Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD7191

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
03-703105-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft deelgenomen aan de voorbereiding en de uitvoering van de gewelddadige beroving van het slachtoffer. Deze beroving mondde uit in het dood steken van het slachtoffer door verdachtes mededader.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege aan de verdachte op te leggen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703105-06

Datum uitspraak: 24 juni 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 augustus 2007 en 10 juni 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de het PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier te Vught.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij, verdachte, op of omstreeks 4 februari 2006 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp (telkens) in het lichaam van voornoemde [Naam slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 4 februari 2006 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s) met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp (telkens) in het lichaam van voornoemde [Naam slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 4 februari 2006 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s) met dat opzet voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met (een) mes(sen), in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp (telkens) in diens lichaam gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten afpersing van verdovende middelen en/of geld in vereniging gepleegd, in elk geval door hem, verdachte, alleen gepleegd en/of diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen voornoemde [Naam slachtoffer] gepleegd van verdovende middelen en/of geld, in vereniging gepleegd, in elk geval door hem, verdachte, alleen gepleegd en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

met strafoplegging mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 4 februari 2006 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verdovende middelen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [Naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal opzettelijk (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp in diens lichaam heeft/hebben gestoken en/of gesneden, welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [Naam slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 4 februari 2006 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [Naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van verdovende middelen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [Naam slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp (telkens) in diens lichaam heeft/hebben gestoken en/of gesneden, welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [Naam slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

De vrijspraak

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair, subsidiair en 1ste meer subsidiair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het 1ste meer subsidiair ten laste gelegde, de gekwalificeerde doodslag, heeft begaan. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer.

Volgens de officier van justitie heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de afpersing van het slachtoffer, van wie te verwachten viel dat hij zich zou verdedigen, geweld zou worden aangewend met behulp van de door de verdachte en zijn mededader meegenomen voorwerpen, meer in het bijzonder van het mes, waarmee het slachtoffer de dodelijke steken zijn toegebracht.

Volgens de officier van justitie kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze dodelijke steken heeft toegebracht, maar verdachtes deelname aan de geweldadigheden bij de beroving (de verdachte heeft het slachtoffer op het hoofd geslagen) en de samenwerking met zijn mededader, maken dat de dodelijke steken aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het 1ste meer subsidiair ten last gelegde het volgende.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken. Verdachte heeft dit zelf altijd ontkend en de rechtbank acht de voortdurend wisselende getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar om tot dat oordeel te komen.

Het feit dat verdachte wist dat zijn mededader ten behoeve van de voorgenomen beroving een mes bij zich had gestoken en het feit dat vast staat dat de mededader tijdens de beroving, waaraan verdachte deelnam, met dat mes de dodelijke steken heeft toegebracht, betekenen naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het doden van het slachtoffer.

De rechtbank is, op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachtes opzet op iets anders was gericht dan op het plegen van een diefstal met geweld. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het 1ste meer subsidiair ten laste gelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij, verdachte, op 4 februari 2006 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verdovende middelen en geld, toebehorende aan [Naam slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [Naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachtes mededader voornoemde [Naam slachtoffer] meermalen opzettelijk (telkens) met een mes in diens lichaam heeft gestoken, welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [Naam slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, en dr. W.J. Canton, forensisch psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater rapporten opgemaakt, gedateerd 21 september 2006 en 4 maart 2007.

Het rapport van drs. B.Y. van Toorn vermeldt als conclusie -zakelijk weergegeven-:

- dat de onderzochte lijdende is en ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was, aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in die zin dat er sprake is van ernstige zwakbegaafdheid in combinatie met een antisociale persoonlijkheidsstoornis;

- dat het advies is om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen;

- dat de combinatie van ernstige stoornis, ongunstige prognose en hoog recidive risico leiden tot het advies om betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

Het rapport van dr. W.J. Canton vermeldt als conclusie -zakelijk weergegeven-:

- dat de onderzochte lijdende is en ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was, aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een verminderde begaafdheid en aan een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling met vooral antisociale kenmerken;

- dat de gebrekkige ontwikkeling en de persoonlijkheidsstoornis wel een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen van het ten laste gelegde, maar dat deze rol zeer beperkt was;

- dat de onderzoeker tot het advies komt betrokkene ten aanzien van het ten laste gelegde toerekeningsvatbaar te achten;

- dat de kans op crimineel gedrag door betrokkene in de toekomst groot is;

- dat het recidiverisico moeilijk anders te beïnvloeden is, dan door betrokkene (langdurig) uit de maatschappij te verwijderen.

De verdachte heeft voor het overige geweigerd mee te werken aan enig onderzoek naar zijn geestvermogens, noch door zenuwarts J.R. Nijdam, noch door het Pieter Baan Centrum.

Gelet op het verschil in de conclusies van voormelde psycholoog en psychiater en de weigering van de verdachte om mee te werken aan nader onderzoek, acht de rechtbank geen termen aanwezig om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege aan de verdachte op te leggen.

Ten aanzien van het verschil in de conclusies van voormelde psycholoog en psychiater met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de conclusies van beide rapporteurs en de weigerachtige houding van verdachte ten aanzien van nader onderzoek, moet het erop worden gehouden dat het bewezenverklaarde, zo niet geheel, dan toch voor het merendeel een uitvloeisel is van de vrije wilsbepaling van de verdachte. Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

Beide rapporten verschillen niet in de beoordeling van het hoge recidive risico. De rechtbank verenigt zich derhalve met de in de rapporten gegeven conclusies met betrekking tot het recidiverisico en maakt deze mitsdien tot de hare.

Alles afwegende, acht de rechtbank het bij het bepalen van de op te leggen straf geboden in overwegende mate rekening te houden met het hoge risico op recidive en de verdachte langdurig aan de maatschappij te onttrekken.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de meer subsidiair (1ste meer subsidiair) ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair, subsidiair en 1ste meer subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van de op te leggen straf voor het 2e meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman de rechtbank verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan geëist door de officier van justitie, gezien de zwaarte van de rol van de verdachte ten opzichte van de mededaders en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft deelgenomen aan de voorbereiding en de uitvoering van de gewelddadige beroving van [Naam slachtoffer]. Deze beroving mondde uit in het dood steken van het slachtoffer door verdachtes mededader. De verdachte heeft actief deelgenomen aan de uitvoering, geweld gebruikt en heeft zich op geen enkel moment teruggetrokken uit of gedistantieerd van wat er gebeurde, zelfs niet toen de beroving volledig uit de hand liep. Integendeel, de verdachte heeft het slachtoffer geen enkele hulp geboden en is welhaast onverdroten doorgegaan met het doel van de beroving: het bemachtigen van de buit. Hiermee heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben gehad voor andermans leven en uitsluitend uit te zijn geweest op eigen gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer zwaar aan.

Wel zal de rechtbank in de strafmaat tot uitdrukking te brengen dat de rol van de verdachte in wat er gebeurd is niet op één lijn gesteld kan worden met die van zijn mededader.

De gewelddadige dood van [Naam slachtoffer] heeft groot en onherstelbaar leed teweeggebracht aan diens vrouw en familie. Tevens is de rechtsorde door het onderhavige feit ernstig geschokt.

Tot slot heeft de verdachte zich eerder schuldig gemaakt aan afpersing en diefstallen.

Gelet op bovenstaande en op hetgeen overwogen is ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een aanzienlijke duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair en 1ste meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het 2e meer subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaar;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2008.