Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD2241

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
276927 CV EXPL 07-7763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil voortvloeiend uit een beëindigingsovereenkomst, omdat bij de onderhandelingen en totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst niet is gesproken over de vraag of werkneemster tot einde dienstverband al dan niet nog werkzaamheden diende te verrichten. Kantonrechter acht het gelet op de omstandigheden in strijd met regels van goed werkgeverschap om achteraf beroep te doen op artikel 7:627 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0334

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/rolnr.: 276927 CV EXPL 07-7763

Typ.: CJ

Coll.:

Vonnis van de kantonrechter d.d. 23 april 2008

i n z a k e

[eiseres]

[wonende]

gemachtigde mr. B. van Aarle te Heerlen

t e g e n

[gedaagde]

[Kantoorhoudende]

gemachtigde mr. T.G.M. Scheers te Roermond.

1. Het verdere verloop van de procedure

De bij het tussenvonnis van 23 januari 2008 gelaste comparitie van partijen heeft op 31 maart 2008 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Ter voorbereiding op de comparitie heeft [eiseres] een akte van vermindering ingediend, tevens houdende akte overlegging producties.

De inhoud van voormelde stukken geldt als hier ingevoegd.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

2.2 [eiseres] is op 1 februari 2007 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van juridisch secretaresse, voor bepaalde tijd (drie maanden), tegen een salaris van laatstelijk € 1.300,-- bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Tussen partijen zijn onderhandelingen gevoerd over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze onderhandelingen hebben geleid tot overeenstemming over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2007 en betaling van € 1.300,-- plus 8% vakantiegeld aan [eiseres].

2.3 [eiseres] heeft op 22 maart 2007 een verzoek tot ontbinding ingediend bij de kantonrechter. [gedaagde] heeft vervolgens verweer gevoerd. Bij beschikking van 26 maart 2007 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 april 2007, zulks op grond van een verandering in de omstandigheden, hierin bestaande dat er tussen partijen een verschil van inzicht bestaat over de wijze waarop invulling en uitvoering dient te worden gegeven aan de functie, hetgeen voortzetting van het dienstverband onmogelijk maakt. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding. Dit is geschied via een pro forma ontbinding.

2.4 [gedaagde] heeft in maart 2007 het salaris van 10 werkdagen betaald, zijnde de dagen waarop [eiseres] heeft gewerkt (1, 2, 5 tot en met 9, 12, 13 en 14 maart 2007). Nadien heeft [gedaagde] de salarisbetaling gestaakt vanwege het feit dat [eiseres] geen werkzaamheden meer verrichtte.

2.5 Omdat [gedaagde] niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, vordert [eiseres] bij dagvaarding om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.229,41, zijnde € 1.300,00 aan salaris over de maand maart 2007, € 140,00 aan vakantiegeld, € 720,00 aan wettelijke verhoging en € 69,41 aan vervallen wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 december 2007, alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.6 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop in het navolgende zal worden ingegaan.

3. De verdere beoordeling

3.1 De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] genoegzaam heeft voldaan aan haar mededelings- en bewijsaandraagplicht, zoals omschreven in artikel 111 lid 3 Rv. Dit brengt mee, dat het ter zake door [gedaagde] gevoerde verweer geen doel kan treffen.

3.2 Het overige door [gedaagde] gevoerde verweer houdt onder meer in dat [eiseres] geen recht op loondoorbetaling heeft nu zij in de periode waarover zij loondoorbetaling vordert niet gewerkt heeft. Hij beroept zich op artikel 7:627 BW (geen arbeid geen loon). [gedaagde] stelt zich dan ook op het standpunt dat hij volkomen terecht over de maand maart 2007 alleen salaris heeft betaald over de dagen die [eiseres] daadwerkelijk heeft gewerkt.

3.3 Voorts is [gedaagde] dan ook van oordeel dat [eiseres] ten onrechte een volledig maandsalaris vordert, nu [gedaagde] over de maand maart 2007 in ieder geval aan [eiseres] 10 dagen alsmede het vakantiegeld heeft betaald.

3.4 Naar aanleiding van dit verweer heeft [eiseres] haar vordering verminderd tot een bedrag van € 871,91 bruto, zijnde € 709,44 aan resterend salaris over de maand maart 2007, € 56,64 aan vakantiegeld, € 76,61 aan wettelijke verhoging en € 29,22 aan vervallen wettelijke rente.

3.5 Vast staat dat [eiseres] vanaf 15 maart 2007 geen werkzaamheden meer voor [gedaagde] heeft verricht. De vraag die partijen verdeeld houdt is, of in de door partijen overeengekomen deal mede was inbegrepen dat [eiseres] haar werkzaamheden zou verrichten. Bij de beoordeling van deze vraag slaat de kantonrechter mede acht op de door partijen in het geding gebrachte emailcorrespondentie.

3.6 Uit de tussen [gedaagde] en de gemachtigde van [eiseres] gewisselde

emailcorrespondentie blijkt dat [gedaagde] in zijn mail d.d. 20 maart 2007 de deal accepteert. [gedaagde] herhaalt in deze mail dat de deal het volgende inhoudt: ‘doorbetaling salaris, etc. tot ontbindingsdatum 1 april 2007. Dus salaris, etc. tot en met 31 maart 2007. Niets meer en minder.’

3.7 Vervolgens laat [gedaagde] bij mail d.d. 21 maart 2007 Van Aarle weten dat het verzoekschrift in orde is en dat [eiseres] het minimumjeugdloon van € 1.300,-- plus 8% vakantiegeld krijgt. Daarop heeft Van Aarle bij mail d.d. 22 maart 2007 gereageerd dat [eiseres] akkoord is en dat hij thans overgaat tot indiening van het verzoek.

3.8 [gedaagde] stelt dat hij heeft ingestemd met ontbinding per 1 april 2007, evenals met de betaling van het loon tot 1 april 2007. Hij voert verder aan dat tot 1 april 2007 de tussen [gedaagde] en [eiseres] gesloten arbeidsovereenkomst met alle rechten en plichten over en weer onverkort gold. Nu [eiseres] niet uitdrukkelijk heeft bedongen vrijgesteld te willen worden van werkzaamheden tot 1 april, is naar het oordeel van [gedaagde] de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst nog rechtsgeldig en van kracht en had [eiseres] haar werkzaamheden moeten verrichten. Nu [eiseres] dat heeft nagelaten, beroept [gedaagde] zich op geen arbeid geen loon.

3.9 De kantonrechter oordeelt dat bij de uitleg van deze, in de correspondentie tussen partijen vastgelegde, afspraken omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, bepalend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.

3.10 De onderhavige onderhandelingen zijn zowel van de kant van [eiseres] als van de kant van [gedaagde] gevoerd door advocaten.

3.11 In de tussen [gedaagde] en de gemachtigde van [eiseres] gewisselde email-correspondentie wordt met geen woord gerept over het verrichten van werkzaamheden of vrijstelling van werkzaamheden. Op basis van de stukken en hetgeen ter comparitie aan de orde is gekomen, is de kantonrechter van oordeel dat de tussen partijen gesloten deal erop neer komt dat [gedaagde] € 1.300,-- plus 8% vakantiegeld aan [eiseres] zal betalen. De door partijen gesloten deal bevat geen conditie, inhoudende dat [gedaagde] € 1.300,-- plus 8% vakantiegeld aan [eiseres] zal betalen, doch onder de strikte voorwaarde dat [eiseres] haar werkzaamheden tot 1 april 2007 zal verrichten. Evenmin is bepaald dat [eiseres] vrijgesteld zou zijn van het verrichten van werkzaamheden tot 1 april 2007. Het al dan niet verrichten van werkzaamheden was kennelijk geen relevant onderwerp bij de onderhandelingen.

3.12 Gelet op het hiervoor onder rechtsoverweging 3.9 aangegeven criterium is de kantonrechter van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden, - te weten - de door beide partijen gewenste voortijdige ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een onverenigbaar verschil van inzicht over de wijze waarop invulling en uitvoering dient te worden gegeven aan de functie, de per datum van de deal (20 maart 2007) nog slechts zeer korte duur van het resterende dienstverband én het feit dat de vraag of [eiseres] tot de einddatum al dan niet nog werkzaamheden diende te verrichten kennelijk voor beide partijen, dus óók voor [gedaagde], een quantité négligeable vormde, in strijd moet worden geacht met de regels van goed werkgeverschap dat [gedaagde] achteraf een beroep doet op artikel 7:627 BW.

3.13 In de procedure is niet komen vast te staan of [eiseres] ziek was. Uit de gang van zaken kan slechts worden afgeleid dat dit onderwerp door partijen evenmin (nog) van belang werd geacht, immers achterhaald was door de tot stand gekomen regeling. Nu [gedaagde] bij de deal blijkens de emailcorrespondentie is uitgegaan van het (volledige) minimumjeugdloon van € 1.300,--, zal de kantonrechter 100% van het gevorderde restantsalaris toewijzen.

3.14 De verminderde vordering zal dan ook worden toegewezen. [eiseres] vordert wettelijke rente over de vervallen wettelijke rente. Deze vordering zal worden afgewezen nu rente op rente van rechtswege verschuldigd is, zij het met de beperking dat alleen over achterstallige rente die over een vol jaar verschuldigd is, opnieuw rente in rekening wordt gebracht.

3.15 [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De uitspraak

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen de som van € 871,91 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over € 842,69 vanaf 4 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van [eiseres] gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 435,31, waarin begrepen € 151,00 vastrecht, € 84,31 explootkosten en

€ 200,00 salaris gemachtigde.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.M.A.F. Coenegracht, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.