Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD3166

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
03-995006-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig verkregen belastingvoordeel door onjuiste aangifte. Dit voordeel is door verdachte terugbetaald, doch slechts gedeeltelijk.

Verdachte heeft leveranciers schade toegebracht door bestellingen te plaatsen en deze te annuleren nadat de leveranciers reeds kosten hadden gemaakt. Door zodanig te handelen heeft hij tevens het vertrouwen van het handelsverkeer geschonden. Dit alles gedurende een ruime periode.

Wegens geringe overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen berechting dient plaats te vinden, wordt volstaan met een iets geringere straf dan zonder deze overschrijding zou zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/995006-06

Datum uitspraak: 28 maart 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2008 bij verstek gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

verblijvende te [Verblijfadres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijstip in de maand januari 2006, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 31 maart 2005 tot en met 1 februari 2006 te Nuth, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het bewaren van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers (eenmanszaak [Naam eenmanszaak]), opzettelijk deze niet heeft bewaard, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, door die (bedrijfs)administratie in brand te steken, althans te vernietigen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 oktober 2002 tot en met 30 september 2005 te Heerlen en/of Maastricht en/of Nuth, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) op naam van [Naam eigenaar eenmanszaak]/[Naam eenmanszaak] gestelde aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de hieronder genoemde tijdvak(ken) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan danwel heeft laten

doen, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Heerlen ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over:

-het vierde kwartaal 2002 (document 11) euro 8488 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 1547,43, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het tweede kwartaal 2003 (document 13) euro 3890 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 1534,43, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het derde kwartaal 2003 (document 14) euro 28121 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 1711, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het eerste kwartaal 2004 (document 16) euro 34214 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 8089, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het tweede kwartaal 2004 (document 20) euro 27970 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 51709, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het derde kwartaal 2004 (document 22) euro 37862 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 5214,71, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het vierde kwartaal 2004 (document 23/2) euro 32860 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 8033,65, in ieder geval een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het eerste kwartaal 2005 (geprint-document 25) euro 39526 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het tweede kwartaal 2005 (geprint-document 26) euro 41983 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid een lager bedrag, diende te zijn en/of

-het derde kwartaal 2005 (geprint-document 27) euro 37654 aan (terug te vragen) voorbelasting vermeld of laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid een lager bedrag, diende te zijn,

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Verbeterde schrijffout

Tengevolge van een kennelijke schrijffout staat in de dagvaarding:

- in regel 1 van het onder 1 ten laste gelegde vermeld “tijstip” in plaats van “tijdstip”, en

- in regel 25 van het onder 2 ten laste gelegde vermeld “51709” in plaats van “5170”.

De rechtbank herstelt deze fouten, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 31 maart 2005 tot en met 1 februari 2006 te Nuth, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het bewaren van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers (eenmanszaak [Naam eenmanszaak]), opzettelijk deze niet heeft bewaard, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, door die (bedrijfs)administratie in brand te steken;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 27 januari 2003 tot en met 30 september 2005 te Nuth opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten op naam van [Naam eigenaar eenmanszaak]/[Naam eenmanszaak] gestelde aangiften voor de omzetbelasting over de hieronder genoemde tijdvakken onjuist heeft gedaan danwel heeft laten doen, immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Heerlen ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over:

-het vierde kwartaal 2002 euro 8488 aan voorbelasting laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 1547,43 diende te zijn en

-het tweede kwartaal 2003 euro 3890 aan voorbelasting laten vermelden, terwijl dit in werkelijkheid euro 1534,43 diende te zijn en

-het derde kwartaal 2003 euro 28121 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid euro 1711 diende te zijn en

-het eerste kwartaal 2004 euro 34214 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid euro 8089 diende te zijn en

-het tweede kwartaal 2004 euro 27970 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid euro 5170 diende te zijn en

-het derde kwartaal 2004 euro 37862 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid euro 5214,71 diende te zijn en

-het vierde kwartaal 2004 euro 32860 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid euro 8033,65 diende te zijn en

-het eerste kwartaal 2005 euro 39526 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid een lager bedrag diende te zijn en

-het tweede kwartaal 2005 euro 41983 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid een lager bedrag diende te zijn en

-het derde kwartaal 2005 euro 37654 aan voorbelasting vermeld, terwijl dit in werkelijkheid een lager bedrag diende te zijn,

terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

t.a.v. feit 1:

Ingevolge de belastingwet verplicht zijn tot het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, en deze niet bewaren, opzettelijk begaan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

t.a.v. feit 2:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot:

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 220 uren, alsmede

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De officier heeft hierbij in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte 25 maanden onder de dreiging van een strafvervolging heeft geleefd, als gevolg waarvan de redelijke termijn met één maand overschreden is.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een straf als door de officier van justitie gevorderd, omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten alsmede het belang van een juiste normhandhaving onvoldoende tot uitdrukking komt.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank ten nadele van de verdachte met de navolgende feiten en omstandigheden rekening gehouden.

De verdachte heeft zich ten koste van de staat en van verschillende leveranciers onrechtmatig bevoordeeld, om, zoals hij zelf stelt, er goed van te leven.

Volgens mededeling van de officier van justitie heeft de verdachte onder druk van executiemaatregelen een deel van het onrechtmatig verkregen belastingvoordeel terugbetaald, doch staat er nog steeds een groot bedrag open, zonder dat er een concreet vooruitzicht op terugbetaling van dit (restant)bedrag bestaat.

De verdachte heeft de leveranciers schade toegebracht, doordat hij eerst bij hen soms veelal dure machines bestelde en vervolgens, nadat de leveranciers al kosten hadden gemaakt, de bestelling annuleerde. Daarmee heeft de verdachte de leveranciers financieel nadeel berokkend, ook al heeft de vader van de verdachte die schade deels vergoed. Nog afgezien van het financieel nadeel, heeft hij met zijn handelen het vertrouwen van het handelsverkeer geschonden.

Daarbij komt dat het handelen van de verdachte zich heeft uitgestrekt over een langere periode, waarbij de omvang van de fraude en het gemak waarmee verdachte die pleegde, steeds meer toenam.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er voorts ten bezware van de verdachte rekening mee gehouden dat aannemelijk is dat de verdachte zich eveneens heeft schuldig gemaakt aan het hierna te noemen feit, welk feit verdachte tijdens het vooronderzoek tegenover opsporingsambtenaren heeft erkend te hebben begaan, vervat in het dossier met onderhavig parketnummer, ter zake waarvan bij het uitbrengen van de dagvaarding aan de verdachte is medegedeeld dat dit feit door het openbaar ministerie ter terechtzitting met dit doel ter kennis van de rechter zal worden gebracht en ter zake waarvan de verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd, te weten:

- op 26 september 2005 te Nuth, gemeente Nuth, het vervalsen van een factuur van [A.].

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte met de navolgende feiten en omstandigheden rekening gehouden.

De verdachte heeft aanspraak op berechting binnen een redelijke termijn. Die termijn vangt aan op het moment dat het Openbaar Ministerie jegens de verdachte een handeling verricht waaruit deze (redelijkerwijs) de verwachting kan ontlenen dat jegens hem een strafvervolging wordt ingesteld. Die termijn wordt in het algemeen gesteld op 24 maanden. In dit geval wordt het beginpunt bepaald op 8 februari 2006. Dat is de datum waarop de verdachte werd medegedeeld dat hij verdacht werd van - kort samengevat - belastingfraude van ernstige aard en waarop de verdachte heeft medegedeeld dat de tegen hem gerezen verdenkingen terecht zijn. Aan deze omstandigheden heeft de verdachte de redelijke verwachting kunnen ontlenen dat hij voor deze ernstige belastingfraude vervolgd zou worden. De terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2008. Er is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Die overschrijding is echter dermate gering, dat de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel is, dat volstaan kan worden met een iets geringere straf dan wanneer die termijn niet overschreden zou zijn.

Ten voordele van de verdachte heeft de rechtbank er tevens rekening mee gehouden dat de verdachte ter zake van soortgelijke feiten nog niet eerder is veroordeeld.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank voor wat betreft feit 2 bovendien rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte:

- bij vonnis van de kantonrechter te Sittard d.d. 5 april 2005, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/501343-04 alsmede

- bij vonnis van de kantonrechter te Heerlen d.d. 25 oktober 2005, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/470145-05,

telkens is veroordeeld tot straf en dat verdachte nu opnieuw is schuldig verklaard aan strafbare feiten die voor die data zijn gepleegd.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de met toepassing van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 (oud) en 69 (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

- beveelt, dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- factuur 4100327 d.d. 30-03-2004,

- creditnota 4100740 d.d. 100804,

- koopovereenkomst februari 2004 en

- correspondentie, 1 bladzijde,

aan "[WC B.V.]", gevestigd te [Adres WC B.V.];

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- contract d.d. 21-02-2003, ordernummer 188/003580,

- inkoopverklaring t.b.v. de BTW van een LKW Volkswagen ten name van

[Naam eigenaar eenmanszaak] d.d. 21-02-2003,

- factuur d.d. 08-04-2003 met factuurnummer 188/0025420 en

- "vervallen" factuur d.d. 23-10-2003 met factuurnummer 188/0025420,

aan "[WH B.V.]", gevestigd te [Adres WH B.V.];

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- orderbevestiging d.d. 12-05-2004 en ordernummer 24246,

- autofactuur met factuurnummer 21695 en factuurdatum 24-09-'04 en

- credit-autofactuur met factuurnummer 21792 en factuurdatum 04-11-'04,

aan "[VAK B.V.]", gevestigd te [Adres VAK B.V.];

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- factuur 2004/429 en

- factuur 2004/469,

aan "[ESS B.V.]", gevestigd te [Adres ESS B.V.];

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- factuur d.d. 31-03-2004,

- creditfactuur d.d. 04-11-2004,

- order met ordernummer 13273,

- twee brieven d.d. 31-03-2004 en 09-04-2004 en

- omschrijving ordernummer 13273, 4 pagina's,

aan "[HD B.V.]", gevestigd te [Adres HD B.V.];

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- factuur d.d. 28-12-2004,

- factuur d.d. 02-11-2005,

- factuur d.d. 27-09-2004 en

- creditfactuur d.d. 27-09-2004,

aan "[AN B.V.]", gevestigd te [Adres AN B.V.], Onderwaard 11;

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- factuur met het factuurnummer 824135 d.d. 13-03-2002 t.n.v. [Naam eigenaar eenmanszaak],

- factuur met het factuurnummer V1102302 d.d. 19-11-2002 t.n.v. [Naam eigenaar eenmanszaak],

- kopie creditnota met het factuurnummer C1101145 d.d. 02-05-2003 t.n.v.

[Naam eigenaar eenmanszaak],

- order met het ordernummer 27612 en

- order met het ordernummer 27617

aan "[K N.V.]", gevestigd te [Adres K N.V.];

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- fax van factuur EM 09904855 d.d. 30-09-2003 en

- fax van factuur EM 09904935 d.d. 30-10-2003

aan "[PE B.V.]" (voorheen “[G.]”), gevestigd te [Adres PE B.V.].

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. M. Senden en

mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 28 maart 2008, zijnde mr. I.P. de Groot buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.