Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6035

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
03/703920-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier jaar gevangenisstraf en TBS voor doodslag baby.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703920-07

Datum uitspraak: 2 juli 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2008, 9 april 2008 en 18 juni 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Breda – Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2007 in de gemeente Landgraaf opzettelijk [Naam slachtoffer] (geboren op 13 augustus 2007) van het leven heeft beroofd, door met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [Naam slachtoffer] heftig (heen en weer) te schudden (waardoor ernstig hersenletsel door het schudden van het hoofd is ontstaan) en/of door die [Naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op het hoofd te stompen en/of te slaan, tengevolge waarvan die [Naam slachtoffer] is overleden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 25 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2007 in de gemeente Landgraaf opzettelijk [Naam slachtoffer], geboren op 13 augustus 2007, van het leven heeft beroofd, door met dat opzet, die [Naam slachtoffer] heftig heen en weer te schudden waardoor ernstig hersenletsel door het schudden van het hoofd is ontstaan en door die [Naam slachtoffer] meermalen op het hoofd te stompen, tengevolge waarvan die [Naam slachtoffer] is overleden.

bewijsverweer

Door de raadsman van de verdachte is het verweer gevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet om [Naam slachtoffer] van het leven te beroven, bij cliënt ontbrak en dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat zijn cliënt [Naam slachtoffer] heen en weer heeft geschud. Op grond daarvan heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak van het tenlastegelegde.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting en bij de politie verklaard dat hij op 25 oktober 2007 toen hij zijn zoon [Naam slachtoffer] in zijn bedje had gelegd hem een aantal malen met de vuist op het hoofd heeft gestompt.

De rechtbank stelt vast dat uit het deskundigenrapport d.d. 3 juni 2008 opgemaakt door A. Maes, arts-patholoog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat [Naam slachtoffer] is overleden als gevolg van ernstig hersenletsel door krachtig schudden in combi¬natie met heftig botsend geweld op het hoofd. Uit dit rapport blijkt voorts dat de bloedingen onder het harde hersenvlies aan hard botsend geweld kunnen worden gerelateerd maar ook het gevolg kunnen zijn geweest van voorafgaand of in aansluiting hieraan opgelopen acceleratie-deceleratie trauma. De conclusie dat [Naam slachtoffer] krachtig is geschud, vindt steun in het rapport van dr. C.M. Mooy d.d. 21 november 2007 en wordt niet uitgesloten door de be¬vin¬dingen van de patholoog dr. B. Kubat in zijn rapport van 23 april 2008.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank het heftig heen en weer schudden van [Naam slachtoffer] door verdachte eveneens wettig en overtuigend bewezen. Daarbij heeft de rechtbank voorts gelet op de omstandigheid dat niet is gebleken dat tussen het tijdstip dat hij de kamer van [Naam slachtoffer] ’s avonds heeft verlaten en het moment dat hij de volgende morgen diens kamer weer betrad, een ander op de kamer van [Naam slachtoffer] is geweest. Ook heeft verdachte tijdens het politieverhoor verklaard dat hij niet uitsluit dat hij [Naam slachtoffer] heen en weer heeft geschud. Het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij [Naam slachtoffer] heen en weer heeft geschud doet daar, met name in het licht van de rapporten van voornoemde deskundigen niet aan af. De stelling van zijn raadsman dat tijdens het verhoor op onac¬cep¬ta¬be¬le wijze is doorgevraagd, hetgeen volgens de rechtbank niet is gebleken, doet aan het voorgaande niet af.

Uit het zich in het dossier bevindende multidisciplinair gedragsdeskundig onderzoek naar de persoon van verdachte is weliswaar gebleken dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was, maar uit voornoemd onderzoek is niet gebleken dat verdachte geen enkel inzicht had in zijn handelen. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verdachte door [Naam slachtoffer] meermalen op het hoofd te stompen en die [Naam slachtoffer] heftig heen en weer te schudden, terwijl [Naam slachtoffer] op dat moment slechts tien weken oud was, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [Naam slachtoffer] dodelijk zou verwonden. De rechtbank acht daarom het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

Doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte Lorazepam gebruikt. In het onder¬zoek naar verdachte is niet stilgestaan bij de mogelijke bijwerkingen van dit medicijn, zeker nu verdachte zwakbegaafd is, bekend met alcoholmisbruik en een persoon¬lijk¬heids¬stoor¬nis heeft. Eén en ander zou gevolgen kunnen hebben voor de toerekenbaarheid van het feit aan verdachte in de zin van artikel 39 Sr. Verdachte heeft omtrent zijn medicijngebruik tijdens de politie¬verhoren verklaard dat hij dagelijks één tablet gebruikt. Desgevraagd verklaarde hij ter terecht¬zitting die avond twee tabletten te hebben ingenomen.

De rechtbank overweegt dat het gebruik van voornoemd medicijn blijkens de rapportage om¬trent de persoon van verdachte bekend was (p. 18). De rapporteurs hebben echter in hun conclusies geen aanleiding gezien om aan dit feit verdere betekenis voor de toerekenbaarheid van het feit aan verdachte toe te kennen. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

Ten aanzien van verdachte is door dr. A.J. Verheugt, psycholoog, drs. E.M.M. Mol, psychiater, en mevrouw M. Verhoeven, forensisch milieuonderzoeker, een multidisciplinair gedragsdeskundig onderzoek naar de persoon van verdachte ingesteld. Van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog, psychiater en forensisch milieuonderzoeker een rapport, gedateerd 4 maart 2008, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- dat bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van ernstige alcoholafhankelijkheid met daarnaast cocaïnemisbruik. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en tevens, gezien het al vele jaren ernstig disfunctioneren op meerdere levensgebieden, een persoonlijkheidsstoornis met vooral afhankelijke en ontwijkende kenmerken;

- dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregelen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en dat zal worden gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat hij de door de officier van justitie gevorderde straf veel te hoog vindt.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen sanctie(s) heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op het belang van een juiste normhandhaving, op de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed bij de nabestaanden van [Naam slachtoffer] te weeg heeft gebracht en op de persoon van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte een weerloos kind van het leven heeft beroofd. Zij rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn zoontje, na hem geslagen en geschud te hebben, in hulpeloze toestand heeft achtergelaten en zich pas de volgende ochtend heeft vergewist van zijn toestand. Hij heeft hiermee niet alleen een voortijdig einde gemaakt aan het leven van een onschuldig kind, maar tevens heeft hij onnoemelijk leed toegebracht aan de moeder van [Naam slachtoffer], die op dat moment zijn levenspartner was en aan de andere nabestaanden van [Naam slachtoffer]. In vergelijkbare gevallen, met volledig toerekeningsvatbare daders, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats zijn. Nu de verdachte echter verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en nu hij niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld, zal de rechtbank in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van vier jaar.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van voornoemd rapport van dr. A.J. Verheugt, psycholoog, drs. E.M.M. Mol, psychiater, en mevrouw M. Verhoeven, forensisch milieuonderzoeker en de indruk die verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt.

Het voormelde rapport, houdt in -zakelijk weergegeven-:

Op grond van de klinische en gestructureerde risicotaxatie komen ondergetekenden tot de conclusie dat de combinatie van de ernstige alcoholafhankelijkheid, de zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene (en daarmee samenhangend het onvermogen tot het aangaan van een blijvende betekenisvolle relatie) bij toekomstige relationele stress opnieuw aanleiding kan geven tot strafbare feiten als thans ten laste gelegd. Ongetwijfeld zal betrokkene weer op zoek gaan naar een relatie, waarbij het risico bestaat dat hij door zijn partnerkeuze (op zoek naar een ‘vervangmoeder’) in een vergelijkbare uitzichtloze situatie belandt, als waarin hij zich het afgelopen jaar bevond.

De ernst van de stoornissen, de ernst van het tenlastegelegde, de duidelijke samenhang tussen de stoornissen en het tenlastegelegde én het gevaar voor recidive met betrekking tot een soortgelijke delictsituatie maken dat behandeling in een gedwongen gesloten kader noodzakelijk is. Ondergetekenden menen te moeten adviseren, indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, een behandeling in het kader van een Ter Beschikking Stelling op te leggen. Nadrukkelijk is de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden bediscussieerd en overwogen; het geringe ziektebesef, het geringe introspectieve vermogen, zijn als gering ingeschatte doorzettingsvermogen (ondanks zijn goede wil), de mislukking van een eerdere behandeling en de reële mogelijkheid dat een dergelijke behandeling binnen vier jaar onvoldoende resultaat zal hebben, brengt ondergetekenden tot het advies aan betrokkene de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen.

Gezien de inhoud van vorenbedoeld rapport en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen acht de rechtbank termen aanwezig de adviezen op te volgen.

De rechtbank zal de verdachte ter beschikking stellen, nu het ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de rechtbank op grond van het vorenoverwogene van oordeel is, dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen de ernst van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu zij, op grond van het vorenoverwogene, van oordeel is dat de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

Het beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen en niet teruggegeven goederen zal de rechtbank de teruggave aan mevrouw [Naam benadeelde partij] gelasten.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam benadeelde partij] zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de gestelde schade ter zake van de posten: opvang door ouders en huur verhuisauto de gestelde schade ad. respectievelijk € 1800,00 en € 169,40 rechtstreeks door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht, zal de benadeelde partij [Naam benadeelde partij], voor zover het dit deel van haar vordering betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 921,68 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf en maatregel zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam benadeelde partij] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij], [Adres benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 921,68 (zegge: negenhonderdéénentwintig euro en achtenzestig eurocent);

- verklaart de benadeelde partij [Naam benadeelde partij], voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [Naam benadeelde partij] aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- gelast de teruggave aan [Naam benadeelde partij], [Adres benadeelde partij], van het inbeslaggenomene, te weten: bed, babymeubel, compleet babymeubel, ledikant en ladekast.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. B. Damen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 2 juli 2008, zijnde mr. B. Damen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.