Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6926

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
129270 / OT RK 08-695
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter is van oordeel dat de gunstige ontwikkelingen die bij moeder te constateren zijn, op dit moment nog te pril zijn om tot een thuisplaatsing te kunnen overgaan.Er dient op zijn minst sprake te zijn van voldoende zelfstandigheid, inzicht in de behoeften van de minderjarige en drugsvrij zijn.

De moeder krijgt de komende periode de gelegenheid om aan te tonen dat zij de positieve ontwikkeling kan continueren zodat ze haar zoon een veilige en betrouwbare opvoedingssituatie kan bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 9 juli 2008

Zaaknummer: 129270 / OT RK 08-695

ONDERTOEZICHTSTELLING EN MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren te [geboortegegevens minderjarige]

kind van:

[naam moeder], wonende te [adresgegevens moeder]

advocaat mr. M.M.A. Straatman – Selij.

De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank tussen partijen gegeven en op 15 mei 2008 uitgesproken beschikking.

1. Verder verloop van de procedure

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de moeder de verzoeken toegewezen voor de duur van twee maanden onder aanhouding van de beslissing op de resterende termijn.

Op 26 juni 2008 is middels faxbericht het plan van aanpak van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ontvangen.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 1 juli 2008 alwaar de moeder en haar advocaat, de raad en de Stichting Bureau Jeugdzorg zijn verschenen.

2. Verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij de verzoeken.

De raad erkent dat moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt de afgelopen weken, maar [naam minderjarige] is een heel jong kind dat volledig afhankelijk is van zijn moeder. Alvorens over te gaan tot terugplaatsing zal duidelijk moeten zijn dat moeder deze positieve actie ook kan vasthouden, zodat ze op eigen kracht als ouders en volwassene voor haar zoon [naam minderjarige] kan functioneren.

De advocaat van moeder heeft primair verzocht om het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing af te wijzen, subsidiair kan moeder wel leven met een ondertoezichtstelling, maar niet met een uithuisplaatsing.

De moeder gebruikte tijdens haar zwangerschap amfetamine, maar er was geen sprake van cannabisgebruik. De moeder heeft een aantal jaren geleden haar moeder verloren en dat heeft een behoorlijke impact gehad om de moeder. De moeder is de weg kwijtgeraakt en heeft haar toevlucht gezocht in amfetamine. De advocaat heeft vervolgens een brief van de Mondriaan zorg groep overgelegd waaruit blijkt dat moeder zich heeft gemeld voor ambulante hulpverlening. Sinds 11 maart 2008 vinden er tevens tweemaal per week urinecontroles plaats.

De uitslagen zijn negatief, hetgeen impliceert dat moeder niet meer gebruikt.

Tevens heeft de advocaat een brief van de huisarts van moeder overgelegd waarin ook deze aangeeft dat moeder een moeilijke periode heeft gehad, maar dat moeder goed gemotiveerd is om deze verwarrende periode af te sluiten en opnieuw te beginnen. Ze verdient volgens haar huisarts een kans om voor haar kind te zorgen.

De advocaat van moeder stelt tevens haar vraagtekens bij de in het plan van aanpak voor de moeder gestelde en blijkbaar niet gehaalde werkdoelen. In het bijzonder bij de meerwaarde van het zelfstandig wonen en betalen van huur. Moeder heeft er bewust voor gekozen om bij haar vader te gaan wonen, zodoende kan ze zichzelf volledig kan inzetten voor haar zoon, onder toevoeging van de ervaringen van de grootvader en kan de ontstane huurschuld worden afbetaald. Gelet op de brief van het CAD is het werkdoel geen drugsgebruik wel gehaald.

De gezinsvoogd heeft verklaard dat in het begin weliswaar gedacht is aan de module terug naar huis, maar er was duidelijk iets ernstig aan de hand en onduidelijkheid hoe veilig het was voor [naam minderjarige]. Gaandeweg de maatregel zijn er veel zaken gebeurd. De coöperatieve houding van moeder is goed, maar er moet wel sprake zijn van een bepaalde continuïteit voor [naam minderjarige]. Ten aanzien van de werkdoelen heeft moeder zelf aangegeven dat ze een betere woning wilde en dat ze zich daartoe zou laten inschrijven. De keuze van moeder om -gelet op de ontstane huurachterstand - bij haar vader te gaan wonen is thans een begrijpelijke keuze.

De grootvader en de broer van moeder vormen een ondersteunende factor, maar daardoor is er thans sprake van een beperkte zelfstandigheid en de vraag blijft wat de moeder nou zelf kan.

De kinderrechter overweegt het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat moeder vanaf haar 21e levensjaar harddrugs, met name amfetamine heeft gebruikt, een en ander als gevolg van traumatische ervaringen in haar verleden. Eenmaal zwanger is zij met het gebruik voortgegaan. Na de geboorte zijn bij [naam minderjarige] sporen van amfetamine aangetroffen. Tijdens de zwangerschap heeft moeder adviezen onder andere van haar vader niet opgevolgd. Bij moeder is sprake van een gekrenktheid ten opzichte van de vader van [naam minderjarige] die er toe leidt dat moeder het contact met de vader van [naam minderjarige] niet laat voeden door de behoefte van [naam minderjarige]. Er is sprake van een geringe zelfstandigheid bij moeder, in ieder geval onvoldoende om geheel, zonder inbreng van derden de zorg voor [naam minderjarige] op zich te kunnen nemen.

De kinderrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging als bedoeld in de wet die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt.

Het verzoek van de raad voor de kinderbescherming zal derhalve worden toegewezen.

Ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende.

Ten tijde van het uitspreken van de voorlopige ondertoezichtstelling en de verleende machtiging uithuisplaatsing en ook de beschikking van 15 mei 2008 was het noodzakelijk dat de [naam minderjarige] in het belang van diens verzorging en opvoeding gedurende dag en nacht uit huis werd geplaatst.

Moeder is van meet af aan hard gaan werken aan het bereiken van het doel dat moeder haar opvoedingstaken voor de volle omvang op zich kan nemen. Daarvoor is onder ander noodzakelijk dat moeder geen drugs meer gebruikt, zelfstandig woont, afspraken nakomt, om kan gaan met stressvolle situaties en inzicht verkrijgen in wat [naam minderjarige] nodig heeft.

Moeder heeft naar het oordeel van de kinderrechter al zeer veel bereikt. Zo is tot 23 juni 2008 (datum brief Mondriaan Zorggroep) via urinecontroles geen gebruik van amfetamine, XTC en cannabis meer geconstateerd; verder volgt moeder trouw een individuele leefstijltraining en heeft ze een middelen informatie cursus gevolgd. Mondriaan kan echter geen advies geven omtrent de kwaliteiten van moeder als moeder van een pasgeboren baby.

De huisarts constateert verbeteringen bij moeder op het gebied van de omgang met haar vader en broer. ( Grootvader en oom van [naam minderjarige]). Hij vindt tevens dat moeder een kans verdient om ze zorg voor [naam minderjarige] op zich te nemen.

Bij zijn oordeel betrekt de kinderrechter echter ook dat thuisplaatsing bij moeder niet een probeerseltje moet worden, maar dat er een stevige basis moet zijn die kans op mislukking van de thuisplaatsing nagenoeg volledig uitsluit. Naar het oordeel van de kinderrechter zal een mislukte thuisplaatsing meer schade veroorzaken voor [naam minderjarige] dan het voordeel dat thans verkregen zou kunnen worden door thuisplaatsing.

De kinderrechter is van oordeel dat de gunstige ontwikkelingen die bij moeder te constateren zijn, op dit moment nog te pril zijn om tot een thuisplaatsing te kunnen overgaan.

Er dient op zijn minst sprake te zijn van voldoende zelfstandigheid, inzicht in de behoeften van [naam minderjarige] en drugsvrij zijn, welk laatste doel dient volgens het plan van aanpak te zijn gerealiseerd per 15 augustus 2008.

Anderzijds is de kinderrechter van oordeel dat niet te lang meer moet worden gewacht met een beslissing omtrent de thuisplaatsing, dit gezien het feit dat het hechtingsproces in een cruciale fase komt.

De kinderrechter acht alles overziende, handhaving van de huidige situatie thans het meest in het belang van de minderjarige. De moeder krijgt de komende periode de gelegenheid om aan te tonen dat zij de positieve ontwikkeling kan continueren zodat ze haar zoon [naam minderjarige] een veilige en betrouwbare opvoedingssituatie kan bieden.

De kinderrechter zal het verzoek toewijzen als nader in het dictum vermeld.

Kort voor de einddatum van de termijn in deze beschikking vermeld dient vast te staan dat een thuisplaatsing met inachtneming van het hiervoor overwogene, kan worden gerealiseerd of niet.

Het verzoek zal voor de resterende termijn worden aangehouden.

3. Beslissing

Stelt voornoemde minderjarige met ingang van 15 juli 2008 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg voor de resterende termijn van tien maanden.

Verleent machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarige met ingang van 15 juli 2008 in een voorziening voor pleegzorg tot 1 oktober 2008.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Houdt de beslissing ten aanzien van de verzochte machtiging uithuisplaatsing aan en bepaalt dat op 23 september 2008 om 12.30 uur een nadere mondelinge behandeling zal worden gehouden in een van de zalen in het gerechtsgebouw aan Annadal 1 te Maastricht.

Bepaalt dat de gezinsvoogd 7 dagen voor de zitting een verslag zal uitbrengen dat vooral gericht dient te zijn op de vraag of thuisplaatsing verantwoord is.

Bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping voor de mondelinge behandeling op 23 september 2008.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.E.C.M. Dahmen, kinderrechter, en in het openbaar op 1 juli 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MM

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.