Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD2872

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
113371 / S RK 06-1006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank zal de door de vader verzochte omgang op de door hem aangegeven wijze, namelijk zonder opbouw en zonder begeleiding, in het belang van de kinderen afwijzen.

De rechtbank ziet in de houding van de vader geen aanleiding om het aan de vader als gezag hebbend ouder wettelijk toekomende recht op omgang te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 14 mei 2008

Zaaknummer: 113371 / S RK 06-1006

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[Naam verzoeker],

verzoekster, verder te noemen: de vrouw,

wonende te Kerkrade,

procureur mr. G. Nymeijer,

en:

[Naam verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de man,

wonende te Kerkrade,

procureur mr. J.P. Geertsema.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank tussen partijen gegeven en op 3 oktober 2007 uitgesproken beschikking.

1. Verder verloop van de procedure

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de beslissing over de omgang aangehouden

in afwachting van in afwachting van het uit te brengen rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Op 17 december 2007 is een op 13 december 2007 uitgebracht rapport van de raad ontvangen.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 20 april 2007.

2. Verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

De rechtbank dient nog te beslissen over de door de man verzochte omgangsregeling met de minderjarige kinderen van partijen [J.] en [D.].

De vrouw heeft gesteld dat zij op zich niet tegen omgang is tussen de man en de kinderen maar dat vanwege de psychische gezondheid van de man en zijn weigering daarvoor in therapie te gaan, omgang thans niet in het belang van de kinderen is.

De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat er geen zorgpunten zijn in de opvoeding en de ontwikkeling van de kinderen. [J.] is loyaal naar beide ouders en wijst de vader niet af. Hij wil op een voorzichtige wijze het contact met de vader aangaan. [D.] wijst contact met de vader stellig af maar is nog te jong om deze afwijzing te kunnen verklaren en de Raad gaat ervan uit dat deze afwijzing doorbroken zou kunnen worden door contact te laten plaatsvinden en omdat de moeder achter omgang tussen de kinderen en de vader staat. De moeder wordt door de Raad ook in staat geacht om beide kinderen in het aangaan van omgang met de vader te stimuleren.

De communicatie tussen de ouders is niet goed. Uit zelfbescherming en vrees dat hij de controle over zijn emoties zou kunnen verliezen, gaat de vader volgens de raad de strijd met moeder uit de weg. De vader geeft te kennen geen enkel overleg met de moeder te willen aangaan. Voor de vader is alleen een zelfstandige omgang met de kinderen bespreekbaar. Alle andere vormen om hiertoe te komen zoals door de Raad begeleide omgang middels observatiecontacten wijst de vader af.

De raad ziet derhalve geen mogelijkheid om omgang tussen de vader en zijn zonen te realiseren en adviseert om geen omgangsregeling vast te leggen.

De vader heeft ter zitting nogmaals verklaard dat hij graag omgang wil hebben met beide kinderen. De vader vindt het moeilijk om in overleg te gaan met de moeder. Gelet op een eerdere traumatische ervaring met de raad is hij absoluut niet bereid om het contact bij de raad te laten plaatsvinden. Ook de hulp van een andere professionele hulpverlener accepteert de vader niet. Hij begrijpt dat dit impliceert dat zijn zonen hun vader niet meer zullen zien. Hij legt zich hierbij neer. Hij vindt niet dat hij daar een aandeel in heeft. Volgens de vader worden de kinderen de dupe door de houding van de moeder.

De moeder heeft ter zitting herhaald dat zij niet wil meewerken aan een zelfstandige omgangsregeling zoals de vader wil. De vrouw is het vertrouwen in de vader kwijt. Hij heeft zich in het verleden zeer agressief gedragen. Hij heeft geruime tijd medicijnen gebruikt maar verder niets gedaan aan zijn problemen. De vrouw vindt dat eerst iets aan de problematiek van de vader moet worden gedaan. De moeder acht omgang thans niet in het belang van de kinderen tenzij de vader hulp voor zichzelf en begeleiding bij het opstarten van de omgang door een professionele hulpverlener accepteert.

De rechtbank overweegt dat de vader als gezaghebbend ouder recht heeft op omgang met zijn kinderen [J.] en [D.]. Ook de kinderen hebben recht op contact met hun vader. Uit het onderzoek van de raad is niet gebleken dat omgang niet in het belang van de kinderen zou zijn. De kinderen zijn echter nog jong en hebben lange tijd geen omgang met hun vader gehad. Dit betekent dat het opstarten van de omgang geleidelijk dient te geschieden. Hiervoor is gezien de door de raad geschetste problematiek tussen de ouders en die van de vader in het bijzonder professionele hulp en begeleiding nodig. De vader wijst echter iedere hulp door de raad of een professionele derde af en voor hem is alleen zelfstandige omgang direct vanaf de start bespreekbaar. Als dat niet mogelijk is dan wil de vader geen omgang met zijn kinderen. De vader heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aandacht voor de behoefte van deze nog jonge kinderen waarbij vooral het jongste kind [D.] bang is voor de vader en niet zo naar de vader toe wil. Hulp zal daarbij dus zonder enige twijfel nodig zijn.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat, ook al heeft de vader als gezaghebbend ouder recht op omgang en ook al zijn er wat de kinderen betreft geen contra-indicaties, het desondanks niet in het belang van de kinderen is dat de rechtbank een omgangsregeling vaststelt zolang de vader weigert hulp en begeleiding bij het opstarten van de omgang te accepteren.

De rechtbank zal daarom de door de vader verzochte omgang op de door hem aangegeven wijze, namelijk zonder opbouw en zonder begeleiding, in het belang van de kinderen dienen af te wijzen.

De rechtbank ziet in de houding van de vader geen aanleiding om het aan de vader als gezag hebbend ouder wettelijk toekomende recht op omgang te schorsen.

Indien de vader in de toekomst alsnog bereid blijkt om hulp en begeleiding te aanvaarden bij de omgang dan kan de vader de rechtbank wederom verzoeken een omgangsregeling vast te stellen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst af het verzoek van de man tot omgang met zijn minderjarige kinderen [J.] en [D.].

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.A.E. Cornuit, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2008 in tegenwoordigheid van M.M.G. Merckelbagh, griffier.