Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD3917

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
129157 / HA RK 08-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Datum uitspraak : 12 juni 2008

Zaaknummer : 129157 / HA RK 08-153

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken, heeft de navolgende beschikking gegeven op het verzoek door

[Naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

procureur mr. E.A.M. Ramakers;

Strekkende tot wraking van [Naam rechter], rechter.

Het verloop van de procedure

Middels een verzoekschrift d.d. 28 april 2008, bij de rechtbank binnengekomen op 29 april 2008, heeft mr. Ramakers namens [Verzoekster] de wraking verzocht van de rechter [Naam rechter]. De gronden voor het verzoek tot wraking zijn weergegeven in voornoemd verzoekschrift.

[Naam rechter] heeft de rechtbank bericht niet in de wraking te berusten. Tevens heeft hij schriftelijk medegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het verzoek. Met het oog daarop heeft hij de rechtbank zijn schriftelijk standpunt doen toekomen.

Ter zitting van deze kamer van 29 mei 2008 is [Verzoekster] gehoord.

Het standpunt van verzoekster

De aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn, zoals hiervoor vermeld, verwoord in het verzoekschrift van 28 april 2008 en ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank nader toegelicht.

Het verzoek tot wraking berust op de beslissing welke door [Naam rechter] is genomen in het tussenvonnis d.d. 9 april 2008 met betrekking tot het incident dat door [Verzoekster] is opgeworpen in een geschil tussen [Verzoekster] en de coöperatieve vereniging Vernieuwend Wonen Maastricht, hierna te noemen de Vereniging. [Verzoekster] heeft zich in het incident beroepen op een in de statuten van de Vereniging opgenomen arbitraal beding en gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van de vordering van de Vereniging kennis te nemen. De thans relevante overwegingen in dat vonnis luiden:

3.1

[Verzoekster] heeft zich beroepen op het arbitrale beding in artikel 18, lid 1, van de Statuten. De Vereniging heeft erkend dat er tussen partijen sprake is van een geschil als bedoeld in voornoemd artikel en lid van de Statuten.

3.2

De Vereniging heeft echter gesteld dat zij niet beschikte over een commissie als bedoeld in dat artikel en lid van de Statuten, omdat die commissie - volgens artikel 18, lid 3, van de Statuten - moest worden ingesteld door de algemene ledenvergadering van de Vereniging (en moest bestaan uit tenminste drie personen binnen of buiten de Vereniging waarin het vertrouwen is uitgesproken door de algemene ledenvergadering) vóórdat er van enig conflict sprake is.

(…)

3.3

De rechtbank overweegt voorts dat consequentie van de stelling van de Vereniging zou zijn dat door het verzuim van de Vereniging om tijdig een commissie als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Statuten in te stellen, aan [Verzoekster] definitief de mogelijkheid ontnomen zou worden een beroep te doen op dit arbitraal beding. Het hoeft geen betoog dat het niet de bedoeling kan zijn dat de Vereniging op deze wijze zou worden "beloond" voor haar eigen verzuim.

3.3.1

Nu de Vereniging heeft gesteld dat zij sinds 1 januari 2008 wél beschikt over een dergelijke commissie (bestaande uit 4 vaste leden, waarvan drie personen extern en één persoon lid van de Vereniging) acht de rechtbank het daarom voor de hand liggend (nu dat het dichtste in de buurt komt van wat partijen in de Statuten bedoeld hebben) dat het tussen partijen bestaande conflict zal worden voorgelegd aan de thans bij de Vereniging bestaande commissie.

3.3.2

[Verzoekster] zal dan echter die commissie wel dienen te aanvaarden als "commissie van scheidslieden" als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Statuten.

3.3.3

Alvorens verder te beslissen zal de rechtbank [Verzoekster] bij akte in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.

3.3.4

De rechtbank wijst [Verzoekster] er daarbij op dat zij die commissie slechts "integraal" (d.w.z. zonder bezwaren te maken tegen één of meer leden van die commissie) kan accepteren.

(…)

3.4

De rechtbank deelt partijen mede dat zij vooralsnog voornemens is om - indien [Verzoekster] de thans bij de Vereniging bestaande commissie accepteert - het beroep van [Verzoekster] op het arbitraal beding toe te wijzen en zich in dat geval onbevoegd zal dienen te verklaren.

Indien [Verzoekster] die commissie echter niet - integraal - accepteert is de rechtbank voornemens het beroep van [Verzoekster] op het arbitraal beding af te wijzen: in dat geval zou immers een "vacuüm" ontstaan doordat er in dat geval geen commissie van scheidslieden zou bestaan waarop een beroep zou kunnen worden gedaan, zodat - omdat in het geschil tussen partijen uiteindelijk toch een beslissing zal dienen te worden genomen - de rechtbank zich in dat geval bevoegd zal verklaren van dat geschil kennis te nemen.

3.5

(…)

[Verzoekster] stelt dat deze beslissing, nu daarin het beroep op het arbitraal beding afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een scheidsgerecht, in de eerste plaats in flagrante strijd met de wet is, nu er geen wettelijke bepaling is aan te wijzen waaruit deze eis kan worden afgeleid. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft immers haar eigen algemene bepalingen op grond waarvan een scheidsgerecht kan worden samengesteld. Omdat dit tevens betekent dat het beroep van [Verzoekster] op het arbitraal beding niet aanstonds wordt gehonoreerd, heeft [Naam rechter] derhalve de schijn gewekt bereid te zijn af te wijken van de wet ten behoeve van de belangen van de tegenpartij van [Verzoekster], zo voert [Verzoekster] aan.

Bovendien voelt [Verzoekster] zich op grond van de overweging van [Naam rechter] dat hij zijn beslissing afhankelijk stelt van het “integraal accepteren van [Verzoekster] van een door haar wederpartij samengesteld scheidsgerecht” gedwongen om een civielrechtelijke overeenkomst met de Vereniging aan te gaan, omdat een eenzijdige verklaring van [Verzoekster] tot de rechtbank geen gevolg heeft. Een rechter mag hooguit processuele voorwaarden verbinden aan een te nemen beslissing, maar mag een procespartij niet dwingen een bepaalde privaatrechtelijke verhouding aan te gaan of prijs te geven, zo stelt [Verzoekster]. Dit zou volgens [Verzoekster] tevens inhouden dat zij haar recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van de arbitragezaak overeenkomstig de in artikel 6 EVRM neergelegde voorwaarden zou moeten prijsgeven, omdat zij afstand zou moeten doen van het recht op wraking van de leden van het scheidsgerecht in daarvoor volgens de wet in aanmerking komende gevallen. Deze voorwaarde is in strijd met de wet. Bovendien is de gestelde voorwaarde ernstig in haar nadeel. Van haar kan niet verwacht worden dat zij afstand doet van een wrakingsrecht terwijl de identiteit van de arbiters haar niet eens bekend is gemaakt en terwijl de arbiters eenzijdig door de Vereniging zijn benoemd.

De vermelde beslissingen van [Naam rechter] kunnen volgens [Verzoekster] alleen worden verklaard als een duidelijke keuze voor het beschermen van de belangen van de Vereniging, Althans heeft [Naam rechter] de schijn gewekt dat het hem te doen is om de belangen van de Vereniging en dat hij dus de rechterlijke onpartijdigheid uit het oog heeft verloren. Op grond van de voorgaande omstandigheden meent zij voldoende te hebben aangetoond dat bij [Naam rechter] te haren aanzien een vooringenomenheid bestaat, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid niet alleen schade zou kunnen lijden, maar zelfs in dit geval niet lijkt te bestaan en dus al schade heeft geleden.

3. Het standpunt van de rechter

[Naam rechter] heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat van feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid in het gedrang zou komen of zelfs schade zou leiden naar zijn mening geen sprake is.

In dat verband stelt hij dat in het vonnis is getracht om recht te doen aan de belangen van beide partijen, in die zin dat (1) wordt voorzien in een mogelijkheid om het geschil daadwerkelijk te laten beslechten, die, indien [Verzoekster] dat wil (2) zo veel mogelijk aansluit op de Statuten. De beslissing die is genomen (c.q. in het vooruitzicht gesteld) is zijns inziens conform de wet. De stelling dat iedere beslissing van een rechter waarvan een partij meent dat die in strijd komt met de wet en die in het nadeel van die partij uitvalt duidt op enige (schijn van) partijdigheid, is naar de mening van [Naam rechter] onhoudbaar.

Voorts heeft [Naam rechter] vermeld dat, zou [Verzoekster] aangeven dat zij de voorkeur geeft aan de berechting van het geschil door de huidige arbitragecommissie van de Vereniging, dat dan arbitrage is op grond van de Statuten. Enige nadere afspraak tussen partijen is daarvoor niet nodig. Kiezen voor arbitrage door de door de Vereniging ingestelde commissie betekent niet dat afzonderlijke leden van die commissie niet zouden kunnen worden gewraakt, aldus [Naam rechter]. Dat is ook niet de strekking van het bepaalde in het vonnis onder 3.3.4. Wraking is uiteraard mogelijk conform het bepaalde in art. 1033 Rv. Volgen eigen zeggen van [Naam rechter] kan (en wil) de rechtbank [Verzoekster] dat recht uiteraard niet afnemen.

4. De beoordeling

Alvorens een wrakingsverzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, dient de wrakingskamer eerst vast te stellen dat het verzoek tijdig is gedaan.

Het verzoek moet volgens de wet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden voor het wrakingsverzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. In casu is het onderwerpelijke tussenvonnis op 9 april 2008 gewezen en is het wrakingsverzoek vervolgens ingediend op 29 april 2008. Daar zitten 20 dagen tussen.

Op de vraag of het verzoek tijdig is gedaan of niet, is noch verzoeker noch de onderwerpelijke rechter ingegaan. Ook de wrakingskamer heeft de vraag over de al of niet ontvankelijkheid, niet ter zitting maar eerst bij de beraadslaging achteraf, aan de orde gesteld.

Hoewel de hoofdregel in het procesrecht dat de toetsing naar de ontvankelijkheid vooraf gaat aan de inhoudelijke beoordeling van een geschil ook geldt in wrakingsprocedures, zal de wrakingskamer - nu noch partijen noch zijzelf de ontvankelijkheid aan de orde heeft gesteld - om proceseconomische redenen in deze zaak inhoudelijk beslissen.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hen - onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM toekomende - recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen. Gelet op het bepaalde in artikel 36 Rv is wraking mogelijk op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Van dergelijke feiten en omstandigheden kan in de eerste plaats sprake zijn door de subjectieve instelling van de rechter ten opzichte van een partij, partijen dan wel het voorliggende geschil. Wraking is voorts mogelijk als feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling van de rechter, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is, in welk kader van belang is dat ook de schijn van partijdigheid wordt vermeden.

Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking van de rechter dient voorop te staan dat deze uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij enige vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De door [Verzoekster] aangevoerde feiten en omstandigheden waarop zij het verzoek tot wraking heef gegrond hebben betrekking op een, naar haar oordeel, onjuiste interpretatie c.q. toepassing van de toepasselijke Statuten en de wet. Het nemen van een onjuiste beslissing c.q. schending van het recht staat echter niet gelijk aan partijdigheid.

Uit de hierboven weergegeven schriftelijke reactie van [Naam rechter] blijkt voorts dat het vonnis volgens zijn eigen zeggen niet uitgelegd dient te worden op de wijze zoals dit door [Verzoekster] wordt geïnterpreteerd. [Naam rechter] heeft aangegeven dat hij met de door [Verzoekster] aangehaalde overweging 3.3.4 niet bedoeling voor ogen heeft gehad dat tussen partijen enige nadere overeenkomst of afspraak gemaakt dient te worden. Voorts wordt door hem ook aangegeven dat hij de mogelijkheid tot wraking van de arbiters niet heeft willen uitsluiten en dat op grond van het stelsel van de wet dat recht ook niet kan worden uitgesloten.

Gelet op het stelsel van de wet is naar het oordeel van rechtbank ook geen andere uitleg van de beslissing mogelijk dan de hierboven weergegeven uitleg van [Naam rechter].

In het tussenvonnis is [Verzoekster] in de gelegenheid gesteld om bij akte haar standpunt ten aanzien van de door [Naam rechter] aangegeven mogelijkheden kenbaar te maken. In dat kader kan zij haar in het verzoekschrift weergegeven bezwaren uiten. Daarbij kan zij [Naam rechter] houden aan de door hem in het onderhavige verband gegeven uitleg omtrent de bedoeling van zijn vonnis.

Voor zover [Verzoekster] verzoek tot wraking is ingegeven door de vrees dat het [Naam rechter] - in subjectieve zin - aan onpartijdigheid ontbreekt, luidt het oordeel van de rechtbank dan ook dat feiten en omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren dat [Naam rechter] inderdaad jegens [Verzoekster] enige vooringenomenheid koestert haar niet zijn gebleken.

Evenmin zijn de rechtbank feiten en omstandigheden gebleken die kunnen leiden tot het oordeel dat de vrees voor enige vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

Gelet op bovenstaande dient het verzoek tot wraking van [Naam rechter] te worden afgewezen.

5. De beslissing

Wijst af het verzoek tot wraking van [Naam rechter].

Aldus gewezen op 12 juni 2008 door mrs. P. Hoekstra, J.N.F. Sleddens en F.A.G.M. Vluggen, rechters, in bijzijn van de griffier mr. E.G.F. van de Sande.