Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD2874

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
121585 / FA RK 07-970
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253t BW tweede lid ziet op de situatie dat het kind in een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder staat die nog in leven is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 27 mei 2008

Zaaknummer: 121585 / FA RK 07-970

De enkel¬voudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake het verzoek van:

[Naam verzoeker1] en [Naam verzoeker2],

verder te noemen: de vrouw cq de moeder en de man,

beiden wonende te [Woonadres verzoekers],

procureur mr. W.A.M. Maatman-Abarbanel,

betreffende de minderjarigen:

[DK], [Geboortegegevens DK]

[FK], [Geboortegegevens FK]

1. Verloop van de procedure

Verzoekers hebben op 25 juli 2007 een verzoekschrift tot gezamenlijk gezag, alsmede tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen ingediend.

Verzoekers hebben bij brief van hun procureur d.d. 24 september 2007 brieven van de minderjarige kinderen overgelegd, waarin zij hun mening kenbaar hebben gemaakt.

Verzoekers hebben aangegeven een mondelinge behandeling niet nodig te vinden.

Door de griffie van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, hierna te noemen: de Raad, per brief van 25 september 2007 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verzoekers, onder mededeling dat indien de rechtbank geen reactie van de Raad mocht ontvangen, op de zaak mogelijk zonder mondelinge behandeling zal worden beslist. Van die gelegenheid heeft de Raad geen gebruik gemaakt.

2. De feiten

De vrouw is gehuwd geweest met [K.].

Uit het huwelijk tussen de vrouw en [K.] zijn geboren de hierboven genoemde minderjarige kinderen.

Op 1 oktober 1998 is door de rechtbank Maastricht de echtscheiding uitgesproken tussen de vrouw en [K.] voornoemd. Naar mededeling van verzoekers is de echtscheidingsbeschikking op 20 oktober 1998 ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand.

De vrouw en de man zijn op 2 september 2004 met elkaar gehuwd.

[K.] voornoemd is op [Datum overlijden K.] overleden.

Uit het overgelegde uittreksel uit het gezagsregister van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2007 blijkt dat de minderjarigen daarin niet voorkomen.

3. Het verzoek

De vrouw en de man hebben bij het verzoekschrift verzocht om hen gezamenlijk te belasten met het gezag over voornoemde minderjarigen en tevens om de geslachtsnaam van de minderjarigen te wijzigen in: [S.].

Zij hebben in hun verzoekschrift gesteld dat zij op 2 september 2004 zijn gehuwd en dat de minderjarigen voornoemd sindsdien in hun gezin wonen, zij de gezamenlijke zorg over deze kinderen hebben en samen de beslissingen nemen. Daardoor staat de man in nauwe persoonlijke betrekking tot deze kinderen.

Zij achten het uitoefenen van het gezag door hen tezamen in het belang van deze kinderen.

Voorts achten zij het in het belang van de kinderen dat zij de geslachtsnaam van hun moeder krijgen.

4. Beoordeling

4.1.1

Op 1 januari 1998 is in werking getreden de wet van 30 oktober 1997, Stb. 1997, 506.

Daarbij werd gewijzigd artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, waarin onder meer onder lid 2 wordt bepaald dat na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed de ouders die gezamenlijk gezag hebben, dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen, tenzij de rechter op verzoek van de ouders, of een van hen in het belang van het kind bepaalt dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.

4.1.2

Gelet op de ingangsdatum van deze wet en het feit dat de minderjarigen niet voorkomen in het gezagsregister hebben de ouders van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen na echtscheiding behouden.

4.1.3

De moeder van de minderjarigen, [Naam verzoeker1] voornoemd, is sedert het overlijden van de vader van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast.

4.2.1

Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:253t BW. Aan het vereiste dat de man in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen moet staan wordt voldaan, nu hij als stiefvader de kinderen in ieder geval vanaf september 2004 in zijn gezin samen met de moeder verzorgt en opvoedt.

4.2.2

Blijkens het bepaalde in lid 2 van dit artikel voor zover thans van belang wordt het verzoek, in het geval de kinderen tevens in familierechtelijke betrekking staan tot een andere ouder, slechts toegewezen indien moeder op de dag van indiening van het verzoek gedurende tenminste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

4.2.3

Moeder heeft pas vanaf het overlijden van vader in april 2007 alleen het gezag, derhalve nog geen drie jaar.

4.2.4

Voor de vraag of in deze zaak het verzoek kan worden toegewezen is naar het oordeel van de rechtbank beslissend het antwoord op de vraag hoe in dit artikel moet worden uitgelegd de zinsnede: staat het kind tevens in familierechtelijke betrekking tot een andere ouder. Wordt hiermee bedoeld niet alleen een nog levende, maar ook een overleden ouder?

4.3.1

Artikel 1:253t BW is ingevoerd bij de reeds genoemde Wet van 30 oktober 1997.

Blijkens de wetsgeschiedenis is de termijn van drie jaar van het begin af aan in het wetsvoorstel opgenomen.

4.3.2

In de nota van wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 23714 nr. 7) van het wetsontwerp wordt op pagina 6 vermeld: “De voorwaarde dat de ouder het gezag gedurende drie jaren alleen moet hebben gehad, indien er ook een andere ouder in het spel is, is ongewijzigd gehandhaafd. Na die termijn is het aannemelijk dat de situatie van gezagsuitoefening door beide ouders niet meer erg voor de hand ligt. Verder wordt voorkomen dat het instrument van gezamenlijk gezag van een ouder en een derde al te lichtvaardig na het uiteengaan van de ouders wordt gebruikt.”

4.3.3

Verder staat in de Nota naar aanleiding van het nader verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, nr. 11, op pagina 7 vermeld:

“De in het tweede lid van artikel 253t genoemde termijn van drie jaar alleen het gezag uitgeoefend hebben tracht de voorwaarde van bestendigheid van de situatie van gezagsuitoefening door een ouder alleen tot uitdrukking te brengen, indien er ook een andere ouder is.”

4.3.4

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hier aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis dat het tweede lid van artikel 1:253t BW ziet op de situatie dat het kind in een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder staat die nog in leven is. Immers alleen dan bestaat de mogelijkheid dat de ouders alsnog weer gezamenlijk het gezag verkrijgen en de situatie van de gezagsuitoefening door een ouder in dat geval niet bestendig blijkt te zijn. Alleen in dat geval dient de (rechtspositie van de) andere ouder beschermd te worden. Ingeval een ouder alleen het gezag verkrijgt tengevolge van het overlijden van de andere ouder is dat een onomkeerbare situatie. De (rechtspositie van de) andere ouder behoeft niet meer beschermd te worden.

4.4

Nu de andere ouder is overleden is naar het oordeel van de rechtbank in casu het tweede lid van artikel 1:253tBW niet van toepassing. Voorts bestaat er geen gegronde vrees dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de man en de vrouw om hen gezamenlijk te belasten met het gezag over de kinderen toewijzen, wat ook de wens van de kinderen zelf is zoals uit hun brieven blijkt.

4.5

De minderjarigen hebben schriftelijk kenbaar gemaakt voortaan de geslachtsnaam van hun moeder te willen hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook dit verzoek van de vrouw en de man worden toegewezen nu het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.

De rechtbank zal ambtshalve last geven aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand om de geslachtsnaamwijziging als latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakten van de beide minderjarigen.

5. Beslissing

De rechtbank:

Bepaalt dat [Naam verzoeker1] en [Naam verzoeker2] gezamenlijk gezag hebben over:

[DK], geboren [Geboortegegevens DK],

[FK], geboren [Geboortegegevens FK].

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijzigt de geslachtsnaam van de minderjarigen [DK] en [FK] voornoemd in: [S.].

Geeft last aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand om de geslachtsnaamwijziging als latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakten van de beide minderjarigen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Hazen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uit¬ge¬sproken op 27 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

MD

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van en procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.