Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD5457

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
03/702755-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - Veroordeling tot 15 maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van de diefstal van een diamanten halsketting op de kunst- en antiekbeurs Tefaf in 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702755-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juni 2008

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost – Huis van Bewaring Ter Peel te 5977 NM Evertsoord, Paterstraat 4.

Raadsman is mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 juni 2008, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 6 maart 2008 in de gemeente Maastricht samen met anderen een collier ter waarde van ongeveer 1,2 miljoen euro heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de ten laste gelegde diefstal van de halsketting met een waarde van ongeveer 1,2 miljoen euro heeft plaatsgevonden en dat verdachte medepleger van deze diefstal is.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Primair is hij van mening dat niet bewezen kan worden dat de ten laste gelegde diefstal van de halsketting heeft plaatsgevonden. Dit kan worden afgeleid uit de verklaring van de getuige [R.]. [R.] vroeg namelijk meteen na de verdwijning van de ketting aan haar man en aan [S.] of iemand van hen de ketting had. Dit wijst er op dat zij op dat moment niet dacht aan diefstal. Ook is hij van mening dat niet duidelijk is op welk moment de halsketting nog wel gezien is door de getuige [R.]. Bovendien kan door de standhouder niet aangetoond worden dat deze ketting op de Tefaf in de stand aanwezig is geweest, noch dat de halsketting het door de aangever genoemde bedrag waard is. Subsidiair is hij van mening dat niet bewezen kan worden dat zijn cliënte medepleger van de diefstal is geweest.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 6 maart 2008 vond in Maastricht in het MECC de openingsdag van de kunst- en antiekbeurs Tefaf plaats. Deze opening was alleen toegankelijk voor genodigden1. Stand 243 werd bezet door Hancocks uit Londen. De eigenaars [B.] en [R.] en hun personeelslid [S.] waren rond 14.00 uur in de stand aanwezig. In de stand bevonden zich onder meer een hoge vitrine aan het gangpad en een tafelvitrine aan de andere zijde van de stand. Op dat moment lagen in de vitrines juwelen, zoals broches en halskettingen.

Verdachte stond rond 14.00 uur naast de hoge vitrine aan het gangpad. Zij was vergezeld door de medeverdachte [Naam medeverdachte1]. Beide vrouwen toonden interesse in juwelen die onderin deze vitrine lagen en waren daarover in gesprek met [R.]. Verdachte heeft zich op enig moment voorover gebogen naar de onderste laag van deze vitrine en heeft haar hand naar binnen gestoken. [R.] heeft het daadwerkelijk naar binnenreiken door verdachte voorkomen. De vitrine was op dat moment geopend. Beide vrouwen zijn daarna weggelopen bij de stand.

Er dienen twee vragen beantwoord te worden:

A. Heeft de diefstal van de halsketting plaatsgevonden?

B. Is de verdachte medepleger van voornoemde diefstal?

A.

De rechtbank acht bewezen dat de diefstal van de halsketting op 6 maart 2008 in Maastricht heeft plaatsgevonden. [B.], de eigenaar van Hancocks, heeft aangifte van de diefstal gedaan en een omschrijving van het halscollier en de waarde ervan gegeven2. Zijn echtgenote [R.]3 heeft verklaard dat, toen een van de vrouwen met een hand in de vitrine reikte, zij ook in de vitrine reikte. Zij stond op dat moment gebukt. Zij voelde toen iets boven haar hoofd en zag een beweging richting de vitrine. Toen ze weer omhoog kwam zag ze dat de halsketting weg was van de bovenste plank.

Op de ter terechtzitting getoonde beelden van de beveiligingscamera’s heeft de rechtbank waargenomen dat op het moment dat [R.] en de twee vrouwen bij de vitrine staan een man, gekleed in een donkere trui met een opvallend witte kraag, tweemaal met een hand in de vitrine reikt, ter hoogte van de bovenste plank. Na de tweede keer beweegt hij met zijn hand richting zijn kraag en loopt weg. Op dat moment is op de beelden te zien dat [R.] om zich heen kijkt en de aandacht trekt van anderen in de stand. De rechtbank concludeert hieruit dat de diefstal op dat moment plaatsvindt door de man met de donkere trui en de witte kraag en dat [R.] daarna haar constatering doet dat het collier weg is. Hieraan doet niet af, zoals door de raadsman is opgemerkt, dat [R.] op dat moment aan haar echtgenoot en aan [S.], de medewerker die op dat moment ook in de stand aanwezig was, vroeg of een van hen het halscollier had. De vraag van [R.] op dat moment is niet vreemd. Immers, zij heeft niet gezien wie de beweging boven haar in de vitrine heeft gemaakt.

Ook het niet kunnen zien van de halsketting op de camerabeelden, zoals door de raadsman gesteld, kan niet tot een andere conclusie leiden. Voor de bewezenverklaring van een strafbaar feit is, zoals ook door de officier van justitie is aangevoerd, niet vereist dat het plegen van dat feit op camerabeelden is vastgelegd.

De raadsman heeft ten slotte de waarde van de halsketting nog betwist. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. Gelet op de onderdelen van de halsketting, de diamanten met een hoog karaatgehalte, staat vast staat dat de gestolen halsketting kostbaar is.

B.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte medepleger van deze diefstal is. Er is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking met de pleger van de diefstal van het collier. De rechtbank baseert zich daarbij op het volgende.

Hierboven is al beschreven het moment van de diefstal. Verdachte is samen met medeverdachte [Naam medeverdachte1] rond 14.00 uur in gesprek met de eigenaresse van stand 243. De onbekend gebleven man met een witte kraag reikt dan in de vitrine boven de vrouwen en neemt het collier weg.

Op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden is verder te zien dat verdachte even voor 13.00 uur het MECC binnenkomt en rond 13.05 uur het beursterrein betreedt. [Naam medeverdachte1] is dan niet bij haar.

Vervolgens is verdachte voorafgaand aan de diefstal meermalen te zien bij de vermeende betrokkenen bij de diefstal, onder wie de medeverdachten [Naam medeverdachte3], [Naam medeverdachte1] en de onbekend gebleven man met de witte kraag. Zij is vooral gezien in de buurt van deze laatstgenoemde man en op de beelden is ook te zien dat zij met deze man praat.

Na de diefstal lopen verdachte en [Naam medeverdachte1] bij de stand weg. [B.] en de getuige [G.]4 worden bij hun achtervolging van de beide vrouwen gehinderd door de medeverdachte [Naam medeverdachte3] die zich ten tijde van de diefstal, zoals blijkt uit de verklaring van de getuige [S.]5, eveneens in de stand van Hancocks bevond en die door [S.] is te woord gestaan.

Deze [Naam medeverdachte3] heeft overigens op 12 maart 2008 bij de politie onder meer verklaard6 dat zij met vijf personen op de beurs aanwezig waren, inclusief de twee vrouwen, en dat zijn rol op de beurs was dat hij een prijs moest vragen en dus die persoon moest afleiden.

Uit deze camerabeelden, de verklaring van medeverdachte [Naam medeverdachte3] en de verklaringen van de getuigen [R.], [B.] en [G.] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de rol van de vrouwelijke verdachten cruciaal was voor het welslagen van het plan. Zij tweeën moesten immers de verkoopster bewegen zich te richten op de onderste plank van de vitrine en zo de weg vrij maken voor de dief om het kostbare collier van de bovenste plank van die vitrine weg te nemen. Verdachte heeft zelfs daartoe met haar hand naar een voorwerp onderin de vitrine gereikt, waarna [R.] zich bukte om haar dat te beletten. Zou het de vrouwen niet lukken de verkoopster af te leiden, dan zou de dief geen kans hebben het collier weg te nemen.

Verklaring verdachte ter terechtzitting

Verdachte heeft ter zitting onder meer verklaard dat zij naar Nederland is gekomen om Nederlands te leren en dat zij sinds twee dagen verbleef in het huis van medeverdachte [Naam medeverdachte1], een vriendin van haar moeder. Op de dag dat [Naam medeverdachte1] en zij naar de beurs in Maastricht gingen, leerde zij een Portugese man kennen. [Naam medeverdachte1] en zij zouden in Maastricht op de beurs een man leren kennen met wie zij de dag dienden door te brengen. Verder heeft zij ter terechtzitting eerst verteld dat zij een toegangskaart kreeg van onbekende mensen. Daarna heeft zij verklaard dat zij geen toegangskaart had en achter twee onbekenden naar binnen is gelopen. De reden dat ze wegliep bij de stand was, omdat ze hoorde dat om de politie werd geroepen en zij als illegale vreemdeling contact met de politie vreesde.

De rechtbank acht de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd niet geloofwaardig. Met name acht de rechtbank niet geloofwaardig dat zij op de beurs een afspraak had met een onbekende man, terwijl zij niets van die man wist, en dat zij om die reden samen met [Naam medeverdachte1] naar de beurs is gegaan. Voorts acht de rechtbank verdachtes verklaring over de manier waarop ze de beurs is binnengekomen niet geloofwaardig. Op de openingsdag van de Tefaf dient men immers te beschikken over een uitnodiging. Dat zij zo zonder uitnodiging met mensen mee naar binnen is gelopen, is niet aannemelijk. Bovendien zijn bij de aanhouding van de verdachte drie entreekaarten aangetroffen.

Verder heeft verdachte ter terechtzitting nog verklaard [Naam medeverdachte3] niet te kennen. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. De politie heeft namelijk onderzoek gedaan naar gegevens in de inbeslaggenomen telefoon van verdachte alsmede naar gegevens in de telefoons van de medeverdachten. Daaruit komt naar voren dat in verdachtes telefoon het nummer van de medeverdachte [Naam medeverdachte3] voorkomt, alsmede het nummer van de persoon bij wie de man met de donkere trui en de witte kraag na de diefstal in de auto is gestapt7 8 ([O.])9. Ook is in de telefoon van [Naam medeverdachte3] het nummer van verdachte aangetroffen.

Uit het door de politie onderzochte telefoonverkeer blijkt voorts van frequente contacten tussen de telefoon van [Naam verdachte] en van andere, vermoedelijk bij de diefstal betrokkenen. Zo is er contact geweest, vlak voor en vlak na de diefstal, met de telefoon van genoemde [O.]10 – met welke telefoon ook de telefoon van [Naam medeverdachte3] contact heeft – en hebben de telefoons van [verdachte] , [Naam medeverdachte3] en genoemde [O.] alle contact met een telefoonnummer11 dat in [Naam verdachte]’ telefoon “[M.]” wordt genoemd en dat volgens [Naam medeverdachte3] toebehoort aan ene [O2.]12. Deze telefoon maakt voornamelijk gebruik van GSM-masten in de regio Amsterdam-Haarlem, behalve ten tijde van de diefstal: dan maakt deze gebruik van een mast in de buurt van het Mecc te Maastricht. De rechtbank vindt in dit patroon van frequent telefoonverkeer rond de dagen en het moment van de diefstal, zeker in combinatie met hetgeen op de camerabeelden is waargenomen, een aanwijzing voor het georganiseerd verband waarin de betrokkenen bij de diefstal met elkaar hebben gewerkt.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 maart 2008 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van weder-rechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een collier (ter waarde van ongeveer 1,2 miljoen EURO) toebehorende aan [B.] en/of Hancocks London.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden. Hij heeft daarbij met name gelet op de professionele en georganiseerde manier waarop verdachte met haar mededaders te werk is gegaan. De officier van justitie vreest dat de diefstal verlies van aanzien van de Tefaf en verhoging van kosten voor standhouders tot gevolg heeft.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze veel te hoog is. Het betreft een eenvoudige diefstal, al dan niet in vereniging. Hij is van mening dat de officier van justitie de hoogte van de straf heeft gebaseerd op de waarde van de halsketting.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek naar voren is gekomen.

Zoals hiervoor is weergegeven betreft het een diefstal van een kostbaar halssieraad uit een vitrine op de Tefaf. De beelden laten zien dat de verdachte en haar medeplegers op een manier opereren die de rechtbank als doortrapt kwalificeert. Met een aantal mensen wordt de plaats van het delict verkend en er is een nauwe samenwerking bij de uiteindelijke diefstal. Verdachte speelt daarin een cruciale rol. Voorts blijkt uit de camerabeelden, in combinatie met de bevindingen met betrekking tot de telefonische contacten tussen de vermoedelijk bij de diefstal betrokken personen, van een hoge mate van organisatie. Daar komt bij dat de schade groot is.

Deze doortraptheid, georganiseerdheid en schade brengen mee dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is.

Dat de diefstal een negatief effect heeft op het aanzien van de Tefaf, zoals de officier van justitie stelt, acht de rechtbank niet aannemelijk. Wel is aannemelijk dat de beveiligingsmaatregelen in de toekomst zwaarder zullen zijn en dat dit hogere kosten zal meebrengen voor de standhouders en – uiteindelijk – voor de bezoekers van de Tefaf. Die beveiliging schoot naar het oordeel van de rechtbank ook wel tekort, gelet op de relatief eenvoudige manier waarop het collier uiteindelijk door de pleger van de diefstal uit de vitrine kon worden genomen.

5.4 Het beslag

De hierna in de beslissing te noemen in beslag genomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 6, 7, 9, 16 en 17, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan.

De hierna in de beslissing te noemen in beslag genomen Creditcard Europhil (8) en Nederlands paspoort (18) dienen aan de uitgevende instantie te worden teruggegeven.

De hierna in de beslissing te noemen in beslag genomen voorwerpen, genummerd 3, 4, 5, 10, 11, 12, 19, 20 en 21, dienen aan de verdachte te worden teruggegeven.

Ten aanzien van de in de beslissing te noemen in beslag genomen vijf boeken, genummerd 13, 14 en 15, is thans niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Om die reden zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is aangegeven;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 4 omschreven strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van voornoemde straf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

1 1 GSM, SAMSUNG, kleur zwart

2 1 Simkaart T-MOBILE

6 1 GSM, NOKIA, kleur grijs

7 1 stuk Papier, bon met pukcode van t-mobile

9 1 Kaart, dat zij in juwelenhandel zit

16 1 Boek, TEFAF MAASTRICT guide

17 3 stuks Entreebewijs, TEFAFKAARTEN

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de uitgevende instantie:

8 1 Creditcard, EUROPHIL

18 1 Paspoort, NEDERLANDS [xxxxxxxxxxxxxxx]

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan [Naam verdachte]:

3 10 stuks Pil, kleur bruin, plastic omhulsel

4 6 stuks Pil, kleur beige, vezeltabletten

5 1 doosje grote vloei

10 2 stuks Telefoonkaart, 1x bellisima en 1x Jazz Phone kaart

11 1 BELTEGOEDBON

12 1 Rijbewijs, kleur groen, MEXICAANS [yyyyyyyyy], onv. [Naam verdachte]

19 Geld Nederlands, 3555 euro

20 Geld buitenlands, 1000 indonesische rupiah

21 Geld buitenlands, 2000 hongaarsche forint

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

13 2 stuks Boek, CULINARY PROGR. Tefaf 2008

14 2 stuks Boek, FLOORPLAN

15 1 Boek, folder van SJ.Philips Ltd. London.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. R. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van D.C.H.B. Slenter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juni 2008.

Buiten staat

Mr. R. Niessen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

------------------------------------------------------------------------

BIJLAGE I: De tenlastelegging

zij op of omstreeks 6 maart 2008 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een collier (ter waarde van ongeveer 1,2 miljoen EURO), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B.] en/of Hancock London, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

------------------------------------------------------------------------

1 Het proces-verbaal met OPS dossiernummer 2008031262 van de Politie Regio Limburg Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt (pagina 1). Waar in hierna volgende noten wordt verwezen naar paginanummers, betreft het processen-verbaal, opgenomen op de desbetreffende paginanummers van het hiergenoemde proces-verbaal. Alle processen-verbaal waarnaar wordt verwezen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt.

2 Aangifte van B.] (pagina’s 78 t/m 81).

3 Verklaring [R.] (pagina’s 94 t/m 96).

4 Verklaring [G.] (pagina’s 97 t/m 100).

5 Verklaring [S.] (pagina’s 101-102).

6 Verklaring [Naam medeverdachte3] (pagina’s 435 t/m 438).

7 Verklaring [BL.] (pagina 107 t/m 109).

8 Proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 229 t/m 230).

9 Proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 227 t/m 228).

10 Proces-verbaal van bevindingen (pagina 232).

11Proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 234 t/m 236).

12 Verklaring [Naam medeverdachte3] (pagina 424).