Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9867

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 22 en AWB 07 / 23
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunningen (met vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO) voor het oprichten van een tankstation voor personenauto's respectievelijk vrachtauto's, elk met twee afleverzuilen (gemeente Sittard-Geleen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 07 / 22 en AWB 07 / 23

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake de gedingen tussen

[BV X], gevestigd te Sittard, en

[BV Y], gevestigd te Sittard-Geleen,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Aan de gedingen hebben als partij deelgenomen:

[BV belanghebbende 1],

gevestigd te Nieuwstadt (procedures AWB 07/22 en AWB 07/23),

[BV belanghebbende 2],

gevestigd te Tilburg (procedure AWB 07/23), en

[BV belanghebbende 3],

gevestigd te Tilburg (procedure AWB 07/22).

Datum bestreden besluiten: 13 februari 2007

Kenmerk bestreden besluiten: 06/114556 07/106324 (07/22) en 07/106323 (07/23)

Behandeling ter zitting: 23 april 2008

1. Procesverloop

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, als het bevoegde bestuursorgaan in de onderhavige zaken.

Eisers hebben bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van verweerder op hun bezwaar van 9 januari 2006, welk beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 07/23. Zij hebben bij deze rechtbank eveneens beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van verweerder op hun bezwaar van 2 mei 2006, welk beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 07/22.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in beide beroepen ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit met kenmerk 07/106323 heeft verweerder een besluit genomen op het bezwaar van eisers van 9 januari 2006. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit met kenmerk 06/114556 07/106324 heeft verweerder een besluit genomen op het bezwaar van eisers van 2 mei 2006.

Eisers hebben de rechtbank desgevraagd laten weten dat de hiervoor genoemde besluiten niet geheel aan hun bezwaren tegemoet komen, zodat de beroepen van eisers ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen die besluiten.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van deze rechtbank op 23 april 2008, waar eisers zich hebben doen vertegenwoordigen door L.H.A. Beursgens, bijgestaan door F.A.L. Kamps, advocaat te Sittard, en A.Q.C. Tak.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.L. Stoop, advocaat te Sittard, M.G.W. Rutten en R. Pruyssenaere de la Woestijne.

De overige partijen hebben zich gezamenlijk doen vertegenwoordigen door L.T.A. Slabbers en J.J.I. Jeurissen.

2. Overwegingen

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers exploiteren aan [adres 1] te Sittard een tankstation voor personenauto’s en vrachtwagens.

[BV belanghebbende 1] heeft verweerder op 16 januari 2004 verzocht om vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Oost” (hierna: het bestemmingsplan) voor het oprichten van een tankstation voor personenauto’s met twee afleverzuilen en een tankstation voor vrachtwagens met één afleverzuil, beide op [adres 2] te Nieuwstadt, kadastraal bekend als gemeente Nieuwstadt, sectie G, nummers 623 en 566. Dit perceel is gelegen op een afstand van circa 750 meter van het tankstation van eisers. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan de bestemming ‘Horeca H’ en de aanduiding ‘Parkeervoorzieningen’. De realisatie van tankstations is daarmee in strijd. De aanvraag van [BV belanghebbende 1] om vrijstelling is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing.

Op 18 juni 2005 heeft [BV belanghebbende 1] de aanvraag om vrijstelling voor wat betreft het tankstation voor vrachtwagens ingetrokken. Vervolgens heeft zij bij brief van 22 juni 2005 alsnog een aangepast verzoek om vrijstelling gedaan voor een tankstation voor vrachtwagens met twee afleverzuilen op dezelfde locatie, waarbij een nieuwe afzonderlijke ruimtelijke onderbouwing is gevoegd.

[BV belanghebbende 2] heeft verweerder bij aanvraag van 5 september 2005 verzocht om een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een tankstation voor personenauto’s met twee afleverzuilen aan [adres 2] te Nieuwstadt. Op 27 september 2005 hebben gedeputeerde staten van de provincie Limburg een verklaring van geen bezwaar afgegeven voor de gevraagde vrijstelling voor het tankstation voor personenauto’s. Op 18 oktober 2005 heeft verweerder de gevraagde vrijstelling voor het tankstation voor personenauto’s verleend met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Bij besluit van 2 december 2005 heeft verweerder vervolgens aan [BV belanghebbende 2] de gevraagde bouwvergunning verleend.

Op 20 december 2005 heeft [BV belanghebbende 3] bij verweerder een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een tankstation voor vrachtwagens met twee afleverzuilen aan [adres 2] te Nieuwstadt. Gedeputeerde staten van de provincie Limburg hebben op 17 januari 2006 een verklaring van geen bezwaar afgegeven voor de op 22 juni 2005 gevraagde vrijstelling voor het tankstation voor vrachtauto’s. Op 28 maart 2006 heeft verweerder de op 22 juni 2005 gevraagde vrijstelling voor het tankstation voor vrachtwagens verleend met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Bij besluit van 3 april 2006 heeft verweerder aan [BV belanghebbende 3] de gevraagde bouwvergunning verleend.

Het door eisers tegen het besluit van 2 december 2005 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit met kenmerk 07/106323 ongegrond verklaard. Het door eisers tegen het besluit van 3 april 2006 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit met kenmerk 06/114556 07/106324 ongegrond verklaard.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het processuele belang van eisers bij hun beroepen, voor zover gericht tegen het uitblijven van besluiten op hun bezwaren, is vervallen doordat verweerder deze besluiten alsnog heeft genomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het belang van eisers niet kan zijn gelegen in hun aanspraak op vergoeding van de door hen op de proceskostenformulieren opgevoerde deskundigenkosten (voor de door A. Tak verleende juridische bijstand) in deze procedures, zoals zij desgevraagd ter zitting te kennen hebben gegeven. Die kosten dienen namelijk te worden aangemerkt als kosten voor rechtskundige bijstand, ten aanzien waarvan in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is vastgelegd dat enkel de daarin beschreven processuele handelingen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, met die restrictie dat de vergoeding niet meer bedraagt dan de daarin vastgestelde bedragen. De toekenning van die vergoeding is voorts niet afhankelijk van een gegrondverklaring van het beroep. Het voorgaande brengt met zich dat de beroepen, voor zover gericht tegen het uitblijven van besluiten op de bezwaren van eiseres, niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. De rechtbank ziet daarbij aanleiding voor een proceskostenveroordeling, die aan het eind van deze uitspraak nader zal worden gespecificeerd.

Ten aanzien van de beroepen, voor zover gericht tegen de reële besluiten, overweegt de rechtbank het volgende.

Nu de beroepsgronden tegen deze besluiten nagenoeg gelijkluidend zijn, zal de rechtbank de twee beroepen hierna zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Waar nodig zal op de zaken afzonderlijk worden ingegaan. Gelet op de inhoud van de beroepschriften en het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat eisers in beroep hun bezwaargronden volledig hebben gehandhaafd. De rechtbank stelt echter vast dat eisers ter zitting nog een nieuwe beroepsgrond naar voren hebben gebracht, inhoudende - kort gezegd - dat het verweerder niet vrijstond om voorafgaand aan de besluitvorming een convenant aan te gaan omtrent het gebruik van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden. Het eerst ter zitting aanvoeren van deze nieuwe beroepsgrond is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eisers deze beroepsgrond niet in een eerder stadium van de procedure voor de rechtbank hebben kunnen aanvoeren. Voorts is evenmin gebleken dat deze beroepsgrond is gebaseerd op feiten die reeds in het beroepschrift zijn gesteld. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de nieuwe beroepsgrond verder niet bij haar beoordeling betrekken.

Alvorens inhoudelijk op de beroepen in te gaan, overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit het bepaalde in artikel 55, aanhef en onderdeel a, van de WRO en artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet vloeit voort dat de besluiten van verweerder tot het verlenen van vrijstelling en de verklaringen van geen bezwaar van gedeputeerde staten in het kader van bezwaar en beroep geacht moeten worden onderdeel uit te maken van de door verweerder verleende bouwvergunningen. Dit brengt met zich dat de tegen die bouwvergunningen gerichte bezwaren van eisers mede moeten worden geacht te zijn gericht tegen de daarbij horende vrijstellingen en verklaringen van geen bezwaar. In dat verband betogen eisers dat hun bezwaar, voor zover gericht tegen de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten van 27 september 2005, ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in het bestreden besluit met kenmerk 07/106323. Dit betoog kan echter niet worden aanvaard. Hoewel het bestreden besluit op dit punt duidelijker had kunnen worden geformuleerd, komt hieruit naar het oordeel van de rechtbank toch voldoende naar voren dat verweerder heeft beoogd om het bezwaar van 9 januari 2006 volledig ongegrond te verklaren, dus ook voor zover het betrekking heeft op de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005 die onderdeel uitmaakt van de verleende bouwvergunning van 2 december 2005. De niet-ontvankelijk-verklaring in het bestreden besluit moet naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs worden geacht betrekking te hebben op het zelfstandige bezwaar dat eisers reeds op 26 oktober 2005 tegen de verklaring van geen bezwaar hebben ingediend. De rechtbank merkt in dit verband volledigheidshalve nog op dat de onderhavige procedure zich niet uitstrekt tot de toetsing van dat besluit tot niet-ontvankelijkverklaring, nu deze procedure uitsluitend betrekking heeft op het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 9 januari 2006 en het reële besluit dat vervolgens alsnog op dat bezwaar is genomen.

De rechtbank dient in deze zaken, aan de hand van de beroepsgronden, te toetsen of verweerder zijn besluiten zorgvuldig heeft voorbereid, of hij bevoegd was om de vrijstellingen te verlenen en of hij, na afweging van alle daarbij rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid van die bevoegdheid tot vrijstelling gebruik heeft mogen maken. Daarnaast dient de rechtbank te toetsen, eveneens aan de hand van de beroepsgronden, of verweerder terecht is overgegaan tot het verlenen van de bouwvergunningen. De rechtbank zal de zaken bespreken in de volgorde van het hiervoor genoemde toetsingskader, waarbij de standpunten van partijen daar waar nodig zullen worden weergegeven.

Met betrekking tot de voorbereiding van de besluiten tot het verlenen van vrijstelling betogen eisers allereerst dat een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven door de overname van de aanvraag om vrijstelling van [BV belanghebbende 1] door [BV belanghebbende 2], alsmede door de wijze waarop de aanvankelijke aanvraag om vrijstelling voor het gehele project, derhalve voor de bouw van zowel een tankstation voor personenauto’s als een tankstation voor vrachtwagens, gedurende de voorbereidingsprocedure is gesplitst in twee afzonderlijke aanvragen.

De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat van de door eisers gestelde overname van de aanvraag tot vrijstelling geen sprake is geweest, hetgeen eisers ter zitting ook hebben erkend. Voorts overweegt de rechtbank dat van het aanvankelijke voornemen om vrijstelling te verlenen voor het gehele project kennis is gegeven op de daarvoor in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze. Nadat de aanvankelijke aanvraag om die vrijstelling gedeeltelijk was ingetrokken en vervolgens een aangepaste aanvraag was gedaan voor vrijstelling voor de bouw van een tankstation voor vrachtwagens (ditmaal met twee afleverzuilen), heeft verweerder wederom op de hiervoor genoemde wijze kennis gegeven van het voornemen om die nieuwe aanvraag te honoreren.

Daarbij is bovendien medegedeeld dat een eerder verzoek tot vrijstelling voor de bouw van een tankstation voor vrachtwagens is ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zodoende heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb rustende verplichting tot kennisgeving van de ontwerpen van de besluiten. Door middel van de tweede publicatie is naar het oordeel van de rechtbank voorts voldoende duidelijk gemaakt, zo daartoe al een verplichting bestond, dat de eerdere aanvraag tot vrijstelling slechts was ingetrokken voor zover deze betrekking had op het tankstation voor vrachtwagens. Een verplichting om de letterlijke tekst van de intrekking van de aanvraag te publiceren, zoals eisers voorstaan, kan voorts niet worden aangenomen. Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een onjuiste voorstelling van zaken.

Eisers betogen voorts dat bij de voorbereiding van het besluit van 28 maart 2006 tot het verlenen van vrijstelling voor de bouw van het tankstation voor vrachtwagens is nagelaten diverse voor de beoordeling van die vrijstelling noodzakelijke stukken ter inzage te leggen. Eiser doelen daarbij allereerst op de inspraakprocedure die conform artikel 6a van de WRO heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt in dit verband dat een dergelijke inspraakprocedure dient om zicht te krijgen op de maatschappelijke haalbaarheid van een project en op zaken die nieuw zijn dan wel nader onderzocht moeten worden, voordat tot primaire besluitvorming kan worden overgegaan. Een verplichting om tijdens die procedure alle door eiser in dit verband genoemde stukken ter inzage te leggen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aanvaard.

Eisers doelen voorts op de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Awb (hierna: zienswijzeprocedure), die op de inspraakprocedure is gevolgd. De rechtbank overweegt in dat verband allereerst dat verweerder stelt dat de door eisers genoemde onderzoeksrapporten in die procedure wel degelijk ter inzage hebben gelegen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat vaststaat dat eisers in elk geval zelf van verweerder de beschikking hebben gekregen over die onderzoeksrapporten en dat zij de gelegenheid hebben gehad om hun zienswijze daarop tijdens de zienswijzeprocedure en de daarop volgende bezwarenprocedure naar voren te brengen. Om die reden zijn eisers door het eventueel niet ter inzage leggen van die rapporten tijdens de zienswijzeprocedure, wat daar verder ook van zij, niet benadeeld. Voorts is niet aannemelijk geworden dat andere belanghebbenden zijn benadeeld door het mogelijk niet ter inzage leggen van die stukken.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de eventuele schending van het in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb vervatte vormvoorschrift kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In dit verband verwijst de rechtbank ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2005 (LJN: AU1765). Aan die eventuele schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank dan ook verder voorbij gaan.

Ten aanzien van de overige door eisers in dit verband genoemde stukken (de gedeeltelijke intrekking van de aanvraag om vrijstelling van 18 juni 2005, de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005, het vrijstellingsbesluit van 18 oktober 2005 en de aanvraag van 5 september 2005 om een bouwvergunning door [BV belanghebbende 2]) is de rechtbank van oordeel dat deze tijdens de zienswijzeprocedure niet ter inzage hadden behoeven te worden gelegd, nu deze stukken redelijkerwijs niet noodzakelijk kunnen worden geacht voor de beoordeling van de voorgenomen vrijstelling voor de bouw van het tankstation voor vrachtwagens. Om die reden is van een schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb - zoals kennelijk door eisers gesteld - ten aanzien van die stukken dan ook geen sprake.

Eisers betogen voorts dat verweerder de besluiten over het tankstation voor personenauto’s uit het oogpunt van zorgvuldige voorbereiding had dienen aan te houden in afwachting van de reacties van belanghebbenden op de vrijstelling voor de bouw van het tankstation voor vrachtwagens. Die reacties had verweerder namelijk bij de besluitvorming omtrent het tankstation voor personenauto’s moeten betrekken. De rechtbank overweegt in dat verband dat ten tijde van het bestreden besluit van 13 januari 2007 over het tankstation voor personenauto’s in elk geval ook alle reacties van belanghebbenden op de vrijstelling voor de bouw voor vrachtwagens bij verweerder bekend waren en dat verweerder mede op grond daarvan dat bestreden besluit heeft genomen. Om die reden is het door eiser gestelde gebrek in de voorbereiding van het besluit tot het verlenen van de vrijstelling voor de bouw van personenauto’s, wat daar verder ook van zij, in bezwaar in elk geval hersteld. Om die reden zal de rechtbank daaraan dan ook verder voorbij gaan.

Met betrekking tot het betoog van eisers dat verweerder de provincie "om bericht en raad" had dienen te vragen, volstaat de rechtbank ten slotte met de constatering dat geen wettelijke bepaling verplicht tot nadere raadpleging van enig provinciaal orgaan na de afgifte van de benodigde verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten. Feiten of omstandigheden op basis waarvan verweerder in deze zaken desalniettemin de provincie had dienen te betrekken bij zijn besluitvorming zijn de rechtbank niet gebleken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot zorgvuldige voorbereiding van zijn besluiten.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of verweerder bevoegd was tot het verlenen van de vrijstellingen. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Eisers betogen dat de plannen tot de bouw van de twee tankstations niet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij stellen daartoe dat voor de tankstations geen planologische noodzaak bestaat en dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte wordt uitgegaan van de economische haalbaarheid, gelet op de door eisers te lijden planschade en de publieke gelden die daarmee gemoeid zullen zijn. Tussen partijen hadden in verband met de besluitvorming bindende afspraken omtrent de vergoeding van die planschade moeten worden gemaakt. Het planologisch kader van het project is volgens eisers onduidelijk.

Voorts betogen eisers dat de door verweerder aan zijn besluiten ten grondslag gelegde rapporten omtrent de verkeersveiligheid ondeugdelijk zijn. Zij verwijzen in dit verband ook naar een beschikking van 21 maart 1988 van de voorzitter van de toenmalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

In die beschikking is volgens eisers onherroepelijk vastgesteld dat huidige plannen tot realisatie van de twee tankstations onaanvaardbaar zijn vanwege de verkeersveiligheid ter plaatse. Een publiekrechtelijke regeling van de situatie van het parkeerterrein ten laste van [adres 2] ontbreekt en er bestaat geen publiekrechtelijke garantie van groenvoorziening. De ruimtelijke onderbouwing geeft onvoldoende aandacht aan de ecologische belangen. Ten slotte betogen eisers dat ten behoeve van de tankstations geen Hinderwetvergunning is verleend en dat verweerder geen aandacht heeft besteed aan de landschappelijke inpassing van de tankstations.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de realisatie van de twee tankstations dient te worden aangemerkt als een relatief geringe inbreuk op het geldende planologische regime. Mede in het licht daarvan zal moeten worden beoordeeld welke eisen aan de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing moeten worden gesteld. De rechtbank overweegt voorts dat het in de jurisprudentie ontwikkelde urgentiecriterium in het kader van de vrijstelling is vervallen bij de wijziging van artikel 19 van de WRO in 2000. Om die reden is voor de toelaatbaarheid van een vrijstelling niet langer vereist dat voor het project een planologische noodzaak bestaat, zodat het betoog van eisers ter zake niet kan worden aanvaard. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eisers mogelijk aanspraak hebben op vergoeding van planschade onvoldoende aanleiding vormt om te oordelen dat de tankstations niet economisch haalbaar zijn. Een verplichting om in het kader van de besluitvorming omtrent de vrijstelling van het bestemmingsplan afspraken te maken omtrent de vergoeding van die planschade kan naar het oordeel van de rechtbank noch uit de vigerende regelgeving noch uit de jurisprudentie worden afgeleid.

Met betrekking tot de verkeersveiligheid ter plaatse overweegt de rechtbank het volgende. Allereerst stelt de rechtbank vast dat in de door eisers overgelegde beschikking van 21 maart 1988 van de Voorzitter van de toenmalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State is overwogen dat ten tijde van die beschikking twijfel bestond over de verkeersveiligheid ter plaatse, en dat die twijfel in die procedure niet is weggenomen door enig verkeersdeskundig rapport. Anders dan in die procedure zijn in de onderhavige procedure echter juist meerdere deskundigenrapporten omtrent de verkeersveiligheid ingebracht. De rechtbank zal de verkeersveiligheid ter plaatse dan ook aan de hand van die rapporten beoordelen. Voor zover eisers hebben betoogd dat de beschikking van 21 maart 1988 eraan in de weg staat dat in de onderhavige procedure aan de hand van die rapporten een andersluidend oordeel omtrent de verkeersveiligheid wordt ingenomen, kan dit betoog niet worden aanvaard. Daargelaten dat deze beschikking naar haar aard slechts een voorlopig oordeel bevat en nog los van het feit dat de verkeersituatie in 1988 niet zonder meer op een lijn kan worden gesteld met de huidige verkeerssituatie, laat de beschikking bovendien onmiskenbaar de mogelijkheid open dat een verkeersdeskundig rapport de op dat moment bestaande twijfel over de verkeersveiligheid kan wegnemen. De rechtbank dient in deze procedures te beoordelen of dit het geval is.

In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder zich in het bestreden besluit (met name) heeft beroepen op een rapport omtrent de verkeersveiligheid van 7 december 2006 van Drieweg Advies (hierna: Drieweg), dat is gebaseerd op verkeerstellingen die hebben plaatsgevonden in de periode van 27 november 2006 tot en met 3 december 2006.

Onder verwijzing naar dat rapport heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van de twee tankstations geen sprake zal zijn van een significante vermeerdering van het verkeer ter plaatse in vergelijking met de situatie zonder die tankstations. Om die reden leveren de tankstations volgens verweerder geen onveilige verkeerssituatie op.

Eisers bestrijden in beroep het standpunt van verweerder dat de tankstations geen significante vermeerdering van verkeersbewegingen tot gevolg hebben. Zij verwijzen daartoe naar een in hun opdracht door Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij) uitgebracht rapport van 6 december 2007. Ten behoeve van dat rapport zijn op 18 september 2007 nogmaals ter plaatse verkeerstellingen uitgevoerd. Op basis van die tellingen concludeert Grontmij dat, anders dan uit de tellingen van Drieweg naar voren komt, wel degelijk sprake blijkt te zijn van een significante toename van het verkeersaanbod in vergelijking tot de situatie zonder de tankstations. Uitgaande van die toename in het verkeersaanbod stelt Grontmij dat de verkeersveiligheid ter plaatse als gevolg van de tankstations is afgenomen.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Gelet op de zogenoemde ex-tunc toetsing die in beroep dient plaats te vinden, zal de rechtbank in deze procedure uit dienen te gaan van de feiten zoals die zijn vastgesteld ten tijde van de bestreden besluiten. Feiten die zijn opgekomen na die bestreden besluiten zullen niet bij die toetsing mogen worden betrokken. Dit brengt met zich dat de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uitsluitend dient te beoordelen of het rapport van Drieweg zorgvuldig tot stand is gekomen en of dit rapport inhoudelijk concludent is. Bij die beoordeling zal de rechtbank nadien uitgebrachte deskundigenrapporten kunnen betrekken, doch slechts voor zover die nieuwe rapporten betrekking hebben op de vaststelling en de waardering van de feiten zoals die zijn vastgesteld ten tijde van de bestreden besluiten.

Uit het hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de door eisers in beroep naar voren gebrachte kritiek op het rapport van Drieweg geen betrekking heeft op de wijze waarop het verkeersonderzoek door Drieweg heeft plaatsgevonden, noch op de juistheid van de door Drieweg uitgevoerde verkeerstellingen of de conclusies die Drieweg op basis daarvan heeft getrokken. De kritiek van eisers is daarentegen volledig gebaseerd op de tellingen van 18 september 2007, waaruit volgens eisers achteraf bezien feitelijk blijkt dat de weergave van de verkeerssituatie in het rapport van Drieweg van 7 december 2006 niet juist is. Nu de tellingen van 18 september 2007 hebben plaatsgevonden na de betreden besluiten, zal de rechtbank die tellingen - gelet op de hiervoor genoemde ex-tunc toetsing in beroep - echter niet bij haar beoordeling kunnen betrekken. Nu eisers in beroep de deugdelijkheid van het rapport van Drieweg niet op andere gronden hebben bestreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder het onderzoek van Drieweg niet aan zijn bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder er bij de ruimtelijke onderbouwing vanuit mocht gaan dat de tankstations geen significante toename in de verkeersbewegingen tot gevolg zou hebben en dat de verkeersveiligheid ter plaatse om die reden niet zou afnemen.

Ten slotte hebben eisers in het kader van de verkeersveiligheid nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daartoe hebben zij aangevoerd dat zij destijds bij het realiseren van hun tankstation verplicht waren om het ter plaatse aanwezige fietspad om te leiden, aangezien het kruisen van de oprit en de afrit van het tankstation met het fietspad verkeersonveilig werd geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat het geval van eisers niet gelijk is aan het onderhavige geval, nu de op- en afrit van de parkeerplaats al werd gekruist door een fietspad voordat de tankstations zijn gerealiseerd en er ten tijde van het bestreden besluit van mocht worden uitgegaan dat de plaatsing van de tankstations geen verkeersonveilige situatie met zich zou brengen, zoals hiervoor is overwogen. Alleen al op grond van het voorgaande faalt het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel.

Met betrekking tot de door eisers gesteld noodzaak van een Hinderwetvergunning - waarmee eisers, naar de rechtbank begrijpt, doelen op een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer - overweegt de rechtbank allereerst dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat een dergelijke vergunning voor de tankstations ook daadwerkelijk is vereist. Los daarvan overweegt de rechtbank dat de vrijstellingsprocedure slechts onder omstandigheden zal moeten worden aangehouden in afwachting van het verkrijgen van die vergunning. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien te verwachten is dat aan die vergunning voorwaarden zullen worden verbonden die een aanpassing in het bouwplan noodzakelijk maken. Feiten of omstandigheden op grond waarvan in deze zaken de vergunning in het kader van de Wet milieubeheer - voor zover al vereist - had moeten worden afgewacht, zijn de rechtbank echter niet gebleken.

Ten aanzien van het planologisch kader van de vrijstellingen overweegt de rechtbank het volgende. In de ruimtelijke onderbouwingen ten behoeve van de beide vrijstellingen is weergegeven welk rijks-, provinciaal- en gemeentebeleid daarop van toepassing is en waarom de tankstations binnen dit beleid passen. Eisers hebben niet onderbouwd waarom het aldus weergegeven planologisch kader niet inzichtelijk is, zodat de rechtbank daaraan verder voorbij zal gaan. Daarnaast hebben eisers gesteld dat er verscheidene infrastructurele veranderingen op komst zijn waarmee in de ruimtelijke onderbouwing rekening had moeten worden gehouden. De rechtbank is echter niet gebleken dat deze toekomstige plannen - nog daargelaten of deze concreet genoeg zijn om bij de ruimtelijke onderbouwing te moeten worden betrokken - van invloed zullen zijn op de verkeerssituatie ter plaatse. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het planologisch kader in de ruimtelijke onderbouwingen voldoende duidelijk is weergegeven.

Met betrekking tot de ecologische belangen overweegt de rechtbank dat door Groen-planning Maastricht B.V. een flora- en faunaonderzoek is verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een memo van 16 juni 2005. Op grond van dat onderzoek is vervolgens geconcludeerd dat de toekomstige locatie van tankstation nauwelijks ecologische waarde heeft en dat in het kader van de Flora- en faunawet of de Beleidsregel Natuurcompensatie van de provincie Limburg derhalve geen aanvullende maatregelen genomen hoeven te worden. Deze conclusie is door eisers niet betwist. Gelet op het voorgaande is de stelling van eisers, inhoudende dat aan de ecologische belangen onvoldoende aandacht is besteed, niet begrijpelijk.

De rechtbank begrijpt dat eisers met de landschappelijke inpassing van de tankstations doelen op de welstandsaspecten van de realisatie van de tankstations. De rechtbank volstaat hier met de constatering dat die welstandsaspecten bij de ruimtelijke onderbouwing geen rol spelen. Ten aanzien van de besluiten tot het verlenen van de bouwvergunningen is de welstand wel van belang. De rechtbank zal daarop in dat verband dan ook nog nader ingaan.

Aan de stellingen van eisers dat een publiekrechtelijke regeling van de situatie van het parkeerterrein ten laste van [adres 2] ontbreekt en dat geen publiekrechtelijke garantie van groenvoorziening bestaat, gaat de rechtbank voorbij, nu eisers niet feitelijk hebben onderbouwd waarop zij in dat verband doelen en waarom die voorzieningen noodzakelijk zijn.

Al het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de plannen tot de bouw van de tankstations zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

De rechtbank stelt voorts vast dat gedeputeerde staten ten behoeve van de beide vrijstellingen een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder van de verklaring van geen bezwaar van 17 januari 2006 gebruik heeft mogen maken ten behoeve van de vrijstelling voor de bouw van het tankstation voor vrachtwagens.

De rechtbank dient, gelet op de in dit verband aangevoerde beroepsgronden, te toetsen of dit ook het geval is ten aanzien van de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005 ten behoeve van het tankstation voor personenauto’s.

Eisers betogen in dat verband dat de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005 op een ondeugdelijke grondslag berust omdat deze is verleend ten behoeve van een andere persoon dan de aanvrager van de vrijstelling en op grond van een andere aanvraag dan die ter inzage heeft gelegen en die onderwerp is geweest van de inspraak- en zienswijzeprocedure. Bovendien is de verklaring verleend op grond van een ruimtelijke onderbouwing die is opgesteld voor een ander project, aldus eisers.

De rechtbank stelt allereerst vast dat van een verlening van de vrijstelling aan een ander dan de aanvrager geen sprake is geweest, hetgeen hiervoor in het kader van de voorbereiding van de vrijstellingen al is overwogen. De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005 is gebaseerd op het gedeelte van de aanvraag van 16 januari 2004 dat betrekking heeft op de bouw van het tankstation voor personenauto’s. Die aanvraag van 16 januari 2004 is onderwerp geweest van een zienswijzeprocedure. Het betoog van eisers, kennelijk inhoudende dat de in die procedure naar voren gebrachte zienswijzen niet ten grondslag kunnen liggen aan de verklaring van geen bezwaar omdat deze zienswijzen mede betrekking hebben op de destijds voorgenomen vrijstelling voor de bouw van een tankstation voor vrachtwagens, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aanvaard. Deze omstandigheid laat immers onverlet dat de zienswijzen eenvoudigweg ook betrekking hebben op het voornemen om vrijstelling te verlenen voor de bouw van het tankstation voor personenauto’s, zodat niet valt in te zien waarom deze zienswijzen in zoverre niet ten grondslag kunnen liggen aan de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke onderbouwing die bij de aanvraag van 16 januari 2004 is gevoegd; ook ten aanzien daarvan valt niet in te zien waarom deze niet ook kan dienen als ruimtelijke onderbouwing voor slechts het gedeelte van de aanvraag dat betrekking heeft op het tankstation voor personenauto’s. Eisers hebben dit ook niet nader onderbouwd, zodat de grieven dienaangaande dienen te falen.

Het voorgaande brengt met zich dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij gebruik mocht maken van de verklaring van geen bezwaar van 27 september 2005.

Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hem de bevoegdheid toekwam om op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor zowel de bouw van het tankstation voor personenauto’s als de bouw van het tankstation voor vrachtwagens.

De rechtbank is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder, na afweging van alle daarbij rechtstreeks betrokken belangen, niet in redelijkheid van die bevoegdheid tot het verlenen van die vrijstellingen gebruik heeft mogen maken. Voor zover eisers hebben beoogd te stellen dat verweerder had dienen af te zien van het verlenen van vrijstelling vanwege de door hen te lijden planschade, overweegt de rechtbank volledigheidshalve nog het volgende.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 december 2005, LJN: AU7951) mag de enkele omstandigheid dat andere, in de buurt van het bouwperceel gelegen, tankstations mogelijkerwijs nadeel ondervinden van het onderhavige plan voor verweerder geen grond zijn om aan de realisering van dat bouwplan zijn medewerking te onthouden. Tot het reguleren van concurrentieverhoudingen is verweerder in het kader van de hem in de WRO opgedragen taak niet geroepen. Eerst indien waarschijnlijk is dat die uitbreiding leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector, komt het onthouden van medewerking aan de orde. Niet gesteld noch gebleken is dat de in geding zijnde tankstations een dergelijke ontwrichting tot gevolg hebben.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder terecht is overgegaan tot het verlenen van de bouwvergunningen.

In dat verband overweegt de rechtbank allereerst dat de bezwarenadviescommissie heeft geadviseerd om de aan [BV belanghebbende 2] verleende bouwvergunning van 2 december 2005 voor het tankstation voor personenauto's te herzien omdat deze vergunning blijkens de daarbij horende bouwtekening ten onrechte mede voorziet in een tankstation voor vrachtwagens. Eisers betogen dat verweerder dit advies ten onrechte niet heeft overgenomen. De rechtbank is echter van oordeel dat het voornoemde standpunt van de adviescommissie niet kan worden aanvaard. Op de betreffende bouwtekening zijn namelijk geen afleverzuilen voor vrachtwagens weergegeven, zodat van een tankstation voor vrachtwagens op die tekening dan ook geen sprake is. Wel zijn op de tekening twee ondergrondse brandstoftanks weergegeven, die (mede) voorzien in de opslag van de brandstof voor het tankstation voor vrachtwagens. Deze brandstoftanks zijn ook op de bouwtekening bij de bouwvergunning voor het tankstation voor vrachtwagens weergegeven. Gelet echter op de samenhang tussen de beide bouwvergunningen en de daarop gegeven toelichting ter zitting dient er naar het oordeel van de rechtbank van te worden uitgegaan dat verweerder de bouw van in totaal twee ondergrondse brandstoftanks heeft vergund, die voorzien in de brandstofopslag voor zowel het tankstation voor personenauto's als het tankstation voor vrachtwagens. Om die reden moet een aanpassing van de bouwtekening niet noodzakelijk worden geacht. In dit verband merkt de rechtbank ten slotte nog op, naar aanleiding van hetgeen eisers ter zake naar voren hebben gebracht, dat er geen twijfel over kan bestaan dat verweerder tijdens zijn vergadering van 13 februari 2007 akkoord is gegaan met de afwijking van het voornoemde advies van de bezwarenadviescommissie. Het bestreden besluit is immers in overeenstemming met artikel 59a, eerste lid, van de Gemeentewet ondertekend door de burgemeester en mede-ondertekend door de secretaris.

Het limitatief en imperatief karakter van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet brengt met zich dat een bouwvergunning slechts mag worden geweigerd indien sprake is van een (of meer) van de omstandigheden als genoemd in de onderdelen a tot en met e van dat artikel. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen uitsluitend in geschil is - los van de vraag of vrijstelling van het bestemmingsplan kon worden verleend, hetgeen hiervoor al aan de orde is gekomen - of de tankstations in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. In dat verband overweegt de rechtbank dat de welstandscommissie van verweerders gemeente zich in twee adviezen op het standpunt heeft gesteld dat de realisatie van de tankstations niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juni 2004, LJN AP4681) mogen burgemeester en wethouders in beginsel doorslaggevende betekenis aan een dergelijk welstandsadvies toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een andersluidend advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit wordt slechts anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat burgemeester en wethouders het niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hadden mogen leggen. Nu eisers ten aanzien van de welstand geen andersluidend advies hebben overgelegd en voorts niet is gebleken dat de door verweerder aan zijn besluiten ten grondslag gelegde welstandsadviezen naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen, heeft verweerder aan die welstandadviezen doorslaggevende betekenis mogen toekennen.

Het voorgaande brengt met zich dat verweerder terecht is overgegaan tot het verlenen van de bouwvergunningen van 2 december 2005 en 3 april 2006.

Eisers verzoeken ten slotte, onder verwijzing naar de uitspraak van 10 november 2004 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), om oplegging van een boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Gelet op de inhoud van die uitspraak begrijpt de rechtbank dat eisers hebben beoogd om te verzoeken om vergoeding van immateriële schade als gevolg van die termijnoverschrijding.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis het processuele gedrag van eisers gedurende de hele procesgang, de ingewikkeldheid van de zaak, de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van eisers, alsmede de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld. De redelijke termijn begint in een procedure als de onderhavige te lopen op het moment waarop de belanghebbende bezwaar maakt tegen het primaire besluit, tenzij in de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat de toegang tot de rechter al op een eerder moment in geding is. Dergelijke omstandigheden zijn de rechtbank in deze procedure echter niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat eisers op 9 januari 2006 en op 2 mei 2006 bezwaar hebben gemaakt en dat de rechtbank in beroep op 2 juli 2008 uitspraak doet. Daarmee is gegeven dat de onderhavige procedures in totaal (bijna) 30 maanden respectievelijk 26 maanden hebben geduurd.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het hiervoor genoemde beoordelingskader en de duur van de procedures, dat de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2007 (LJN: BA0664) en het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (LJN: AO9006), waarin is bepaald dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In die termijn is de duur van de bezwarenfase inbegrepen. Voorts heeft de rechtbank bij haar beoordeling in aanmerking genomen dat de overschrijding van de redelijke termijn niet is gelegen in het processuele gedrag van eisers. Weliswaar is naar aanleiding van een door hen in bezwaar ingediende contra-expertise in het kader van de verkeersveiligheid besloten tot nader onderzoek en een nadere hoorzitting, doch dit leidt niet tot het oordeel dat de vertraging in de procedure daarom gedeeltelijk aan eisers is te wijten.

Een dergelijk nader onderzoek was naar het oordeel van de rechtbank namelijk ook zonder die contra-expertise noodzakelijk geweest, nu het door verweerder aanvankelijk aan zijn besluiten tot vrijstelling ten grondslag gelegde verkeersonderzoek van Adviesbureau Swieb in dat verband niet toereikend moet worden geacht. Gelet op het voorgaande, alsmede op het feit dat tussen het indienen van de bezwaren op 9 januari 2006 en 2 mei 2006 en de bestreden besluiten een periode van één jaar en één maand respectievelijk acht maanden is verstreken, is de rechtbank voorts van oordeel dat de vertraging in de procedure gedeeltelijk een gevolg is van een niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming van verweerder.

Nu aan het hiervoor beschreven tijdsverloop het vermoeden kan worden ontleend dat de overschrijding van de redelijke termijn niet uitsluitend aan verweerder is toe te rekenen, maar deze mogelijk ook het gevolg is van een rechterlijke overschrijding van die termijn, ziet de rechtbank aanleiding, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuurs¬rechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2008 (LJN: BD3121), te bepalen dat het onderzoek zal worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding. Dit impliceert tevens dat de rechtbank, bij gebreke van een andere wettelijke voorziening dan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb, gehouden is de beroepen, voor zover gericht tegen de reële besluiten, gegrond te verklaren en de bestreden besluiten te vernietigen. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen bestaat er evenwel aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten volledig in stand zullen blijven.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen hebben moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb. De rechtbank kent ten aanzien van de beroepen tegen het uitblijven van besluiten op de bezwaren van eisers in totaal 2 punten toe voor de indiening van de beroepschriften en bepaalt het gewicht van deze beroepen op zeer licht (wegingsfactor 0,25). De waarde per punt is vastgesteld op € 322,-. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand voor deze beroepen bedraagt derhalve 2 x € 322,- x 0,25 = € 161,-.

De rechtbank kent ten aanzien van de beroepen tegen de reële besluiten in totaal 3 punten toe voor de indiening van de twee (aanvullende) beroepschriften en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van deze beroepen op gemiddeld (wegingsfactor 1). De waarde per punt is vastgesteld op € 322,-. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand voor de deze beroepen bedraagt derhalve 3 x € 322,- x 1 = € 966,-.

De door eisers opgevoerde verletkosten in verband met de behandeling van hun verzoek om een voorlopige voorziening komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu de veroordeling in de kosten ingevolge artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van de beroepen. De door eisers opgevoerde advieskosten komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten moeten worden aangemerkt als kosten voor rechtsbijstand ten aanzien waarvan ingevolge het Bpb uitsluitend de hiervoor genoemde bedragen kunnen worden toegekend, zoals ook reeds eerder in deze uitspraak in het kader van de ontvankelijkheid van de beroepen tegen het uitblijven van besluiten op de bezwaren van eisers is overwogen.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:73, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt beslist als aangegeven in rubriek 3.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen het uitblijven van besluiten op de bezwaren van eisers, niet-ontvankelijk;

2. verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen de bestreden besluiten, gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand blijven;

4. bepaalt dat aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 562,- wordt vergoed door de gemeente Sittard-Geleen;

5. veroordeelt verweerder in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen hebben moeten maken, begroot op € 1127,- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Sittard-Geleen aan eisers;

6. bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers, als voorzitter, en R.E. Bakker en T.E.A. Willemsen, leden, in tegenwoordigheid van P.M. van den Brekel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.

w.g. P. van den Brekel w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 3 juli 2008

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.