Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD3292

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 2107 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag ‘op andere gronden’ wegens verstoorde arbeidsverhouding onder toekenning van een ontslagvergoeding. Rechtbank oordeelt dat ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen een terugkeer onmogelijk maakten. Beroep tegen toegekende ontslagregeling gegrond nu deze verstoring in ernstige mate aan verweerder valt toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 2107 AW GIF

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser]

wonende te Brunssum, eiser,

tegen

Centraal Bureau voor de Statistiek (de Directeur-Generaal van de Statistiek),

gevestigd te Voorburg, verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 oktober 2007

Kenmerk: P01809-07-CPO

Behandeling ter zitting: 16 april 2008

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond verklaard en het ontslag gehandhaafd onder wijziging van de ontslaggrond en met toekenning van een (garantie op een) ontslagvergoeding.

Tegen dit besluit is namens eiser op 28 november 2007 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn aan eisers gemachtigde gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 april 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. C. de Blaey, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. van Vliet, mr. G.L. Galis-Ong en drs. J.M.F. Thomas.

2. Overwegingen

Eiser was sinds 1984 in dienst van verweerder, laatstelijk in de functie van senior beleidsmedewerker.

Bij brief van 22 mei 2006 is aan eiser meegedeeld het voornemen tot ontslagverlening met ingang van 1 augustus 2006 op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Hiertegen zijn namens eiser schriftelijke bedenkingen ingediend.

Bij primair besluit van 21 november 2006 is aan eiser met ingang van 15 januari 2007 eervol ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, van het ARAR.

Tegen dit besluit is op 21 december 2006 bezwaar gemaakt.

Eiser is, in aanwezigheid van zijn raadsman, op 23 april 2007 op het bezwaar gehoord door de Commissie advisering bezwaarschriften personeelsleden CBS (hierna: de bezwarencommissie). Op 15 mei 2007 heeft de bezwarencommissie geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren onder herroeping van het besluit. De bezwarencommissie heeft verweerder in overweging gegeven een ontslag te baseren op artikel 99 van het ARAR.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 23 oktober 2007 het advies van de bezwarencommissie gevolgd en het bezwaar van eiser tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond verklaard. Hierbij is de ontslaggrond gewijzigd van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, in een ontslag op andere gronden ex artikel 99, eerste lid, van het ARAR.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een dermate verstoorde arbeidsverhouding met eisers leidinggevende dat geen uitzicht meer bestaat op herstel van een vruchtbare samenwerking. Verweerder vindt hiervoor steun in de adviezen van de psycholoog en de bedrijfsarts.

Verweerder acht eiser in overwegende mate verantwoordelijk voor het ontstaan en voortbestaan van de omstandigheden die tot beëindiging van het dienstverband hebben geleid. Omdat naast eiser ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) een aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhoudingen wordt aan eiser een garantie op een ontslagvergoeding toegekend ex artikel 99, tweede lid, ARAR met een aanvullende vergoeding van € 40.000,-- bruto.

Eiser is het ook met dit besluit niet eens en heeft hiertegen beroep doen instellen bij de rechtbank.

Tegen het ontslag is een aantal argumenten aangevoerd die er in het kort op neer komen dat bestreden wordt dat eiser niet constructief zou reageren op kritiek, dat eiser opdrachten van de bedrijfsarts en/of de werkgever zou hebben geweigerd, dat de psycholoog op basis van vaststaande of behoorlijk vastgestelde feiten tot de conclusie kon komen dat eiser een uitputtingsdepressie had, dat eiser een negatieve en niet coöperatieve houding zou hebben getoond ten aanzien van zijn re-integratie, dat er niet overbrugbare tegenstellingen waren tussen eiser en diens (ex )leidinggevenden en dat verweerder ook maar een enkele poging zou hebben gedaan tot plaatsing of herplaatsing.

Subsidiair is tegen de hoogte van de eenmalige vergoeding van € 40.000,-- ingebracht dat niet gezegd kan worden dat eiser in overwegende mate verantwoordelijk is voor het ontstaan en voortbestaan van de omstandigheden die tot beëindiging van het dienstverband hebben geleid. Eiser leidt een inkomensverlies van 30%, de pensioenopbouw stopt (nagenoeg) geheel en zijn kansen op de arbeidsmarkt zijn gezien zijn leeftijd van 51 jaar gering. Eiser zoekt aansluiting bij de kantonrechterformule met een zogeheten C-factor 1,5.

Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Subsidiair wordt verzocht een vernietiging van het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de eenmalige vergoeding van € 40.000,-- bruto onder vaststelling van die vergoeding op € 146.348,12 bruto dan wel een ander bedrag, hoger dan € 40.000,--. Eiser verzoekt tenslotte verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank heeft in dit beroep te oordelen of verweerder bevoegd was tot het verlenen van ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR, en zo ja, of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Voorts dient te worden beoordeeld of toekenning van een garantie op een ontslagvergoeding met een aanvullende vergoeding van € 40.000,-- bruto redelijk is.

Over de ontslagverlening overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat het ontslag niet (meer) is gebaseerd op ongeschiktheid voor het werk. Verweerder heeft deze grondslag van het ontslag naar aanleiding van het advies gewijzigd. Het betreft een volledige heroverweging na bezwaar overeenkomstig artikel 7:11 van de Awb. De rechtbank ziet geen (wettelijke) grond om eiser te volgen in zijn standpunt dat een dergelijke heroverweging niet is toegestaan.

In artikel 99, eerste lid, ARAR is bepaald dat aan de ambtenaar in vaste dienst ook op andere gronden dan die in artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag kan worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.

De bezwarencommissie heeft geconcludeerd dat de opvattingen van de verschillende leidinggevenden over het functioneren van eiser tot een zo verstoorde arbeidsverhouding hebben geleid, dat de tegenstellingen onoverbrugbaar zijn geworden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat verweerder, ondanks het naar behoren functioneren van eiser in het verleden, niet bereid is tot plaatsing op een andere afdeling en doordat eiser afhoudend en defensief reageert op iedere vorm van kritiek van verweerder.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank voldoende steun voor dit oordeel van de bezwarencommissie en neemt dit oordeel over. De rechtbank concludeert dat er voornamelijk op het vlak van de intermenselijke en collegiale verhoudingen zodanige problemen waren met eiser, dat gezegd kan worden dat de arbeidsverhoudingen ernstig zijn verstoord. Deze verstoring is zodanig dat een terugkeer van eiser bij het CBS niet mogelijk is. Bij zijn oordeel heeft de rechtbank betrokken dat door eiser de conclusies van de bedrijfsarts en van de psycholoog, waaruit mag worden afgeleid dat een terugkeer van eiser bij het CBS niet mogelijk is, niet (medisch) gefundeerd zijn weersproken.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat sprake was van ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen waarbij verweerder bevoegd was tot het geven van een ontslag met toepassing van het bepaalde in artikel 99, eerste lid, ARAR. Van de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen

Over de ontslaguitkering overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 99, tweede lid, van het ARAR is bepaald dat in geval van ontslag volgens het eerste lid door het bevoegde gezag een voorziening wordt getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (hierna: WW) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW.

Verweerder heeft aan eiser een garantie op een ontslagvergoeding ex artikel 99, tweede lid, van het ARAR toegekend. Dit houdt in dat de (WW en bovenwettelijke) uitkering ter hoogte van 70% van het laatstgenoten inkomen is gegarandeerd tot de leeftijd van ongeveer 61 jaar en 9 maanden. Vervolgens wordt nog gedurende één jaar een uitkering ter hoogte van 20% van het laatstgenoten inkomen gegarandeerd.

Daarboven is een aanvullende vergoeding van € 40.000,-- bruto toegekend. Verweerder acht dit bedrag voldoende, gelet op de afwijzing door eiser van een door het CBS aangeboden outplacementtraject en gelet op eisers kennis en ervaring, waarbij de kans op het niet kunnen vinden van een andere baan klein moet worden geacht.

Anders dan verweerder betoogt is de rechtbank van oordeel dat, om redenen door de bezwarencommissie genoemd, het verstoord zijn van de arbeidsverhouding in overwegende mate valt toe te rekenen aan verweerder. De aan eiser toegekende uitkering doet hieraan onvoldoende recht. Daarbij wordt overwogen dat de inkomensdaling die optreedt na het bereiken van de leeftijd van (ongeveer) 61 jaar en 9 maanden disproportioneel en niet redelijk wordt geacht. Daarbij komt tevens de omstandigheid dat de pensioenopbouw van eiser met ingang van de ontslagdatum is gestopt. Dit leidt ertoe dat het beroep wegens het niet verlenen van een redelijke vergoeding als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR gegrond moet worden geacht. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Ten behoeve van een door verweerder nieuw te nemen besluit merkt de rechtbank op voorhand op dat een aanvulling van de nu geboden voorziening met een gegarandeerde uitkering tot de pensioendatum van eiser ter hoogte van 70% van het geïndexeerde laatstgenoten salaris haar als redelijk voorkomt.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op zeer zwaar (wegingsfactor 2). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 2 = € 1.288,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiser wegens zijn verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 14,44 zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een ontslagvergoeding als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR is toegekend;

2.draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3.bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 wordt vergoed door het Centraal Bureau voor de Statistiek;

4.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 1.302,44 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 1.288,00), te vergoeden door het Centraal Bureau voor de Statistiek aan eiser.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, voorzitter, en mr. J.N.F. Sleddens en mr. M. Hillen, leden, in tegenwoordigheid van drs. F.A.W. van Gils als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2008.

w.g. F.A.W. van Gils w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 29 mei 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, ook de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.