Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD5759

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
294698 CV EXPL 08-4233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst de vordering inzake het onderbreken van het recht op levering van water aan gedaagde af. Gedaagde kan niet om eiseres, de regionale monopolist, heen om een beroep te doen op zijn recht op water. Dit recht is besloten in reeds gecodificeerde en door Nederland erkende rechten, met name het recht op adequate levensstandaard en het recht op gezondheid (artikel 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Maatregel staat in geen verhouding tot achterstallige hoofdsom. Recht op levering water prevaleert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTM/NJCM-bull. 2009, p. 249 met annotatie van Fons Coomans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/rolnr.: 294698 CV EXPL 08-4233

Typ.: YT

Coll.:

Vonnis van de kantonrechter d.d. 25 juni 2008

i n z a k e

de naamloze vennootschap NV Waterleiding Maatschappij Limburg,

gevestigd te Maastricht,

gemachtigden J.H.L. Sinkiewicz, gerechtsdeurwaarder en mr. P.L.J.M. Guinee,

eisende partij,

t e g e n

[gedaagde]

wonende aan de [adres & woonplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

PROCESVERLOOP:

Door de eisende partij is een dagvaarding ingediend, waarvan de inhoud als hier herhaald geldt, alsmede vonnis verzocht.

De gedaagde partij heeft verstek laten gaan.

Vervolgens is vonnis bepaald.

MOTIVERING:

De kantonrechter merkt het navolgende op:

-de eisende partij heeft omtrent de aan de procedure voorafgegane incasso(pogingen) onvoldoende (gespecificeerd en gemotiveerd) gesteld om daaruit te kunnen concluderen dat werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan. Daarmee is niet komen vast te staan dat de door de eisende partij bedoelde werkzaamheden en kosten verder strekten dan de verrichtingen en kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv. een voorziening geven. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen;

-het in het lichaam der dagvaarding onder punt 13 gestelde en dienaangaande in het petitum gevorderde zal worden afgewezen nu niet is gesteld of gebleken op grond waarvan de eisende partij recht én belang heeft bij veroordeling van gedaagde tot betaling vanaf 30-12-1899 van een bedrag van € 0,00 voor iedere maand als voorschottermijn. Nakoming van de gevorderde voorschottermijn van € 0,00 kan vindt volgens het adagium “geen belang, geen actie” geen steun in het recht. In dat kader zal het te dien aanzien in het petitum van de dagvaarding onder B gevorderde eveneens worden afgewezen;

-terzake het onder B in het petitum gevorderde in relatie tot de achterstallige hoofdsom merkt de kantonrechter op dat zij dit onderdeel van de vordering ook zal afwijzen nu het recht van gedaagde op water door deze maatregel wordt gefrustreerd. Gedaagde kan in casu niet om WML, de regionale monoplist, heen om een beroep te doen op zijn recht op water. Dit recht is besloten in reeds lang gecodificeerde en door Nederland erkende rechten, met name het recht op een adequate levensstandaard en het recht op gezondheid (respectievelijk artikel 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Erkenning van het recht op water en sanitatie is dus een explicitering van dit element van bestaande rechten. Daarenboven heeft Nederland op de zevende zitting van de Mensenrechtenraad (3 tot 28 maart 2008) te Geneve het recht op water en sanitatie als mensenrecht erkend.

De gevorderde maatregel staat daarenboven in geen verhouding tot de achterstallige hoofdsom waardoor het belang gedaagde bij het voortzetten van de levering van water boven het belang van eiseres prevaleert.

De overige vordering komt onrechtmatig noch ongegrond voor, zodat deze behoort te worden toegewezen met veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.

BESLISSING:

Veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen kwijting te betalen de somma van € 204,56 vermeerderd met de wettelijke rente over € 201,80 vanaf 22 mei 2008 tot de dag der voldoening.

Veroordeelt de gedaagde partij in de aan de zijde van de eisende partij gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 212,44, waarin begrepen € 90,00 vastrecht, € 92,44 explootkosten en € 30,00 salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.