Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6906

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1301 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 6:17 van de Awb zendt, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het bestuursorgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde. De vraag is hoever deze bepaling gaat. De rechtbank was in dit geval van oordeel dat verweerder basis van een eerdere procedure wist of had moeten weten dat eiseres een gemachtigde had en dat besluiten dan ook aan deze gemachtigde verzonden dienden te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 1301 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Banholt, eiser,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Heerlen),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 juli 2007

Kenmerk: B&B 060.0071.20 HP

Behandeling ter zitting: 18 januari 2008

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 12 juli 2007 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 16 mei 2007 tegen een door verweerder genomen besluit ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) van 13 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser op 15 augustus 2007 beroep ingesteld door zijn gemachtigde, mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten. Bij brief van 6 september 2007 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is op behandeld ter zitting door deze rechtbank op 18 januari 2008, alwaar eiser en zijn gemachtigde in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker.

2. Overwegingen

Verweerder heeft bij het bestreden besluit voormeld bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat verweerder het bezwaarschrift feitelijk na de bezwaartermijn heeft ontvangen.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Namens eiser is daarop op 15 augustus 2007 een beroepschrift ingediend.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Centraal staat de vraag of er tijdig bezwaar is gemaakt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De rechtbank stelt vast, dat de bezwaartermijn is overschreden, nu het bezwaarschrift pas op 16 mei 2007 bij verweerder is ingekomen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:17 van de Awb zendt, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het bestuursorgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.

Vaststaat dat verweerder reeds op 20 maart 2007 van op de hoogte was dat mr. Bouts als gemachtigde van eiser optrad. De stelling van verweerder, dat er van uit gegaan werd dat mr. Bouts enkel in de procedure met betrekking tot de verlaging van de WAO-uitkering als gemachtigde, optrad, acht de rechtbank een te formele opstelling. Deze procedure bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: Centrale Raad) liep op dat moment, sterker nog, in het kader van die lopende procedure zijn door de Centrale Raad vragen aan verweerder gesteld. Verweerder heeft vervolgens in deze procedure op 9 mei 2007 ook een gewijzigd besluit op bezwaar genomen: eiser heeft met ingang van 8 december 2003 recht op een uitkering op grond van de WAO berekend naar een mate van 80 tot 100%. Gelet op het feit dat het hier in feite om dezelfde problematiek gaat, een afschatting in het kader van de WAO, sterker nog de uitkomst bij de Centrale Raad kan van invloed zijn op de uitkering van eiser per 25 augustus 2006, had het in de lijn der verwachting gelegen gemachtigde van eiser van het primaire besluit op de hoogte te stellen. Gemachtigde van eiser behartigde immers de (WAO-)belangen van eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten en verweerder het bezwaarschrift van 16 mei 2007 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiser wegens zijn verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 6,35 zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3.bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen –UWV Heerlen– ;

4.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 650,35 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 644,00), te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen –UWV Heerlen– aan eiser.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2008 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. H. Fokke w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 11 februari 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.