Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD3920

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
130009 / HA RK 08-195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van verzoek tot wraking.

Ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden. De feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt verzocht om de rechter-commissaris te wraken, hebben zich voorgedaan tijdens de voorgeleiding van 23 mei 2008.

Door op dat moment slechts bezwaren te uiten, doch de voorgeleiding voort te laten zetten door de betreffende rechter-commissaris, het wrakingsverzoek vervolgens voorwaardelijk per brief aan te kondigen en eerst bij de eerstvolgende voorgeleiding te verzoeken om de betreffende rechter-commissaris te wraken, schiet het wrakingsverzoek zijn doel voorbij en is het verzoek tardief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK MAASTRICHT

Datum uitspraak: 12 juni 2008

Zaaknummer: 130009 / HA RK 08-195

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken, heeft de navolgende beschikking gegeven op het verzoek door:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.J.J.L. Maalsté te Utrecht,

strekkende tot wraking van [Naam rechter-commissaris] belast met de behandeling van strafzaken.

1. Het verloop van de procedure

Op 27 mei 2008 heeft mr. Maalsté, tijdens het verhoor van [Verzoeker] op een vordering tot het verlenen van een bevel tot inbewaringstelling, namens [Verzoeker] mondeling de wraking verzocht van voornoemde rechter-commissaris [Naam rechter-commissaris]. Ten aanzien van de feiten en omstandigheden voor het verzoek tot wraking is in het door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal verwezen naar de door mr. Maalsté op 26 mei 2008 aan de rechter-commissaris per telefax gezonden brief.

[Naam rechter-commissaris] heeft de rechtbank bericht niet in de wraking te berusten. Tevens heeft hij schriftelijk medegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het verzoek. Met het oog daarop heeft hij de rechtbank zijn schriftelijk standpunt doen toekomen.

Ter zitting van deze kamer van 29 mei 2008 is mr. Maalsté namens [Verzoeker] gehoord. Tevens heeft mr. D. van Kuppenveld de zienswijze van het openbaar ministerie verwoord.

2. Het standpunt van verzoeker

De aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn verwoord in de brief van mr. Maalsté van 26 mei 2008 en ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank nader toegelicht. Mr. Maalsté heeft aangevoerd dat op vrijdag 23 mei 2008 de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling van [Verzoeker] heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van een tolk. [Naam rechter-commissaris] had er volgens mr. Maalsté eerder die dag, middels zijn beslissing om het verhoor in verband met de beschikbaarheid van de tolk Somalische taal te verzetten van 14 uur naar 15.30 uur, blijk van gegeven dat hij het wel noodzakelijk achtte dat [Verzoeker] tijdens de toetsing werd bijgestaan door een tolk. Op deze beslissing is de rechter-commissaris echter teruggekomen zonder hierover overleg te plegen met mr. Maalsté en zonder zijn motivering mede te delen. Op het verzoek van Maalsté om daarover overleg te plegen, heeft [Naam rechter-commissaris] verklaard dat de tolk in de file stond en dat hij niet op de aankomst van de tolk wilde wachten, zo stelt mr. Maalsté.

Nu voor [Naam rechter-commissaris] duidelijk was, getuige de zich in het dossier bevindende brief van de officier van justitie waarin is opgenomen de kwalificatie: “dat het evident is dat uw cliënt enkel eenvoudig Nederlands beheerst en begrijpt”, dat [Verzoeker] problemen heeft met enerzijds het verstaan en begrijpen van de Nederlandse taal en anderzijds het zich kunnen uitdrukken in de Nederlandse taal, had [Naam rechter-commissaris] naar de mening van mr. Maalsté niet mogen afwijken van zijn eerdere beslissing. Daar [Naam rechter-commissaris] zich volgens Maalsté evenmin tijdig en adequaat heeft vergewist van de kennis en beheersing van de Nederlandse taal door [Verzoeker], heeft hij te lichtvaardig beslist en onvoldoende oor gehad voor de bezwaren van de verdediging en de rechten van de verdachte. Voorts heeft hij er blijk van gegeven de eisen die aan een fair trial kunnen worden gesteld te veronachtzamen.

Op grond van het bovenstaande heeft [Verzoeker], aldus mr. Maalsté, niet langer het vertrouwen dat [Naam rechter-commissaris] onpartijdig en onbevooroordeeld is in deze zaak en voldoende oog heeft voor de rechten van [Verzoeker] en de belangen van de verdediging. Dit heeft mr. Maalsté in de brief van 26 mei 2008 kenbaar gemaakt en daarbij heeft hij [Naam rechter-commissaris] verzocht om bij een volgende voorgeleiding aan het kabinet RC een andere rechter-commissaris op de vordering inbewaringstelling te laten beslissen. Op dit verzoek is door [Naam rechter-commissaris] niet gereageerd en bij de voorgeleiding op 27 mei 2008 is desgevraagd door [Naam rechter-commissaris] kenbaar gemaakt dat hij zich niet zou verschonen. Op dat moment heeft mr. Maalsté zich genoodzaakt gezien om namens zijn cliënt tot wraking van [Naam rechter-commissaris] over te gaan.

3. Het standpunt van de rechter

[Naam rechter-commissaris] heeft primair aangevoerd dat het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dit gedaan had moeten worden op of direct na het moment dat zijn gedraging is verricht waaruit mr. Maalsté meende te moeten concluderen dat hij niet langer onpartijdig was.

Voorts heeft [Naam rechter-commissaris] het verweer gevoerd dat van feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid in het gedrang zou komen naar zijn mening geen sprake is.

Dienaangaande heeft hij het volgende aangevoerd.

Voorafgaande aan de voorgeleiding op 23 mei heeft hij voor de zekerheid een tolk in de Somalische taal verzocht bij de voorgeleiding aanwezig te zijn, hoewel [Verzoeker] door de politie zonder bijstand van een tolk was gehoord en door de politie was aangegeven dat, soms met enige verduidelijking, met [Verzoeker] goed te communiceren was in de Nederlandse taal. [Verzoeker] heeft volgen [Naam rechter-commissaris] bij de polite ook te kennen gegeven dat hij geen bijstand van een tolk hoefde bij de voorgeleiding. Naar aanleiding van het bericht, op 23 mei 2008 omstreeks 15.40 uur, dat de tolk “ergens in Duitsland” in de file stond en het nog geruime tijd zou duren voor hij in Maastricht zou zijn, heeft hij vervolgens besloten om de mogelijkheid te bezien of de voorgeleiding zonder bijstand van een tolk zou kunnen voortgaan. Nadat hij hem had uitgelegd wat het doel van de voorgeleiding was, waarvan hij werd verdacht en dat hij geen vragen behoefde te beantwoorden, gaf [Verzoeker] in goed verstaanbaar Nederlands aan dat hij dit begreep. Op de vraag of hij verder iets wilde zeggen, gaf [Verzoeker] in goed verstaanbaar Nederlands aan dat hij verder niets wilde zeggen. Op dat moment vroeg mr. Maalsté waar de tolk was en waarom er geen overleg met hem was gepleegd. Volgens eigen zeggen heeft de rechter-commissaris vervolgens de hier voorgaande omstandigheden uitgelegd en medegedeeld dat de voorgeleiding door zou gaan nu [Verzoeker] had geantwoord dat hij begreep waar het over ging. Op basis van de antwoorden van [Verzoeker] had [Naam rechter-commissaris] de stellige indruk dat met [Verzoeker] in het Nederlands te communiceren was, zo voert hij aan.

4. De beoordeling

Alvorens de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de vraag of de vrees voor vooringenomenheid van de rechter-commissaris onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient te worden bezien of het verzoek tijdig is ingediend.

Ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Het verzoek tot wraking van de [Naam rechter-commissaris] is door mr. Maalsté ingediend bij de voorgeleiding van 27 mei 2008. De feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt verzocht om [Naam rechter-commissaris] te wraken, hebben zich echter voorgedaan tijdens de voorgeleiding van 23 mei 2008. Op het moment dat de rechter-commissaris te kennen gaf dat het verhoor naar zijn oordeel zonder aanwezigheid van de tolk kon worden voortgezet en het bezwaar daartegen van mr. Maalsté werd gepasseerd, waren alle feiten en omstandigheden op grond waarvan [Verzoeker] het vertrouwen in de onbevooroordeeldheid en onpartijdigheid van [Naam rechter-commissaris] is verloren, aan [Verzoeker] bekend. Namens [Verzoeker] zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan er aanleiding bestond om niet op dat moment tot indiening van een verzoek tot wraking over te gaan. Mr. Maalsté heeft aangegeven dat hem reeds voorafgaande aan de voorgeleiding, bij de verhoren door de politie, duidelijk was geworden dat zijn cliënt niet zonder tolk zou kunnen worden gehoord, zodat ook indien zijn cliënt hem dat niet kenbaar heeft gemaakt, voor hem op dat moment de omstandigheden op grond waarvan later tot indiening van een verzoek tot wraking is overgegaan bekend waren.

Door op dat moment slechts bezwaren te uiten, doch de voorgeleiding voort te laten zetten door de betreffende rechter-commissaris, het wrakingsverzoek vervolgens voorwaardelijk per brief aan te kondigen en eerst bij de eerstvolgende voorgeleiding van [Verzoeker] te verzoeken om de betreffende rechter-commissaris te wraken, schiet het wrakingsverzoek zijn doel voorbij en is het verzoek tardief.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen van oordeel dat het verzoek niet tijdig is ingediend.

Gelet op bovenstaande dient het verzoek tot wraking van [Naam rechter-commissaris] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. De beslissing

Verklaart [Verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van [Naam rechter-commissaris].

Aldus gewezen op 12 juni 2008 door mrs. P. Hoekstra, J.N.F. Sleddens en F.A.G.M. Vluggen, rechters, in bijzijn van de griffier mr. E.G.F. van de Sande.