Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD4726

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
264465 CV EXPL 07-4737
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overgang onderneming in de zin van artikel 7:662 BW; werking concurrentiebeding; artikel 6:94 lid 3 BW;

De rechten en verplichtingen van de werkgever jegens de werknemer zijn ondanks de overgang van een deel van de onderneming niet overgegaan op de koper. In de koopovereenkomst is immers bepaald dat de levering en betaling zal plaatsvinden op 1 januari 2007. De werknemer was tegen die datum niet meer in dienst bij zijn oude werkgever. Zie in dit verband ook: Hoge Raad 20 april 1990, NJ 1990 729. De Koper kan gelet op het vorenaanstaande geen rechten ontlenen aan het concurrentiebeding dat de werkgever in de arbeidsovereenkomst met de werknemer had opgenomen. De oude werkgever kan dat in beginsel wel. Het concurrentiebeding wordt gematigd gelet op het feit dat werknemer slechts 2,5 jaar in dienst is geweest en niet is gebleken dat meer dan een VVE-relatie als klant is overgestapt naar de nieuwe werkgever. Artikel 6:94 lid 3 BW brengt slechts mee dat het verbod van matiging zoals opgenomen in het concurrentiebeding nietig is en niet het gehele boetebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Rolno/zaakno: 264465 CV EXPL 07-4737

typ: AH

Vonnis van de kantonrechter van 7 mei 2008

inzake

[eiser]

wonende [

gemachtigde: mr. A.W.J.D. Ray-Engels;

tegen

1. de naamloze vennootschap gedaagde sub1

[adres]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedaagde sub2

[adres]

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedaagde sub 3

[adres]

gemachtigde gedaagden: mr. J.W.H. Kempen.

1. Procesverloop

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend en proceshandelingen verricht:

- Dagvaarding;

- Conclusie van antwoord;

- Conclusie van repliek;

- Conclusie van dupliek.

Bij de dagvaarding, de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek zijn producties gevoegd.

Ten slotte is in de zaak vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is nader bepaald op heden.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid: eiser als “[eiser]]”, gedaagde sub 1 als “gedaagde sub 2 en als gedaagde sub 3.

2. De feiten

2.1 [eiser]] is vanaf 1 mei 2004 in dienst geweest van (rechtsvoorgangers) van [gedaagde] sub 1 in de functie van administratief medewerker. [eiser]] verleende advies en bijstand aan Verenigingen van Eigenaren (verder: VVE).

2.2 Op 24 november 2006 heeft [gedaagde] sub 1 haar VVE-portefeuille (58 VVE’s) overgedragen. Dat is gebeurd door het sluiten van een koopovereenkomst tussen Administratiekantoor [gedaagde], sub 3 de dochtervennootschap van [gedaagde] sub 1 waarin de VVE-portefeuille was ondergebracht, en 3 Op 15 maart 2007 is de handelsnaam van [gedaagde] sub 3 gewijzigd in [gedaagde] sub 3 VVE B.V. [gedaagde] sub 2 is enig aandeelhouder van [gedaagde] sub 3. In artikel 3 van de koopovereenkomst is bepaald: “levering en betaling zal plaatsvinden per 1 januari 2007”.

2.3 Op 28 november 2006 heeft [eiser]] zijn dienstverband opgezegd per 1 januari 2007.

In de arbeidsovereenkomst van [eiser]] is het volgende concurrentiebeding (relatiebeding) opgenomen:

“Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van vijf jaren na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in enigerlei vorm of op enigerlei wijze, zelfstandig of in dienstbetrekking, of in werk samenwerkingsverband dan ook, werkzaamheden te verrichten, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard dan ook te hebben, voor of ten behoeve van (voormalige) cliënten van werkgever, dan wel (de) maatschappen c.q. ondernemingen waarmee werkgever is gelieerd.

Bij overtreding van dit verbod verbeurt de werknemer ten behoeve van werkgever een dadelijk opeisbare en niet voor matiging vatbare boete van € 25.000,-- per overtreding, onverminderd het recht van werkgever, om indien en voorzover de schade meer bedraagt dan het boetebedrag, van werknemer volledige schadevergoeding te eisen.

Mocht de overtreding (bij bekendwording) langer dan een tijdvak van drie maanden beslaan, zal werknemer aan de werkgever voor iedere drie maanden dat de overtreding heeft voortgeduurd, dan wel voortduurt, een dadelijk opeisbare niet voor matiging vatbare boete van € 50.000,-- verbeuren, onverminderd het recht van werkgever volledige schadevergoeding van werknemer te vorderen, indien en voor zover die hoger is dan het boetebedrag”.

2.4 Met ingang van 1 januari 2007 is [eiser]] in dienst getreden bij Stichting als manager VVE-beheer. Bij brief van 12 maart 2007 heeft [gedaagde] [sub 1 (eiser]] gewezen op het concurrentiebeding. [gedaagde] sub 1 geeft in deze brief aan aanspraak te maken op de boete van € 25.000,- per overtreding omdat er aanwijzingen waren dat [eiser]] werkzaamheden zou verrichten voor (voormalige) VVE-klanten van [gedaagde] sub 1. [gedaagde] sub 2 had [gedaagde] sub 1 op de hoogte gesteld van de overgang van de VVE-, die als VVE tot de klanten van [gedaagde] sub 1 behoorde, naar (Stichting)

2.5 In een kort geding dat heeft gediend bij de rechtbank Roermond op 20 juni 2007 heeft [eiser]] (in conventie) schorsing voor onbepaalde tijd van het concurrentiebeding gevorderd. Deze vordering is bij vonnis van 4 juli 2007 afgewezen. In reconventie is [eiser]] veroordeeld tot nakoming van het concurrentiebeding en voor iedere overtreding tot een boete van € 25.000,-.

3. Het geschil

3.1 [eiser]] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. verklaart voor recht dat uit het relatiebeding geen rechten en/of verplichtingen voortvloeien voor zolang aan het dienstverband tussen [eiser]] en [gedaagde] sub 2 en/of [gedaagde] sub 3 geen rechtsgeldig einde is gekomen;

2. verklaart voor recht dat [gedaagde] sub 1 een beroep kan doen op het relatiebeding omdat zij geen partij meer is/was bij de arbeidsovereenkomst;

Subsidiair:

Indien en voor zover de kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] sub 1 partij is geweest bij de arbeidsovereenkomst en uit het relatiebeding sinds 1 januari 2007 rechten en verplichtingen tussen [gedaagde] sub 1 en [eiser]] voortvloeien:

3. verklaart voor recht dat het relatiebeding niet van toepassing is op de werkzaamheden die [eiser]] in zijn functie van VVE-beheerder bij (Stichting)) verricht en dat het [eiser]] daarom vrij staat om ten behoeve van VVE’s – zonder enige beperking - werkzaamheden te verrichten, ten opzichte van [gedaagde] sub 1;

Primair en subsidiair:

4. de werking van het relatiebeding ten opzichte van gedaagden volledig vernietigt dan wel matigt tot de duur van zes maanden;

5. verklaart voor recht ten opzichte van gedaagden en [eiser]] dat het boetebeding nietig is gezien de uitsluiting van de rechterlijke matigingsbevoegdheid;

6. gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2 [eiser]] stelt daartoe - kort en zakelijk samengevat – het volgende. De overdracht van de VVE-portefeuille heeft geleid tot de overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW. Daarmee is [eiser]] vanaf 24 november 2006 van rechtswege in dienst gekomen van [gedaagde] sub 2 c.q. [gedaagde] sub 3. [eiser]] heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd wegens de overdracht door [gedaagde] sub 1 van de VVE-portefeuille. [gedaagde] sub 2 wilde [eiser]] niet in dienst nemen, mede vanwege het feit dat zij reeds een andere medewerker voor het VVE-beheer in dienst had genomen. [eiser]] wilde zijn loopbaan als VVE-beheerder voortzetten en bij [gedaagde] sub 1 zou zijn functie komen te vervallen. Hij zou alleen nog als adviseur van het MKB kunnen worden ingezet en dat wilde hij niet. [eiser]] ontkent dat hij werkzaamheden heeft verricht voor (voormalige) klanten van [gedaagde] sub 1. Het boetebeding is nietig omdat matiging daarvan is uitgesloten. [gedaagde] sub 1 verleent volgens het handelsregister diensten op het gebied van fiscale advisering en begeleiding. Welnu, VVE-beheer is geen vorm van zakelijke dienstverlening, in ieder geval niet in de zin van fiscale advisering en begeleiding. [gedaagde] sub 1 heeft dan ook geen belang meer bij het concurrentiebeding aangezien de VVE-portefeuille geheel is overgedragen. De tijdsduur van 5 jaar van het concurrentiebeding is voorts, mede gelet op de duur van het dienstverband van 2,5 jaar, veel te lang. Vernietiging dan wel matiging van het concurrentiebeding ligt daarom voor de hand.

3.3 Gedaagden voeren gemotiveerd verweer en stellen daartoe - kort en zakelijk weergegeven – het volgende. Gedaagden ontkennen dat met de overdracht van de VVE-portefeuille sprake zou zijn van de overgang van een onderneming in de zin van 7:662 BW. [eiser]] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd omdat [gedaagde] sub 1 niet tegemoet wilde komen aan zijn salariseisen. Verder is pas op 1 januari 2007 een andere medewerker voor het VVE-beheer in dienst gesteld. VVE-beheer is wel een vorm van zakelijke dienstverlening waarbij naast algemene werkzaamheden in verband met de VVE-vergaderingen ook begrotingen en jaarstukken worden opgesteld. Het gaat er in het concurrentiebeding om welke werkzaamheden [gedaagde] sub 1 feitelijk voor hun cliënten uitvoeren en niet welke beschrijving in het handelsregister staat. Gedaagden hebben alledrie belang bij handhaving van het concurrentiebeding. [gedaagde] sub 1 heeft uiteindelijk mede namens [gedaagde] sub 2 het relatiebeding voor [eiser]] beperkt tot VVE-relaties zoals vermeld op de lijst. [gedaagde] sub 3 sluit zich bij deze beperking aan. Buiten de door [Stichting] overgenomen VVE- zijn alle VVE-relaties van [gedaagde] sub 1 relatie geworden van (thans) [gedaagde] sub 3. [gedaagde] sub 1 heeft met [gedaagde] sub 2 / [gedaagde] sub 3 de afspraak gemaakt dat [gedaagde] sub 1 zoveel mogelijk de jaarstukken blijft maken voor de overgenomen VVE-relaties. Betwist wordt dat [eiser]] in zijn carrière als VVE-beheerder in Limburg dan wel Noord-Brabant beperkt wordt vanwege de 58 VVE’s die op de lijst staan. [Gedaagde] sub 1 heeft de VVE-relaties verkocht en in dat kader heeft zij een inspanningsverplichting jegens de koper om te voorkomen dat [Stichting] als werkgever van [eiser]] de verkochte VVE-relaties als klant krijgt.

4. De beoordeling

4.1 Vooreerst merkt de kantonrechter op dat voor zover partijen twisten over de vraag of [eiser]] tijdens voornoemd kort geding de stelling heeft ingenomen dat er géén sprake is van overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 BW en hij in deze procedure nadrukkelijk stelt dat zulks wel het geval is, de kantonrechter dit voor de beoordeling van de onderhavige procedure niet relevant acht.

4.2 De kantonrechter is van oordeel dat de overgang van alle VVE-relaties door [gedaagde] sub 1ls een overgang van een deel van de onderneming moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 7:662 BW. [gedaagde] sub 1 had de VVE-relaties ondergebracht in een aparte BV. Drie mensen waaronder [eiser]] waren in dienst in verband met de werkzaamheden voor de VVE’s. [gedaagde] sub 1 heeft de VVE-relaties verkocht voor een bedrag van € 100.000,-. Daarmee is aan de voorwaarden van artikel 7:662 BW zonder meer voldaan.

4.3 De rechten en verplichtingen van [gedaagde] sub 1 jegens [eiser]] zijn ondanks de overgang van een deel van de onderneming echter niet overgegaan op de koper. In de koopovereenkomst is immers bepaald dat de levering en betaling zal plaatsvinden op 1 januari 2007. [eiser]] was tegen die datum niet meer in dienst bij [gedaagde] sub 1. Zie in dit verband ook: Hoge Raad 20 april 1990, NJ 1990, 729.

4.4 [Gedaagde] sub 1 en [gedaagde] sub 3 kunnen gelet op het vorenstaande geen rechten ontlenen aan het concurrentiebeding dat [gedaagde] sub 1in de arbeidsovereenkomst met [eiser]] had opgenomen. [gedaagde] sub 1 kan dat in beginsel wel. Hieruit volgt dat het primair gevorderde dient te worden afgewezen. Verder volgt hieruit dat [eiser]] jegens [gedaagde] sub 2 en [gedaagde] sub 3 geen belang heeft bij het primair en subsidiair gevorderde onder 4. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.5 Anders dan in het door [eiser]] overgelegde vonnis van de kantonrechter te Dordrecht (JAR 2006, 144) is de kantonrechter in de onderhavige zaak van oordeel dat artikel 6:94 lid 3 BW slechts meebrengt dat het verbod van matiging zoals opgenomen in het aan het concurrentiebeding verbonden boetebeding nietig is en niet het gehele boetebeding. De tekst van 6:94 BW noch de toelichting daarop laten naar het oordeel van de kantonrechter een dergelijke ruime lezing toe. Het primair en subsidiair gevorderde onder 5 ligt daarmee voor afwijzing gereed.

4.6 De kantonrechter merkt op dat de stelling van [eiser]] dat VVE-beheer geen vorm is van zakelijke dienstverlening moeilijk te rijmen valt met zijn standpunt dat er wel sprake is van overgang van een onderneming. Verder valt deze stelling ook moeilijk te rijmen met het feit dat [eiser]] en twee anderen in dienst waren van [gedaagde] sub 1 in verband met het VVE-beheer. In ieder geval blijkt uit de aard van de werkzaamheden zoals omschreven door [gedaagde] sub 1 duidelijk dat hier wel sprake is van zakelijke dienstverlening. De stelling van [eiser]] wordt dan ook verworpen. [eiser]] maakt ook niet duidelijk in hoeverre zijn huidige werkzaamheden bij [Stichting) verschillen van zijn werkzaamheden bij [gedaagde] sub 1. Het subsidiair onder 3 gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.7 Zoals hiervoor reeds geoordeeld, kan [gedaagde] sub 1 in beginsel een beroep doen op het concurrentiebeding. [gedaagde] sub 1 heeft duidelijk gemaakt nog belang te hebben bij handhaving van het beding zodat het beroep van [eiser]] op vernietiging zal worden verworpen. De kantonrechter ziet wel reden tot matiging van het concurrentiebeding. De kantonrechter acht daarvoor maatgevend het feit dat [eiser]] slechts 2,5 jaar in dienst is geweest. Verder is niet gebleken dat buiten de VVE-[ nog andere VVE’s zijn overgegaan naar [Stichting). Een afweging van de onderlinge belangen brengt met zich dat de duur van het concurrentiebeding naar het oordeel van de kantonrechter beperkt dient te worden tot 1 jaar. Het primair en subsidiair gevorderde onder 4 zal in zoverre worden toegewezen.

4.8 In het feit dat de duur van de werking van het concurrentiebeding aanzienlijk wordt beperkt maar de vordering voor het overige wordt afgewezen, ziet de kantonrechter reden de proceskosten te compenseren in die zin dat partijen zelf de eigen proceskosten dienen te dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Matigt het concurrentiebeding ten opzichte van [gedaagde] sub 1 tot de duur van 1 jaar.

Compenseert de proceskosten in die zin dat partijen zelf de eigen proceskosten dienen te dragen.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen, kantonrechter, en ter openbare terechtzitting van 7 mei 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.