geraakt. Daarom is er geen sprake van het door verdachte willens en weten aanvaarden van de aanmerkelijke kans van de mogelijke dood van het slachtoffer als gevolg van zijn handelen en evenmin van het welbewust op de koop toenemen daarvan. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de sneeën die het slachtoffer op het hoofd had, het gevolg waren van het vallen van het slachtoffer in het café tegen de trap in de buurt waarvan het incident heeft plaatsgevonden. De gevolgen daarvan zouden wel toe te rekenen zijn aan verdachte, maar het opzet op het zwaar lichamelijk letsel kan hiermee niet bewezen worden geacht. Aldus kan het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet bewezen worden en dient er dus vrijspraak te volgen. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde voert de raadsman hetzelfde verweer.

Voor wat betreft het onder feit 1 meer subsidiair en het onder feit 2 tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 benadrukt hij nog eens dat verdachte in een brief zijn verontschuldigingen heeft aangeboden aan [Naam hoofdagent] en van dit feit oprecht spijt heeft.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

Op grond van de volgende bewijsmiddelen is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

In het dossier bevindt zich de aangifte van het slachtoffer [Naam slachtoffer1], dat zich weinig kan herinneren.1 Hij weet wel nog dat hij op 3 februari 2008 in de Mio-bar te Heerlen was en op een bepaald moment op de grond lag en zijn ogen niet meer open kreeg. Hij kan zich ook herinneren dat hij met de ambulance naar het ziekenhuis is gebracht en dat de dokter hem later vertelde dat hij twee hoofdwonden had die geplakt waren. Op zijn hoofd had hij zwellingen, bloeduitstortingen ter hoogte van zijn ogen en neus, en spierpijn over de rest van zijn lichaam. Hij voelde steken in zijn gezicht en had hevige hoofdpijn. Hij had het vermoeden dat iemand hem getrapt had. In de geneeskundige verklaring wordt aangegeven dat het slachtoffer kneuzingen in het gelaat had, met name aan het linker oog, een snijwond aan het voorhoofd links en aan het achterhoofd rechts.2 Daarnaast was er sprake van gering uitwendig bloedverlies. Van deze verwondingen zijn foto’s gemaakt die zich in het dossier bevinden.

Getuige [Naam getuige2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte het slachtoffer in de maag stompte.3 Het slachtoffer viel vervolgens op de grond en verdachte begon toen meteen op het slachtoffer in te trappen. [Naam getuige2] kreeg de indruk dat het slachtoffer meteen buiten westen was. [Naam getuige2] schat dat verdachte het slachtoffer zeker 5 à 10 maal getrapt heeft, terwijl het slachtoffer op de grond lag.

Getuige [Naam getuige3], die die avond in de Mio-bar werkzaam was, heeft verklaard dat verdachte zware schoenen aan had, toen hij binnen kwam.4 Foto’s van verdachtes schoenen bevinden zich in het dossier. 5 Later zag [Naam getuige3] dat binnen op de dansvloer een man op de grond lag en dat verdachte bij hem stond. Hij zag dat verdachte opgefokt was en dat het slachtoffer aan het hoofd bloedde en niet aanspreekbaar was.

Getuige [Naam getuige4] heeft verklaard verdachte te hebben gezien toen deze voorover gebogen stond.6 Door de motoriek en de bewegingen van verdachte kreeg [Naam getuige4] het vermoeden dat verdachte naar iets aan het trappen of aan het slaan was. Naar wie of wat hij aan het trappen was kon [Naam getuige4] niet zien. Hij kon alleen het gelaat en een gedeelte van het bovenlijf van verdachte zien.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard, en dit ter zitting bevestigd, dat het slachtoffer heel smerig en uit de hoogte op hem neer keek en hem een por met zijn elleboog gaf.7 Daarop heeft hij, zo zegt hij, het slachtoffer vastgepakt, hem een klap gegeven met zijn knokkels tegen het voorhoofd en hem in zijn zij geslagen. Toen het slachtoffer vervolgens gehurkt op zijn knieën zat, zegt hij hem een of twee keer geschopt te hebben. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn handen niet kapot waren.8 Op de vraag aan verdachte waar hij het slachtoffer getrapt heeft, wees hij naar de schouderstreek en een beetje naar het hoofd en heeft hij verklaard dat niet meer precies te weten.

Dat verdachte die avond het slachtoffer in de Mio-bar heeft geschopt, leidt de rechtbank af uit de verklaring van verdachte zelf en uit de verklaring van de getuige [Naam getuige2]. Het stompen in de maag leidt de rechtbank af uit de verklaring van [Naam getuige2].

Dat verdachte het slachtoffer maar één of twee keer zou hebben geschopt, is een stelling die de rechtbank niet onderschrijft. De rechtbank baseert dit oordeel op de verklaring van [Naam getuige2], die zegt gezien te hebben dat verdachte het slachtoffer 5 à 10 keer schopte en op het geconstateerde letsel. Het slachtoffer had immers twee snijwonden, één in zijn gezicht en één op zijn achterhoofd, en meerdere kneuzingen aan het hoofd. Logischerwijze moet dat letsel door meer dan een, en zelfs meer dan twee, schoppen zijn toegebracht.

Het betoog van de raadsman dat de sneeën in het hoofd van het slachtoffer zijn ontstaan door een val op/tegen een trap in de buurt waarvan het incident heeft plaatsgevonden, verwerpt de rechtbank. Geen enkele getuigenverklaring ondersteunt namelijk dit verweer.

De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte geen opzet noch voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer had.

De rechtbank onderschrijft het standpunt dat er geen sprake was van opzet: daarvoor zijn immers geen aanknopingspunten in het dossier te vinden. Van voorwaardelijk opzet is naar het oordeel van de rechtbank echter wel sprake. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat schoppen tegen een hoofd de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Ook bij verdachte mag dit gegeven bekend worden verondersteld. Voor de rechtbank staat vast dat verdachte met zware schoenen meerdere keren op verschillende plekken tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt. Het slachtoffer is op de grond terecht gekomen doordat verdachte hem een stomp in de maag heeft gegeven. Door zo te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden en heeft hij die kans kennelijk ook welbewust aanvaard en de mogelijke dood van het slachtoffer op de koop toegenomen. Er is daarom sprake van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet en dat betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De rechtbank zal het primair tenlastegelegde dan ook bewezen verklaren.

Feit 2.

Op grond van de aangifte van [Naam hoofdagent]9 en de bekentenis van verdachte ter zitting 10 zal de rechtbank ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Verdachte heeft - na zijn aanhouding gedurende de overbrenging naar het politiebureau en in het cellencomplex van het bureau - hoofdagent [Naam hoofdagent] meermalen verbaal met de dood bedreigd, zoals hierna in de bewezenverklaring staat vermeld.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair.

op 3 februari 2008 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [Naam slachtoffer1] in de maag heeft gestompt en vervolgens meermalen met kracht met zijn voet(en) waaraan hij, verdachte, zware schoenen droeg, tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 3 februari 2008 in de gemeente Heerlen [Naam hoofdagent], hoofdagent van de Politie Regio Limburg Zuid, meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte meermalen opzettelijk voornoemde [Naam hoofdagent] dreigend de woorden toegevoegd: “Die kale voor in de bus gaat er aan”, “Ik maak je kapot”, “Ik heb hier alles voor over, zelfs mijn Harley en auto”, “Ik weet jou te vinden en wacht maar als ik jou tegen kom” en “Ik hoop dat hij aangifte tegen mij doet. Dan kom ik achter zijn naam”.

4 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke worden gekwalificeerd als:

feit 1 primair

poging tot doodslag,

feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Drs. J.F.G.M. van Nunen, klinisch psycholoog, heeft op 14 mei 2008 een rapport uitgebracht over verdachte. De klinisch psycholoog concludeert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een lichte persoonlijkheidsstoornis, die ook aanwezig was ten tijde van het plegen van het feit. Ook kan er van incidenteel alcoholmisbruik gesproken worden. Daarvan was ook sprake ten tijde van het plegen van het feit. Onder de druk om voor zijn vriendin op te komen en het zich door het slachtoffer bedreigd en vernederd voelen viel mede onder de invloed van veel bier de controle bij verdachte weg en heeft verdachte agressief uitgeageerd en het slachtoffer mishandeld. De psycholoog acht verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich achter de conclusies van de klinisch psycholoog gesteld. Ook de rechtbank acht de verdachte op basis van het rapport licht verminderd toerekeningsvatbaar.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de richtlijnen van de reclassering, ook indien deze inhouden dat de verdachte dient deel te nemen aan een agressieregulatietraining.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit.

Ter zake van het onder 1 meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

In geval van een bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte gedurende zijn huidige detentie veranderd is en spijt heeft over hetgeen hij heeft aangericht. Daarom zou de rechtbank uit moeten komen op een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis, en daarnaast eventueel een voorwaardelijke deel met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, zoals door psycholoog Van Nunen geadviseerd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het slachtoffer, toen deze hem volgens zijn zeggen “vies” aankeek en hem een duw gaf, eerst geslagen en vervolgens meermalen met kracht met zijn zware schoenen tegen het hoofd getrapt, terwijl dat slachtoffer op de grond lag. Door dit agressieve gedrag raakte het slachtoffer buiten bewustzijn. Dat het slachtoffer het leven niet heeft verloren, is geenszins aan verdachte te danken.

De confrontatie met deze brute fysieke aanval veroorzaakte op dat moment bij de omstanders, die er niets mee te maken hebben en gewoon een avondje uit zijn of hun werk doen, gevoelens van onveiligheid en angst. Zijn gedrag heeft ook lichamelijk en psychisch leed bij het slachtoffer teweeg gebracht, weliswaar niet op het moment zelf, omdat hij direct buiten bewustzijn was en zich niets meer herinnert van het voorval, maar wel daarna. Hij had veel pijn en hij schaamde zich om zich op zijn werk aan de klanten te vertonen vanwege alle kneuzingen in zijn gezicht. Ook houdt hij er een litteken in zijn gezicht aan over.

Hoofdagent [Naam hoofdagent] voelde zich door de voortdurende bedreigende uitingen van verdachte bedreigd en geïntimideerd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij iemand die gewoon zijn werk doet, zo bejegent. Dit gedrag is volstrekt ongepast.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met het reeds genoemde psychologisch rapport, waaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. De psycholoog adviseert behandeling van verdachte, in het kader van reclasseringstoezicht, opdat verdachte kan werken aan zijn gebrekkige agressieregulatie.

Verdachte is in het verleden met politie en justitie in aanraking gekomen wegens mishandeling en heeft daarvoor een transactie voldaan. Dit jaar is verdachte veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke taakstraf (een werkstraf) wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. Deze gegevens heeft de rechtbank ook betrokken bij de bepaling van de strafmaat.

Gelet op de ernst van de feiten, de agressie die verdachte bij deze en eerdere feiten heeft getoond en het advies van de psycholoog, is de rechtbank van oordeel dat zowel een onvoorwaardelijke als een voorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is. De door de officier van justitie geëiste straf, gebaseerd op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feitencomplexen die met het onderhavige grosso modo vergelijkbaar zijn, is in beginsel een passende strafmaat. Deze is echter naar het oordeel van de rechtbank in dit geval te zwaar, omdat de rechtbank gebleken is dat verdachte zijn agressieproblematiek inziet en daaraan iets wil doen, en hij, ook ter zitting, oprecht spijt heeft betuigd. Zo heeft hij [Naam hoofdagent] zijn excuses per brief aangeboden en probeert hij met [Naam slachtoffer1] in contact te komen om zich te verontschuldigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, op zijn plaats is. De rechtbank acht het verder van groot belang dat verdachte gaat werken aan zijn agressieproblematiek. Derhalve zal de rechtbank verplicht reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde opleggen bij het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, mede ook om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Naam slachtoffer1] vordert ter zake van feit 1 primair een schadevergoeding van € 1135,50, waarvan € 515,50 ter zake van materiële schade en € 620,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade van € 1135,50 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor deze schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan.

De benadeelde partij [Naam hoofdagent] vordert een schadevergoeding van € 125,00 ter zake van feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7 Het beslag

De inbeslaggenomen schoenen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is namelijk gebleken dat de schoenen aan verdachte toebehoren en dat het onder 1 primair bewezenverklaarde hiermee is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair poging tot doodslag;

feit 2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt dat de veroordeelde moet deelnemen aan een agressieregulatietraining;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een paar zwarte schoenen met dikke zolen en metalen stukjes, kleur zwart, New Rock;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], wonende te [Adresgegevens slachtoffer1], van € 1.135,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] in het kader van deze procedure tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer1] € 1.135,50 te betalen, en bepaalt dat bij niet betaling een verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle € 50,-- van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat, als de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en vice versa dat, als de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam hoofdagent], wonende te [Adresgegevens hoofdagent], van € 125,00;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam hoofdagent] in het kader van deze procedure tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam hoofdagent] € 125,00 te betalen, en bepaalt dat bij niet betaling een verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle € 50,00 van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat, als de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en vice versa dat, als de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. E.W.A. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 augustus 2008.

Buiten staat

Mr. Nuijts en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

---------------------------------------------------------------------------------

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 03 februari 2008 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [Naam slachtoffer1] in de maag heeft gestompt en/of getrapt en/of (vervolgens) een of meermalen met kracht met zijn voet(en) waaraan hij, verdachte, hoge en/of zware schoen(en) droeg tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2008 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [Naam slachtoffer1] in de maag heeft gestompt en/of getrapt en/of (vervolgens) een of meermalen met kracht met zijn voet(en) waaraan hij, verdachte, hoge en/of zware schoen(en) droeg tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 februari 2008 in de gemeente Heerlen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer1]), in de maag heeft gestompt en/of getrapt en/of (vervolgens) een of meermalen met kracht met zijn voet(en) waaraan hij, verdachte, hoge en/of zware schoen(en) droeg tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 03 februari 2008 in de gemeente Heerlen [Naam hoofdagent], hoofdagent van de Politie Regio Limburg Zuid, een of meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte een of meermalen (telkens) opzettelijk voornoemde [Naam hoofdagent] dreigend de woorden toegevoegd :"die kale voor in de bus gaat er aan", "Ik maak je kapot", "Ik heb hier alles voor over, zelfs mijn Harley en auto", "ik weet jou te vinden en wacht maar als ik jou tegen kom"

en/of "Ik hoop dat hij aangifte tegen mij doet. Dan kom ik achter zijn naam" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

---------------------------------------------------------------------------------

1 Het proces-verbaal van aangifte van [Naam slachtoffer1], opgenomen op pagina 60 en 61 van het eind proces-verbaal dossiernummer 2008015198, van politie Regio Limburg-Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt. Hierna zal telkens worden verwezen naar dit eind proces-verbaal dat is doorgenummerd van 1 tot en met 92.

2 Geneeskundige verklaring van 3 februari 2008, pagina 91.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam getuige2], pagina 73-74.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam getuige3], pagina 76-77.

5 Fotomap, pagina 88-90.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam getuige4], pagina 79.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door de rechter-commissaris van de rechtbank Maastricht op 5 februari 2008.

8 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 18 juli 2008.

9 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 67-68.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 18 juli 2008.