Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD4798

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
03/700109-08 en 10/651098-07 (VTVV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens het aanwezig hebben van harddrugs en hasjiesj en de verkoop van harddrugs.

Met betrekking tot het aanwezig hebben is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken wettig en overtuigend is bewezen dat de in het pand aangetroffen verdovende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden, zodat geoordeeld moet worden dat verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700109-08 en 10/651098-07 (VTVV)

Datum uitspraak: 4 juni 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 februari 2008 in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2008 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 483 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 98,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 71 pillen/ tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine en/of amfetamine en/of N-ethylMDA, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of amfetamine en/of N-ethylMDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 19 februari 2008 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 145 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 februari 2008 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 19 februari 2008 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 483 gram van een materiaal bevattende heroïne en 98,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 71 tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne en cocaïne en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 19 februari 2008 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 145 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Nadere overwegingen aangaande het bewijs

Feit 1.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alleen op 18 februari 2008 heroïne heeft geleverd aan de heer [K.] op de parkeerplaats van Ikea te Heerlen. Hij is van mening dat hij slechts heroïne heeft geleverd en niet heeft verkocht.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat zijn cliënt slechts die ene keer harddrugs heeft geleverd en dat er geen enkel bewijs is dat zijn cliënt in de periode van 1 januari 2008 tot 19 februari 2008 meerdere keren verdovende middelen heeft verkocht.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte meermalen verdovende middelen heeft verkocht in de ten laste gelegde periode. De rechtbank baseert dit oordeel op de door de verdachte op 26 februari 2008 afgelegde verklaring bij de politie (pagina’s 143 t/m 145 van het dossier), alsmede op de door de getuige [K.] op 18 februari 2008 afgelegde verklaring bij de politie (pagina’s 33 t/m 35 van het dossier) en de herkenning van verdachte door de verbalisanten [D.] en [B.] als degene die op 18 februari 2008 als bestuurder van de zwarte Volkswagen heeft opgetreden en samen met [K.] in die auto bij Ikea heeft gezeten (pagina’s 37 t/m 39 van het dossier).

De verdachte heeft immers op 26 februari 2008 bij de politie verklaard dat hij heeft gewerkt voor “[L.]”. Hij heeft harddrugs voor [L.] verkocht en hij heeft dat gedaan vanaf januari 2008. Verder heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij ongeveer 15 keer drugs heeft verkocht voor [L.]. Hij kreeg dan van [L.] een telefoontje dat hij ergens drugs moest gaan leveren, vervolgens ging hij die drugs ophalen op de [Adres] of trof hij [L.] onderweg. Hij hoorde dan van [L.] waar en aan wie hij moest gaan leveren en hoeveel geld hij moest krijgen. Dat geld moest hij daarna aan [L.] afgeven.

Ook uit de verklaring van [K.] blijkt dat verdachte meermalen verdovende middelen heeft verkocht. [K.] heeft immers verklaard een maand voor zijn aanhouding ook heroïne te hebben gekocht bij dezelfde dealer.

De rechtbank houdt de verdachte aan zijn bij de politie afgelegde verklaringen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter zitting dat hij in de war was ten tijde van het afleggen van de verklaringen bij de politie ongeloofwaardig, nu dit in de war zijn door niets wordt ondersteund. Ook de stelling dat hij uit angst heeft verklaard dat hij meermalen verdovende middelen heeft verkocht en af en toe verbleef in het pand aan de [Adres] acht de rechtbank ongeloofwaardig. Immers, in dat betreffende verhoor heeft verdachte al aangegeven ook een ander verblijfadres te hebben, dat hij nog niet wil geven. Het niet willen noemen van dat andere adres uit angst, valt te begrijpen. Niet valt evenwel in te zien waarom verdachte uit angst zou verklaren dat hij af en toe op de [Adres] heeft geslapen. Evenmin valt in te zien waarom hij uit angst verklaard heeft dat hij meermalen verdovende middelen heeft verkocht.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande bewezen dat de verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 februari 2008 meermalen opzettelijk in vereniging heroïne heeft verkocht.

Feiten 2 en 3.

De verdachte heeft ontkend dat hij op de hoogte was van de hoeveelheid verdovende middelen die zich in het pand [Adres] te Kerkrade bevond. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de sleutels van dit pand pas op 19 februari 2008 heeft gekregen en dat hij maar 5 minuten binnen is geweest om te kijken of er een bed stond, omdat hij die nacht wilde slapen in het pand. Hij heeft toen hij binnen was geen drugs gezien.

De raadsman heeft betoogd dat zijn cliënt een toevallige passant was en niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het bezit van de grote partij drugs die in het pand is aangetroffen. Er zijn geen spullen van zijn cliënt in het pand aangetroffen en de huur is nooit door zijn cliënt betaald. De drugs waren van [A.]/[L.].

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken wettig en overtuigend is bewezen dat de in het pand aan de [Adres] aangetroffen verdovende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden, zodat geoordeeld moet worden dat verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. Dit baseert zij niet alleen op het aantreffen van de sleutels van het pand [Adres] bij de verdachte ten tijde van zijn aanhouding, maar ook op verdachtes eigen verklaring. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist dat er drugs in het pand aanwezig waren, gelet op de door hem in zijn verklaring bij de politie beschreven werkwijze, dat hij na het krijgen van de opdracht om drugs te gaan leveren deze drugs onder meer ging ophalen op de [Adres] - waarmee naar het oordeel van de rechtbank bedoeld is het pand [Adres], gelet op de context en het feit dat geen specifieke andere locatie op die weg door verdachte in zijn verklaring is genoemd - en hij in dat pand ook enkele keren sliep (pagina’s 143 t/m 145 van het dossier). Daarbij komt dat de verdovende middelen mede op zichtbare locaties werden aangetroffen.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit scholing inhoudt.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde onder 2 en 3 bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft hij gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van zijn cliënt, alsmede oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten hoeveelheden verdovende middelen, versnijdingsmiddelen en 4 weegschalen, zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke - respectievelijk - het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is begaan. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

De rechtbank heeft bij haar beslissing de voornoemde in beslag genomen voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen opgevat, waarop het voorgaande van toepassing is.

De overige in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen zullen aan de rechthebbende worden teruggegeven, dan wel ten behoeve van de rechthebbende worden bewaard.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 70 dagen, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Rotterdam d.d. 9 juli 2007, gewezen onder parketnummer 10/651098-07.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte naar voren is gekomen acht de rechtbank termen aanwezig de proeftijd te verlengen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot ZES maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als deze zullen inhouden het volgen van scholing;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

3 16 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463585

4 29.70 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463586

5 99.60 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463589

6 102.50 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463588

7 100 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463587

8 0.20 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463579

9 0.60 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463578

10 64 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463584

11 26 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463583

12 6.80 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463582

13 14.60 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463581

14 90.50 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463577

15 16.70 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463576

16 5.60 gram Verdovende Middelen, ASCORBINEZUUR

17 1.10 gram Verdovende Middelen, ASCORBINEZUUR

18 28.70 gram Verdovende Middelen, COCAINE, nfi 463574

19 42 Xtc TABLETTEN, kleur roze, nfi 463573

20 29 Xtc TABLETTEN, kleur roze, nfi 463575

21 50.60 gram Verdovende Middelen, HASHISH

22 94.40 gram Verdovende Middelen, HASHISH

23 1 ZAK HEROINE Verdovende Middelen, resten van bruin poeder

24 0.40 gram Verdovende Middelen, HEROINE, nfi 463900

31 3 stuks Weegschaal TANITA 1479v, kleur zwart

32 1 Weegschaal PROSCALE, kleur zwart;

- beveelt de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

1 1 GSM NOKIA 6233

37 1 Personenauto VOLKSWAGEN GOLF tdi 66 kw 1998, kenteken [XX-XX-XX], kleur zwart

38 1 GSM SHARP tm 100, kleur zwart, uit auto [Naam verdachte]

39 1 GSM SONY ERICSSON, zilverkleurig, uit auto [Naam verdachte]

40 1 Navigator BLUEMEDIA, uit auto [Naam verdachte]

41 1 Simkaart T-MOBILE, kleur wit, uit auto [Naam verdachte]

aan de veroordeelde [Naam verdachte];

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

2 1 GSM NOKIA, kleur paarlemoer

25 2 stuks Simkaart HI

26 1 stuk Papier, kleur wit, papiertje met adressen

27 1 Simkaart VODAFONE

28 2 stuks Simkaart T-MOBILE, inclusief t-mobile boekje

29 1 stuk Papier, kleur roze, KLADBLOKJE met getallen mogelijk boekhouding

30 2 stuks Adapter NOKIA

33 7 stuks Papier, papiertjes met namen en telefoonnummers

34 Geld Nederlands, 5 eurobiljet

35 1 GSM VODAFONE, kleur grijs

36 1 GSM NOKIA, zilverkleurig;

- ad 10/651098-07 VTVV:

verlengt de proeftijd met 1 jaar.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. C. Wapenaar en mr. M. Senden, rechters, in tegenwoordigheid van D.C.H.B. Slenter, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 4 juni 2008.