Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9760

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
295581 EJVERZ 08-2471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onterecht verwijt dat de werknemer (psychotherapeut in dienst van een TBS-kliniek) zijn twijfels over het ten aanzien van een patiënt te volgen behandelplan rechtstreeks aan die patiënt zou hebben medegedeeld. De werknemer ontkent geloofwaardig en heeft bovendien onweersproken gesteld dat zijn (op zichzelf genomen toegelaten) twijfel de patiënt bereikt kan hebben via de sociotherapeut.

Dat de werknemer als getuige-deskundige tijdens een rechtszitting verklaringen heeft afgelegd die afbreuk (kunnen) doen aan het door zijn werkgever opgestelde behandelplan of advies ten aanzien van die patiënt is niet verwijtbaar. De werknemer is door de rechter immers expliciet naar zijn oordeel over dat behandelplan en advies gevraagd en is dan gehouden naar eer en geweten te antwoorden.

De overige stellingen van de werkgever worden verworpen met uitzondering van de stelling dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Volgt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met vergoeding aan de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 295581 EJ VERZ 08-2471

typ: RW

beschikking van 7 augustus 2008

in de zaak van

Stichting Forensisch Psychiatrisch Instituut “De Rooyse Wissel”,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te 5807 EA Oostrum, gemeente Venray, Wanssumseweg 12,

verzoekende partij, hierna ook aan te duiden als “De Rooyse Wissel”,

gemachtigde: mr. H. Barrahmun, advocaat te Venlo,

tegen

[verweerder],

wonende te [adres],

verwerende partij, hierna ook aan te duiden als “[verweerder]”,

gemachtigde: mr. drs. S.C. Blommendaal advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie zijn achtereenvolgens de volgende stukken ingediend:

- een verzoekschrift met producties (ingekomen op 12 juni 2008);

- een (gecorrigeerd) verweerschrift met producties (ingekomen op 3 juli 2008);

Partijen en de gemachtigden zijn gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van donderdag 10 juli 2008. Namens De Rooyse Wissel zijn, naast mr.Barrahmun voornoemd, verschenen [interim hoofd P&O] (ad interim hoofd PenO) en [hoofd therapeutische dienst] (hoofd therapeutische dienst). Van het aldaar verhandelde is door de griffier schriftelijk aantekening gehouden. Ter zitting is door de gemachtigde van De Rooyse Wissel een pleitnota overgelegd.

Na sluiting van de mondelinge behandeling zijn nog de volgende stukken ingediend:

- een faxbericht van De Rooyse Wissel (ingekomen op 23 juli 2008);

- een faxbericht van De Rooyse Wissel (ingekomen op 28 juli 2008);

- een faxbericht van [verweerder] (ingekomen op 29 juli 2008);

- een faxbericht van De Rooyse Wissel (ingekomen op 30 juli 2008).

Daarna is beschikking bepaald op heden.

MOTIVERING

De Rooyse Wissel beheert en bestuurt een forensisch psychiatrisch instituut waar zogenoemde TBS-patiënten worden behandeld.

Vaststaat dat [verweerder], geboren op [1951], sedert 1 juni 2004 krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam is in dienst van De Rooyse Wissel in de functie van psychotherapeut. [verweerder] is in die hoedanigheid werkzaam voor twee vestigingen van De Rooyse Wissel, respectievelijk in Oostrum en in Maastricht. Het loon van [verweerder] bedraagt, uitgaande van een 24-urige werkweek, maandelijks € 3.722,85 bruto, te verhogen met 8% vakantiebijslag, 1% toelage levensloop, 4,5% eindejaarsuitkering en € 220,12 bijdrage ziektekosten(verzekering), in totaal derhalve € 4.455,55 bruto per maand.

Bij brief van 24 april 2008 heeft De Rooyse Wissel [verweerder] medegedeeld dat met hem is “afgesproken” dat hij met ingang van 25 april 2008 is vrijgesteld van het verrichten van arbeid, onder doorbetaling van het loon.

De Rooyse Wissel verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] met onmiddellijke ingang, althans op zo kort mogelijke termijn, te ontbinden op grond van gewichtige redenen bestaande in veranderingen in de omstandigheden. Volgens De Rooyse Wissel kan het toekennen van een vergoeding aan [verweerder] niet aan de orde zijn.

De Rooyse Wissel onderbouwt haar verzoek - in grote lijnen - als volgt.

[verweerder] maakt deel uit van een multidisciplinair behandelteam, bestaande uit een hoofd sociotherapeutisch milieu, een psychiater, een psychotherapeut, één of meer sociotherapeuten, een maatschappelijk werker, een individueel trajectbegeleider, therapeuten en een hoofd behandeling. Het hoofd behandeling bepaalt uiteindelijk de inhoud van het behandelplan en dient dit plan in- en extern te verantwoorden. Van de individuele teamleden wordt verwacht dat zij zich aan dit behandelplan conformeren. [verweerder] kan, in weerwil van herhaald verzoek, zich niet naar deze werkwijze schikken, hetgeen blijkt uit een aantal recentelijk plaatsgevonden hebbende incidenten. Zo was er in november 2007 een incident waarbij [verweerder] aan patiënt O. heeft laten blijken het niet eens te zijn met het voor deze patiënt opgestelde behandelplan. Dit volgens De Rooyse Wissel op zichzelf al afkeurenswaardige gedrag, heeft er toe geleid dat [verweerder] op verzoek van de advocaat van patiënt O. door de behandelende rechtbank in Groningen is opgeroepen als deskundige. Volgens De Rooyse Wissel heeft [verweerder] in strijd met de regels die beogen de privacy van de patiënten te beschermen, via zijn privé e-mailadres gecorrespondeerd met die advocaat. De oproeping is volgens De Rooyse Wissel zeer ongebruikelijk. Normaliter wordt namelijk enkel het hoofd behandeling als deskundige opgeroepen. Ondanks instructies van en/of afspraken met De Rooyse Wissel heeft [verweerder] zich tijdens de zittingen bij de rechtbank op 19 december 2007 en 8 april 2008 niet terughoudend opgesteld, geen overleg gepleegd met, of verwezen naar de eveneens bij die zittingen als deskundige aanwezige heer [hoofd behandeling] (hoofd behandeling) en voorts heeft [verweerder] zich tijdens de zitting op 8 april 2008 negatief uitgelaten over de organisatie en verklaard dat hij zich niet kan vinden in het behandelplan. Partijen hebben hierna een principiële discussie gevoerd over het antwoord op de vraag of [verweerder] in soortgelijke situaties in de toekomst identiek zal handelen. Omdat [verweerder] die vraag bevestigend heeft beantwoord, is volgens De Rooyse Wissel een vruchtbare samenwerking tussen partijen onmogelijk geworden. Omdat het [verweerder] aan “zelfreflectie en zelfkritiek ontbreekt” is verbetering in de ogen van De Rooyse Wissel illusoir. De arbeidsrelatie acht zij ernstig verstoord, te ernstig om met [verweerder] verder te gaan.

[verweerder] heeft tot zijn verweer - kort samengevat en voor zover relevant - het volgende aangevoerd.

De Rooyse Wissel beroept zich, waar zij verwijst naar een aantal incidenten, enkel op het incident omtrent patiënt O. Daarvóór heeft [verweerder] nooit enig signaal bereikt dat hij niet naar behoren zou functioneren. Zijn functioneren is altijd als goed beoordeeld en op vele punten zelfs “prima en beter dan van u verwacht mag worden” dan wel “excellent”. [verweerder] ontkent via zijn privé e-mailadres met de advocaat van O. te hebben gecorrespondeerd. Bovendien heeft hij zijn leidinggevenden van de inhoud van de correspondentie in kennis gesteld en is hij door hen geïnstrueerd hoe te reageren op het bericht van de advocaat. [verweerder] ontkent aan patiënt O. uitlatingen gedaan te hebben omtrent zijn twijfels over het behandelplan. Twijfel heeft hij wel kenbaar gemaakt aan het multidisciplinaire behandelteam tijdens de halfjaarlijkse behandelplanbesprekingen waarbij O. aanwezig was. Voorts is het mogelijk dat berichten over interne verschillen van opvatting O. hebben bereikt via de sociotherapeut. [verweerder] heeft zich naar aanleiding van de oproepingen van de rechtbank om op de zittingen te verschijnen verplicht geacht daaraan gehoor te geven en aldaar als getuige-deskundige naar zijn geweten, onafhankelijk van de instructies van De Rooyse Wissel, de rechter in te lichten. Hem valt hieromtrent dan ook geen enkel verwijt te maken. De Rooyse Wissel heeft het conflict laten escaleren door haar eenzijdig en principieel onjuiste beroep op de gehoorzaamheidsplicht. [verweerder] heeft in eerste instantie een zelfstandig tegenverzoek ingediend om op grond van de verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst te doen ontbinden. Dit verzoek heeft [verweerder] na de mondelinge behandeling ingetrokken.

De kantonrechter overweegt het volgende.

De kantonrechter heeft zich er van vergewist dat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met het bestaan van enig bijzonder opzegverbod.

Hetgeen door partijen over een weer is aangevoerd omtrent de Schemagerichte Cognitieve Therapie (hierna: SCT) en de “moeite” die [verweerder] met die therapie en de daarmee samenhangende casusconceptualisaties heeft, is door de kantonrechter bij de hierboven weergegeven standpunten van partijen buiten beschouwing gelaten en zal ook niet in de beoordeling van het verzoek betrokken worden. Ter zitting is door De Rooyse Wissel immers benadrukt dat het functioneren van [verweerder] met betrekking tot de betreffende therapie geen reden is geweest voor het thans aanhangige verzoek. Het vervolgens wel aan [verweerder] eerst ter zitting gemaakte verwijt dat hij zonder diens leidinggevende in kennis te hebben gesteld op eigen initiatief een cursus SCT heeft afgebroken, wordt eveneens buiten beschouwing gelaten. De Rooyse Wissel heeft de betreffende stelling niet onderbouwd met enig relevant stuk en bovendien heeft [verweerder] ter zitting betwist dat hij zijn leidinggevende niet op de hoogte zou hebben gesteld.

Het door De Rooyse Wissel gestelde ontbreken van “zelfkritiek en zelfreflectie” aan de zijde van [verweerder] blijkt onvoldoende uit de gedingstukken. Ter zitting is door De Rooyse Wissel nog gewezen op de door [verweerder] overgelegde productie 4, bestaande uit onder meer een beoordelingsformulier aan de hand van een gesprek van 29 juni 2005 tussen [verweerder] en zijn toenmalige leidinggevende. Hetgeen in dat formulier onder punt 36 wordt vermeld, is evenwel hooguit als een aandachtspunt te betitelen en kan niet of nauwelijks worden aangemerkt als aanwijzing voor “een gebrek aan zelfkritiek of zelfreflectie”. Bij nadere beschouwing van een ander formulier betreffende een nadien verrichte beoordeling in 2006 wordt het standpunt van De Rooyse Wissel zelfs ongeloofwaardig nu in dat formulier omtrent het aspect zelfreflectie het volgende is opgenomen:

“Is uitstekend te noemen. Jan is kritisch naar zichzelf, staat open voor evaluatie van anderen, leert hiervan en wijzigt op grond hiervan zijn eigen gedrag of zijn eigen standpunten”.

De perikelen met betrekking tot patiënt O. worden door De Rooyse Wissel opgevoerd als één van meer incidenten die zich met betrekking tot het functioneren van [verweerder] hebben voorgedaan. Met betrekking tot die andere “incidenten” zijn evenwel door De Rooyse Wissel geen stukken overgelegd omdat, zoals De Rooyse Wissel stelt, deze niet zijn gedocumenteerd. Zelfs is door De Rooyse Wissel nagelaten een opsomming en/of een beknopte beschrijving van zulke “incidenten” te geven. De kantonrechter zal bij zijn oordeel over het ontbindingsverzoek dan ook uitsluitend betrekken hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het conflict betreffende de patiënt O. en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de arbeidsrelatie. Van het bestaan van andere incidenten is onvoldoende gebleken.

Ten aanzien van patiënt O. wordt [verweerder] primair verweten dat hij zich tegenover die patiënt negatief heeft uitgelaten over de behandeling en/of het behandelplan.

Dit verwijt treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. [verweerder] heeft ter zitting op geloofwaardige wijze benadrukt zich ten opzichte van O. niet negatief uitgelaten te hebben over het behandelplan.

Opvallend is dat De Rooyse Wissel niet (het blijkt althans niet uit hetgeen is aangevoerd) aan [verweerder] zelf heeft gevraagd wat hij al dan niet tegen O. gezegd zou hebben. Gelet op aard, karakter, persoon en/of problemen van O., waarbij het zeer wel mogelijk is dat deze een geheel eigen draai heeft gegeven aan mededelingen van [verweerder], had dit wel voor de hand gelegen.

[verweerder] heeft erkend negatieve uitlatingen te hebben gedaan en/of vragen te hebben gesteld tijdens multidisciplinaire besprekingen waarbij het te doen gebruikelijk is dat de patiënt in kwestie eveneens aanwezig is. De Rooyse Wissel heeft dit in zoverre betwist dat bij dergelijke besprekingen de behandeling/het behandelplan eerst wordt bediscussieerd nadat de betreffende patiënt de ruimte heeft verlaten. Wat de Rooyse Wissel evenwel niet heeft betwist is de verder ter zitting door [verweerder] ingenomen stelling dat de patiënt via de sociotherapeut nadien met inbegrip van alle nuances verneemt wat is besproken tijdens een dergelijke bijeenkomst. De kantonrechter concludeert aan de hand van de gedingstukken en de behandeling ter zitting dat wel vaststaat dat [verweerder] kritische opmerkingen heeft gemaakt over het behandelplan/de behandeling van patiënt O. maar dat het helemaal niet vaststaat dat hij rechtstreeks aan O. zijn twijfels over de gekozen behandelmethode heeft geuit. Bovendien is het kennelijk bij De Rooyse Wissel praktijk dat die kritiek of twijfel de betreffende patiënt bereikt of kan bereiken via de sociotherapeut. Dat patiënt O. van de (kritische) mening van [verweerder] op de hoogte was, kan dus voor De Rooyse Wissel geen verrassing zijn geweest en kan zij [verweerder] ook niet verwijten. Uit het voorgaande volgt tevens dat [verweerder] geen verwijt kan worden gemaakt dat hij door de advocaat van O. per e-mail van 7 september 2007 is gevraagd naar zijn mening omtrent de behandeling van O. in relatie tot een mogelijke toekomstige oproep van [verweerder] om als getuige-deskundige te verschijnen bij een door de rechtbank te beoordelen verlengingsprocedure t.b.s.

De juistheid van het verwijt van De Rooyse Wissel dat [verweerder] via zijn privé

e-mailadres met de advocaat van O. heeft gecorrespondeerd valt niet uit de gedingstukken af te leiden. Er is e-mailcontact geweest met die advocaat doch niet vast te stellen valt dat dit via het privé e-mailadres van [verweerder] is gebeurd. Saillant detail is overigens dat De Rooyse Wissel stelt dat corresponderen via privé e-mail niet is toegestaan wegens het risico van privacyschending van patiënten. Nog daargelaten wat er verder zij van dat argument, moet worden vastgesteld dat uitsluitend in de door De Rooyse Wissel overgelegde stukken de naam van patiënt O. volledig wordt vermeld. Ook overigens kan [verweerder] geen verwijt worden gemaakt omtrent zijn wijze van corresponderen met de advocaat. Hij heeft immers openheid van zaken betracht en de e-mail van 7 september 2007 van de advocaat (als bijlage) op 11 september 2007 per e-mail doorgezonden aan (onder meer) zijn leidinggevende [hoofd therapeutische dienst] met de vraag of er bezwaren of opmerkingen van haar kant waren. Het ter zitting ingenomen standpunt van De Rooyse Wissel dat zij de e-mail van de advocaat nooit eerder heeft gezien dan als productie bij het verweerschrift moet als hoogst onaannemelijk van de hand worden gewezen. Bovendien heeft Van de Vis ter zitting erkend dat het zeer wel mogelijk is dat zij de afhandeling van de door [verweerder] doorgezonden e-mail van de advocaat aan iemand anders binnen De Rooyse Wissel heeft overgelaten.

Vervolgens heeft [verweerder] in een nadien aan de advocaat gerichte e-mail de boot afgehouden en verwezen naar het hoofd behandeling als de aangewezen persoon om op een zitting bij de rechtbank als getuige-deskundige op te treden. Met een dergelijke terughoudende opstelling van [verweerder] kan De Rooyse Wissel hem bezwaarlijk verwijten dat hij alsnog is opgeroepen om als getuige-deskundige op te treden.

Ook het verwijt van De Rooyse Wissel dat [verweerder] zich tijdens de diverse zittingen bij de rechtbank niet correct, althans niet conform de met haar gemaakte “afspraken” zou hebben gedragen, kan niet worden gevolgd.

Ten aanzien van de zitting van 19 december 2007 heeft De Rooyse Wissel een “Verslag bijwonen verlengingszitting de heer O. 19 december 2007” overgelegd, dat is opgesteld door juridisch medewerker [juridisch medewerker].

Opvallend is dat dit “verslag” eerst is opgesteld nadat de verhoudingen tussen partijen reeds waren verstoord, namelijk op 21 mei 2008 en niet enkel weergeeft wat ter zitting zou zijn gezegd, laat staan woordelijk. Het “verslag” kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als een objectieve weergave van hetgeen ter zitting is besproken worden aangemerkt, doch bevat in belangrijke mate persoonlijke opinies van de opsteller van het stuk.

Het verwijt dat [verweerder] wordt gemaakt is, dat hij op eigen initiatief, zonder ruggespraak met de eveneens ter zitting aanwezige [hoofd behandeling] (hoofd behandeling), antwoord heeft gegeven op de vraag van de rechter. Zelfs indien van de juistheid van het “verslag” zou moeten worden uitgegaan, is dit stuk ten aanzien van hetgeen ter zitting is besproken dermate vaag, dat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat [verweerder] voor wat betreft zijn gedrag ter zitting enig verwijt gemaakt kan worden. Onduidelijk is immers welke vragen de rechter heeft gesteld en welke antwoorden [verweerder] heeft gegeven en hoe het precieze verband tussen een en ander was.

De zitting van 12 maart 2008 kan onbesproken blijven nu de opgeroepen getuigen-deskundigen en dus ook [verweerder] tijdens die zitting niet aan het woord zijn geweest.

Ten aanzien van het verhandelde ter zitting van 8 april 2008 heeft De Rooyse Wissel eveneens een verslag laten opstellen, en wel op 28 mei 2008 door meergenoemde [hoofd behandeling]. Ook dit verslag kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als een objectieve weergave van hetgeen ter zitting is besproken worden aangemerkt. Vaststaat wel, althans door [verweerder] is erkend, dat hij tijdens die zitting heeft verklaard het door De Rooyse Wissel ten aanzien van patiënt O. gegeven verlengingsadvies niet te kunnen onderschrijven. Dat dit in strijd zou zijn met de door De Rooyse Wissel aan hem gegeven instructies kan wel zo zijn, maar dat [verweerder] desondanks een met die instructies strijdige verklaring heeft afgelegd kan hem bezwaarlijk worden verweten. Hij is immers als getuige-deskundige gehouden (naar eer en geweten) zijn eigen, en in dit geval zelfs afwijkende, professionele oordeel over het verlengingsadvies te geven nu hem dat door de rechter tijdens die zitting uitdrukkelijk is gevraagd. Daartegen zijn “instructies” van De Rooyse Wissel niet bestand.

Dat de verhoudingen tussen partijen door de perikelen met betrekking tot patiënt O. inmiddels zijn verstoord moet worden erkend. Illustratief is dat partijen na de mondelinge behandeling op 10 juli 2008 tevergeefs hebben gepoogd afspraken te maken een “mediationtraject in te gaan”. Zelfs over de startdatum van dit traject zijn partijen niet tot overeenstemming kunnen komen. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst met [verweerder] dan ook ontbinden per 1 september 2008. De naar verhouding beperkte duur van het dienstverband en de ingrijpendheid van het conflict spelen bij dit oordeel een rol, gevoegd bij de realiteit dat [verweerder] zich nu al 3½ maand bij gedwongen non-activiteit neerlegt.

De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of en, zo ja, tot welke hoogte een vergoeding aan [verweerder] toegekend dient te worden.

Gelet op de voorgaande overwegingen kan het standpunt van De Rooyse Wissel, inhoudende dat [verweerder] geen vergoeding toekomt, niet worden gevolgd. Opgemerkt dient echter te worden dat de verstoorde verhoudingen niet enkel De Rooyse Wissel zijn aan te rekenen. Ook [verweerder] heeft zijn aandeel hierin gehad. Na zijn optreden ter zitting van 8 april 2008 bij de Rechtbank Groningen hebben tussen [verweerder] en (onder anderen) [hoofd therapeutische dienst] gesprekken plaatsgevonden op 17 april 2008 en 24 april 2008, met als inzet het principiële antwoord op de vraag wat [verweerder] in de toekomst zou doen, mocht zich een situatie voordoen die vergelijkbaar is met die van patiënt O. [verweerder] heeft zich te weinig verzet tegen deze door de werkgever gestelde reductie van het in casu spelende - min of meer principiële - probleem en is daar juist volledig in meegegaan. Hij heeft immers kennelijk geantwoord dat hij in voorkomende gevallen op dezelfde wijze zou handelen. Het had naar het oordeel van de kantonrechter (ook) op de weg van [verweerder] gelegen om deze (heilloze) principiële discussie te omzeilen en te pogen op een pragmatischere wijze met De Rooyse Wissel de gesignaleerde problematiek te bespreken. Daarnaast is niet gebleken dat [verweerder], nadat hij bij brief van 24 april 2008 met ingang van 25 april 2008 op non-actief was gesteld (de stelling van De Rooyse Wissel dat hij met ingang van die datum op basis van een afspraak is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden kan niet worden gevolgd nu [verweerder] juist had aangeboden zijn werkzaamheden te willen blijven uitoefenen), nog pogingen heeft ondernomen om met De Rooyse Wissel tot een vergelijk te komen en in ieder geval tot werkhervatting te geraken.

Verder weegt bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding mee dat [verweerder] tot op de dag van de mondelinge behandeling desondanks (gelet op de berusting in non-activiteit en dus werkloosheid) geen enkele sollicitatieactiviteit heeft verricht. Dat hij, zoals hij zelf heeft gesteld, eerst de uitkomst van deze procedure wilde afwachten, is niet begrijpelijk. [verweerder] heeft hiermee willen suggereren dat hij er rekening mee hield terug te keren bij De Rooyse Wissel. Die terugkeer achtte [verweerder] zelf echter niet gewenst of mogelijk aangezien hij ook tijdens de mondelinge behandeling nog stug vasthield aan zijn (tegen)verzoek eveneens strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hij wilde er dus op dat moment kennelijk zeker van zijn dat er een einde zou komen aan de arbeidsrelatie met De Rooyse Wissel. Dat hij dit (tegen)verzoek na de mondelinge behandeling alsnog heeft ingetrokken, is naar het oordeel van de kantonrechter louter door tactische motieven ingegeven. Ten slotte staat voldoende vast en zal ook worden meegewogen dat [verweerder] zeker niet vrijuit gaat in het mislukken van het nog niet eens begonnen mediationtraject (de overgelegde correspondentie levert daarvoor aanwijzingen).

Het voorgaande leidt er toe dat aan [verweerder] een vergoeding zal worden toegekend van € 18.000,00 bruto. De Rooyse Wissel zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW in de gelegenheid worden gesteld uiterlijk op 15 augustus 2008 haar verzoek in te trekken.

BESLISSING

Voor het geval De Rooyse Wissel haar verzoek uiterlijk 15 augustus 2008 niet intrekt:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2008.

Kent aan [verweerder] een ten laste van De Rooyse Wisselt komende vergoeding toe ten bedrage van € 18.000,00 bruto.

Veroordeelt De Rooyse Wissel -voor zover nodig- tot betaling van die vergoeding aan [verweerder].

Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Voor het geval De Rooyse Wissel haar verzoek uiterlijk 15 augustus 2008 intrekt:

Veroordeelt de Rooyse Wissel tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 400,00.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken, door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter en door deze en mr. R.J.G. Welters, griffier, getekend.