Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD3943

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
03/700116-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank kan door het hanteren van een schroevendraaier zoals verdachte heeft gedaan een ander van het leven worden beroofd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich derhalve willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door de schroevendraaier dodelijk zou worden getroffen. Verdachte heeft mitsdien gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet. Reden waarom de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

Het beroep op noodweer wordt door de rechtbank verworpen, aangezien er geen sprake was van een situatie waarin verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen zijn eigen lijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700116-07

Datum uitspraak: 9 mei 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2007,

15 augustus 2007, 7 november 2007, 29 januari 2008, 28 maart 2008 en 25 april 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, Huis van Bewaring Demersluis te Amsterdam.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 februari 2007 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet met een schroevendraaier, althans met een soortgelijk voorwerp, een of meermalen die [Naam slachtoffer1] in de halsstreek heeft gestoken, althans een of meermalen met die schroevendraaier, althans dat soortgelijk voorwerp, in de richting van de hals van die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 februari 2007 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een schroevendraaier, althans met een soortgelijk voorwerp, een of meermalen die [Naam slachtoffer1] in de halsstreek heeft gestoken, althans een of meermalen met die schroevendraaier, althans dat soortgelijk voorwerp, in de richting van de hals van die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 februari 2007 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan de Stationsstraat geparkeerde auto, merk Hyundai, heeft weggenomen een autoradio/cd-speler, merk Pioneer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2007 in de gemeente Maastricht opzettelijk een autoradio/cd-speler, merk Pioneer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten welke autoradio/cd-speler hij, verdachte, had gevonden, en aldus onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op of omstreeks 17 februari 2007 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een op het Vrijthof geparkeerde auto, merk Citroën heeft weggenomen een autoradio/CD-speler, merk Pioneer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2007 in de gemeente Maastricht opzettelijk een autoradio/CD-speler, merk Pioneer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten welke autoradio/CD-speler hij, verdachte, had gevonden, en aldus onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4.

hij op of omstreeks 25 augustus 2006 in de gemeente Maastricht [Naam slachtoffer4] en/of [Naam slachtoffer5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer4] en/of [Naam slachtoffer5] dreigend de woorden toegevoegd: "ik steek jullie ogen uit" en/of "ik steek je kapot, ik zoek je op, ik schiet je kop eraf, als ik je tegenkom maak ik je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 25 augustus 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [Naam slachtoffer4], brigadier van politie, en/of [Naam slachtoffer5], hoofdagent van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Teringlijers en/ of vuile kankerlijers en/of teringhoer en/ of vuile kankerhoer.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

6.

hij in of omstreeks de periode van 29 mei 2005 tot en met 30 mei 2005 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto, merk Alfa Romeo, gekentekend [XX-XX-XX], heeft weggenomen een radio-CD-speler en/of een aantal CD's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

7.

hij op of omstreeks 1 februari 2007 in de gemeente Maastricht [Naam slachtoffer7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zeer krachtig tegen (de borst en/of het lichaam) die [Naam slachtoffer7] geduwd en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik trek/ruk je hoofd van je romp af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

8.

hij op of omstreeks 27 juni 2005 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto, merk Mazda, gekentekend [YY-YY-YY] heeft weggenomen een radio-CD-speler, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair,

2 primair, 3 primair, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair

hij op 16 februari 2007 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet met een schroevendraaier meermalen die [Naam slachtoffer1] in de halsstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

hij op of omstreeks 17 februari 2007 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan de Stationsstraat geparkeerde auto, merk Hyundai, heeft weggenomen een autoradio/cd-speler, merk Pioneer, toebehorende aan [Naam slachtoffer2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3. primair

hij op of omstreeks 17 februari 2007 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een op het Vrijthof geparkeerde auto, merk Citroën heeft weggenomen een autoradio/CD-speler, merk Pioneer, toebehorende aan [Naam slachtoffer3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4.

hij op 25 augustus 2006 in de gemeente Maastricht, [Naam slachtoffer4] en [Naam slachtoffer5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [Naam slachtoffer4] en [Naam slachtoffer5] dreigend de woorden toegevoegd: "ik steek jullie ogen uit" en "ik steek je kapot, ik zoek je op, ik schiet je kop eraf, als ik je tegenkom maak ik je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op 25 augustus 2006 in de gemeente Maastricht, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten V. [Naam slachtoffer4], brigadier van politie, en [Naam slachtoffer5], hoofdagent van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Teringlijers en vuile kankerlijers en teringhoer en vuile kankerhoer.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

6.

hij in de periode van 29 mei 2005 tot en met 30 mei 2005 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto, merk Alfa Romeo, gekentekend [XX-XX-XX], heeft weggenomen een radio-CD-speler en een aantal CD's, toebehorende aan [Naam slachtoffer6], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7.

hij op 1 februari 2007 in de gemeente Maastricht [Naam slachtoffer7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend krachtig tegen de borst van die [Naam slachtoffer7] geduwd en deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik trek/ruk je hoofd van je romp af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

8.

hij op 27 juni 2005 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto, merk Mazda, gekentekend [YY-YY-YY] heeft weggenomen een radio-CD-speler, toebehorende aan [Naam slachtoffer8], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair, 3 primair, 6, 7 en 8 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

feit 1 primair:

poging tot doodslag;

feit 2 primair:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 3 primair:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 5:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

feit 6:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 7:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 8:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Bijzondere overweging met betrekking tot het bewijs en de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van feit 1 primair

Naar het oordeel van de rechtbank kan door het hanteren van een schroevendraaier zoals verdachte heeft gedaan een ander van het leven worden beroofd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich derhalve willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [Naam slachtoffer1] door de schroevendraaier dodelijk zou worden getroffen. Verdachte heeft mitsdien gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet. Reden waarom de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

De raadsman heeft geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat er sprake was van een noodweersituatie in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht in welke situatie de verdediging van eigen lijf was geboden. Verdachte diende zich te verdedigen tegen een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding door [Naam slachtoffer1], welke laatste hem aanrandde door hem met een ijzeren (honden)ketting te slaan waardoor verdachte letsel had opgelopen en bloedde aan zijn hoofd. De raadsman verzoekt verdachte derhalve te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie is van mening dat het beroep op noodweer verworpen dient te worden, nu er in casu geen sprake is van een noodweersituatie. Verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij na de aanranding door [Naam slachtoffer1] is weggelopen en - toen hij bloed langs zijn gezicht voelde lopen- kwaad is teruggelopen met een schroevendraaier in de hand. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij dacht: “Als ik bloed, moet die vent ook bloeden.” Getuigen [Naam getuige1] en [Naam getuige2] hebben gezien dat verdachte na de aanranding door [Naam slachtoffer1] is weggelopen en dat hij even later kwam teruggelopen met een schroevendraaier, waarmee hij op [Naam slachtoffer1] instak. Er was derhalve geen sprake van een situatie waarin verdachte was genoodzaakt zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen zijn eigen lijf.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de hiervoor door de officier van justitie vermelde verklaringen van verdachte zelf en van twee onafhankelijke getuigen, er geen sprake was van een situatie waarin verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen zijn eigen lijf.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting primair gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6, 7 en 8 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en voorts dat zal worden gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden geplaatst in een inrichting voor de opvang van stelselmatige daders, met de bepaling dat negen maanden na aanvang van de maatregel een tussentijdse beoordeling door de rechtbank van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dan wel terzake ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen en dat voorts verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 4, 5 en 7 ten laste gelegde. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair, 6 en 8 ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft met betrekking tot de strafmaat bepleit dat verdachte zal worden geplaatst in een inrichting voor de opvang van stelselmatige daders.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- het gewelddadige karakter van het onder 1 primair bewezenverklaarde.

De officier van justitie heeft, zoals hiervoor reeds overwogen, primair gevorderd te gelasten dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege.

De rechtbank zal daartoe evenwel niet overgaan. Afgezien van het feit dat een terbeschikkingstelling niet werd geadviseerd door de rapporterende deskundigen van het Pieter Baan Centrum, achten deze deskundigen verdachte ten tijde van het plegen van (onder meer) het zwaarste feit, de poging doodslag, weliswaar lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, doch concluderen zij tegelijkertijd dat dit feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

De andere feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling niet.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden geplaatst in een

inrichting voor de opvang van stelselmatige daders. Reeds omdat er geen advies als bedoeld in artikel 38m, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, is overlegd, zal de rechtbank verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet opleggen.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam slachtoffer2], [Naam slachtoffer4], [Naam slachtoffer5], [Naam slachtoffer6] en [Naam slachtoffer8] zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij [Naam slachtoffer2] op haar voegingsformulier geen schadebedrag heeft aangegeven, kan zij niet in haar vordering worden ontvangen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer4] door het hiervoor onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 100,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer5] door het hiervoor onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 100,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer6] door het hiervoor onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 132,13 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 4 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partijen [Naam slachtoffer4], [Naam slachtoffer5] en [Naam slachtoffer6], aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer8] niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de vordering van de benadeelde partij niet nader met bescheiden is onderbouwd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 266, 267, 285, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair, 3 primair, 6, 7 en 8 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart de benadeelde partij [Naam slachtoffer2], [Adres slachtoffer2] (België), in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [Naam slachtoffer2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot heden begroot op nihil;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer4], [Adres slachtoffer4], te betalen een bedrag van € 100,- (honderd euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer4] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer5], [Adres slachtoffer5], te betalen een bedrag van € 100,- (honderd euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer5] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer6], [Adres slachtoffer6], te betalen een bedrag van € 132,13 (honderdtweeëndertig euro en dertien cent);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer6] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- verklaart de benadeelde partij [Naam slachtoffer8], [Adres slachtoffer8], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [Naam slachtoffer8] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M. Senden, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. I. Becker-Hartenhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.L.P. Biesmans, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 9 mei 2008, zijnde mr. I. Becker-Hartenhof buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.