Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD1774

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
03/700515-07, 03/ 550327-06 (vtvv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot doodslag en diefstal door twee of meer verenigde personen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van zeven maanden en legt aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op (PIJ).

Ten aanzien van de poging doodslag overweegt de rechtbank dat de verdachte zich tenminste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij, door het slachtoffer te steken met het mes, door zijn handelen hem zou doden en heeft hij die kans bovendien op de koop toe genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700515-07, 03/ 550327-06 (vtvv)

Datum uitspraak: 17 maart 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte]

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in Het Keerpunt Opvang- en Behandelcentrum te Cadier en Keer.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 augustus 2007, te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van die [naam slachtoffer ] heeft gericht en/of (vervolgens)

- meerdere keren althans een keer die [naam slachtoffer ] met dit mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik althans in zijn lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2007, te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, aan een persoon genaamd naam slachtoffer ], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de buikstreek en/of een leverperforatie), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere keren althans een keer met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (in de buikstreek) te steken;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2007, te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer ], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere keren althans een keer die [naam slachtoffer ] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (in de buikstreek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2007, in de gemeente Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit kelderbox heeft weggenomen meerdere althans een flacon(s) (met glassex en/of Woollite)en/of een paar laarzen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[naam medeverdachten 1 en/of 2] op of omstreeks 28 juli 2007, te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kelderbox heeft/hebben weggenomen meerdere althans een flacon(s) (met glassex en/of Woollite) en/of een paar laarzen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam medeverdachten 1 en/of 2] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [naam medeverdachten 1 en/of 2] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan teneinde die [naam medeverdachten 1 en/of 2] bij onraad te waarschuwen;

3.

hij in de periode 29 juni 2007 tot en met 1 juli 2007, te Geleen althans gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)loods heeft weggenomen 200 meter koper(kabel) althans een hoeveelheid koper(kabel), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Internationaal Transportbedrijf Langen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 18 augustus 2007, te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet

- een mes in de richting van die [naam slachtoffer ] heeft gericht en vervolgens

- een keer die [naam slachtoffer ] met dit mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode 29 juni 2007 tot en met 1 juli 2007 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfsloods heeft weggenomen een hoeveelheid koperkabel, toebehorende aan Internationaal Transportbedrijf Langen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bijzondere overweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde

De raadsvrouwe heeft gesteld dat verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer te steken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard het slachtoffer wel te hebben geraakt, maar niet krachtig. Blijkens de geneeskundige verklaring was er gering bloedverlies. Het enkele steken met een mes levert niet per definitie altijd de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden.

De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte in voorwaardelijk zin gericht was op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan dan dat degene die die handelingen verricht de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans aanmerkelijk is dat een messteek (met een mes waarvan het lemmet circa 9 centimeter lang is) in de rechterbovenbuik, zodanig is dat daarbij vitale organen zoals onder meer de lever kunnen worden geraakt (het slachtoffer is in onderhavige zaak ook bij de lever geraakt) en dat fors bloedverlies kan optreden, zodanig dat dit zonder medisch ingrijpen de dood tot gevolg kan hebben. Onder deze omstandigheden heeft verdachte zich tenminste willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij, door het slachtoffer te steken met het mes, door zijn handelen hem zou doden en die kans bovendien op de koop toe genomen.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair:

poging tot doodslag.

Feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. M.J.G.M. Wetsteyn, psycholoog, en mevrouw G.C.G.M. Broekman, psychiater, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater een rapport, gedateerd 24 september 2007, 17 januari 2008 (psycholoog) en 18 januari 2008 (psychiater), opgemaakt, welk rapporten vermelden -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met deze in de rapporten gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregelen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en 3 zal worden veroordeeld tot zeven maanden onvoorwaardelijke jeugddetentie en zal worden geplaatst in een inrichting voor jeugdigen.

De raadsvrouwe heeft gepleit voor vrijspraak van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde en heeft medegedeeld zich te refereren ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat zij voor wat betreft het onder 3 tenlastegelegde feite geen braak/verbreking bewezen acht.

Ten aanzien van de straf heeft zij gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregelen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op K. [naam slachtoffer ], een 15-jarige jongen. Het pogen het leven van een ander te nemen is een strafbaar feit dat dermate ernstig is en voor de samenleving zo schokkend dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur geïndiceerd is.

Delicten als de onderhavige, waarbij meerdere jonge personen aanwezig waren, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter. Daarnaast brengen deze delicten bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte is op 14 september 2006 door de kinderrechter onder meer terzake van een geweldsmisdrijf tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeeld. De rechtbank rekent de verdachte zwaar aan dat hij het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd tijdens de door de kinderrechter bepaalde proeftijd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de over verdachte uitgebrachte psychologische en psychiatrische rapportages van drs. M.J.G.M. Wetsteyn en mevrouw G.C.G.M. Broekman.

Het rapport d.d. 17 januari 2008 van de psycholoog drs. M.J.G.M. Wetsteyn houdt onder meer het volgende in als beantwoording van de vraagstelling - zakelijk weergegeven -:

1.

Bij [verdachte] kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis, met toenemend antisociale en narcistische kenmerken, bij een overigens normaalbegaafd cognitief niveau.

2.

Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde.

3.

Ja (de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochte’s gedragskeuzes c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde): [verdachte] is een verdrietige, nog kwetsbare jongen, die het gebrek aan verwerking daarvan compenseert met stoer en outgoing gedrag en met een grote nieuwsgierigheid van vooraan staan als er iets ‘sensationeels’ in zijn omgeving gebeurt. Onder invloed van eerdere vrienden uit Geleen raakt

hij steeds verstrikt in dit soort omstandigheden en maakt daarin, hoewel cognitief zich bewust van anders moeten doen, toch steeds verkeerde gedragskeuzes die in het teken staan van de zelfbescherming.

4.

[Verdachte] is niet assertief genoeg om de juiste gedragskeuzes te maken. Hij keert steeds weer terug naar de zogenaamde vertrouwdheid van zijn vroegere contacten in de Geleense omgeving, voelt zich daar geaccepteerd en veilig bij die ‘oude’ vrienden.

Sociaal-emotioneel is hij evenwel achtergebleven, zich erg afhankelijk makend van die oude omgeving, in dienst van de zelfbescherming, tegen een achtergrond van pedagogische ‘verwaarlozing’ door een te vroeg overleden vader.

5a.

[Verdachte] houdt zichzelf voor dat hij zich dan wel stoer opstelt omdat hij de toegang tot zijn dieperliggende kwetsbaarheid en verdriet bij voorkeur gesloten houdt, maar deze redenering verhindert ook dat hij toekomt aan een verwerking van deze gevoelens. Hij is ik-zwak, erg beïnvloedbaar nog, heeft duidelijk een positief rolmodel in zijn jeugdjaren gemist.

Dit is ook zijn valkuil: op rationeel niveau verklaart hij zijn specifieke gedrag en meer algemene houding, zeer zelfbeschermend, en legt de oorzaak van zijn strafbaar gedrag bij anderen die hem moeten verbieden nog ooit naar Geleen te gaan. Eigen, goede keuzes daarin maken kan hij (nog) niet en dat impliceert een relatief grote kans op recidive.

6. Aanbevelingen

Aan de rechtbank wordt in overweging gegeven, na een bewezen verklaard zijn van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten, hem een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Het rapport van de psychiater mevrouw G.C.G.M. Broekman houdt onder meer het volgende in als beantwoording van de vraagstelling - zakelijk weergegeven -:

1.

Gesproken kan worden van een adolescent bij wie in zijn persoonlijkheidsontwikkeling afhankelijke en antisociale kenmerken prevaleren. Onderzochte voldoet aan de criteria van een gedragsstoornis, beginnen in de adolescentie en een aanpassingsstoornis met een stoornis in het gedrag. Globaal kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

2.

Uit het onderzoek is gebleken dat voornoemde gedrags-en aanpassingsstoornis van invloed waren op het gedragspatroon ten tijde van het tenlastegelegde.

3.

Ja (de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochte’s gedragskeuzes c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde). Bij onderzochte is sprake van een gedragsstoornis en een aanpassingsstoornis. In de combinatie van de gestoorde impulsregulatie en zijn reactiestijl toont onderzochte een handelingspatroon waarin zijn gevoelens en impulsen niet afdoende worden afgeweerd en vervolgens worden uitgeleefd in de buitenwereld. Tijdens het hem tenlastegelegde toont onderzochte vervolgens onvoldoende belangstelling en inzicht te hebben voor de (eventuele) gevoelens van de ander en de algemene gevolgen van dien. De combinatie van de gestoorde agressieregulatie, de gebrekkige gewetensfunctie en zijn reactiestijl, is voornamelijk van negatieve betekenis gebleken en hier manifesteert zich, bij bewezenverklaring, de directe relatie tussen de tenlastelegging en onderzochte’s persoonlijkheidsopmaak. Het opvoedingsmilieu was ook in affectieve zin niet toereikend.

5.

Het tenlasteglegde vloeit voort uit de dadendrang bij een in wezen zich onzeker voelende, zich moeten bewijzen en met name structuurzwakke adolescent. Rapporteur acht de recidivekans onbehandeld, onder vergelijkbare omstandigheden, groot. Onderzochte heeft geen inzicht/besef aangaande zijn beperkingen; hij heeft tot nu toe niet of beperkt kunnen leren van ervaringen en er is sprake van een verstoorde agressieregulatie. Er is gebrek aan selfesteem, onvoldoende probleembesef en gebrekkige gewetensfuncties, in combinatie met een beperkt pedagogisch steunend opvoedingsmilieu.

Inmiddels is er sprake van recidiverend agressief gedrag en blijkt onderzochte nauwelijks copingvaardigheden te bezitten. Gezien de onbewuste component (onderzochte beleeft het tenlastegelegde veelal bagatelliserend) bestaat de kans dat hij de impact van dergelijk delictgedrag niet aanvoelt komen, ook al is hij zich bewust van het risicovolle en laakbare aspect van zijn gedrag. De voornoemde aanleg-en opvoedingsfactoren hebben elkaar tenslotte niet gunstig beïnvloed.

6. Aanbevelingen.

Rapporteur heeft in vorengaande aangegeven dat er bij onderzochte sprake is van onrijpheid in de sociale en de emotionele ontwikkelingslijnen en dat er sprake is van gebrekkige (agressieve) impulsbeheersing. Een en ander wordt gecompenseerd door pseudo-volwassen gedrag, een schijnaanpassing met overdekking van het tegendeel. In een toekomstige behandeling dienen de traumatische (verlies)ervaringen aan de orde te komen, zoals de agressiebeladen relatie met zijn vader en zijn overlijden.

Voor behandeling van deze aspecten van de persoonlijkheid zou onderzochte in een omgeving moeten verkeren waarin hij wordt geleerd en gestimuleerd tot een positieve en meer onafhankelijke ontwikkeling, waarin hij leert omgaan met provocaties en aandacht is voor het leren hanteren van adequate impulsbeheersing. Rapporteur is van mening dat een dergelijke behandeling in een ambulante setting onder voorwaarden niet haalbaar is en plaats zou moeten vinden middels een residentiële, gedragsmatig geörienteerde methode van gedragsbeïnvloeding. Een verblijf binnen een gestructureerde residentiële omgeving, in casu een inrichting voor adolescenten, teneinde de recidivekans te minimaliseren en het tot een daadwerkelijke behandeling te laten komen, is feitelijk geïndiceerd.

Als juridisch kader wordt uw College geadviseerd het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel met voornoemde behandeling.

Met de conclusie van de rapporten kan de rechtbank zich verenigen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het door de wet vereiste gevaarscriterium voor plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voldaan aan het vereiste dat die maatregel van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Nu voorts voor het bewezenverklaarde voorlopige hechtenis is toegelaten, is aan alle voorwaarden voor het opleggen van bedoelde maatregel voldaan en zal de rechtbank daartoe overgaan.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

Ter terechtzitting is uitdrukkelijk besproken of het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel te prefereren is boven een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Door mevrouw Broekman en de heer Wetsteyn is om eerdervermelde redenen ten sterkste ontraden een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan verdachte op te leggen.

Mevrouw Broekman heeft voorts ter terechtzitting naar voren gebracht dat er aan de persoon van verdachte zou worden te kort gedaan bij het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Verdachte heeft een lange behandeling nodig, te denken valt aan langer dan een jaar, en het recidiverisico is onverkort aanwezig. Daarnaast kan behandeling bij het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, zulks in tegenstelling tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel, meteen gestart worden in een residentiële setting: ook dit laatste heeft - aldus mevrouw Broekman - een rol gespeeld bij de door haar geadviseerde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De heer Wetsteyn heeft ter terechtzitting, anders dan zijn rapportage van 24 september 2007, geadviseerd tot een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel vanwege het verplichtend karakter. In zijn advies van 24 september 2007 heeft de psycholoog geen rekening gehouden met de andere in de tenlastegelegde genoemde strafbare feiten. Daarnaast heeft voortschrijdend inzicht in de onderhavige casus ertoe geleid dat zijn oorspronkelijk advies werd aangepast. Ter zitting verklaart hij dat verdachte zwak gestructureerd is en de kans aanwezig is dat de verdachte zich in een setting met vrijheden gemakkelijk onttrekt aan de op te leggen voorwaarden. De heer Wetsteyn wijst in dit verband op het incident d.d. 5 november 2007, ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis, waarbij verdachte zich heeft onttrokken aan het toezicht toen hij terug op weg was naar het Keerpunt te Cadier en Keer.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte behandeld moet worden in een langdurige professionele structuur en setting.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het van belang is dat de behandeling van verdachte zo snel mogelijk zal starten. Plaatsing in een inrichting in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan doorgaans veel minder snel gerealiseerd worden dan plaatsing in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

In het licht van al het vorenstaande, zal de rechtbank na te noemen maatregel opleggen.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam en adres slachtoffer ], zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

De raadsvrouwe heeft gesteld dat de schade terzake de kleding onvoldoende onderbouwd is en niet voor toewijzing in aanmerking komt. Ook de post terzake kilometervergoeding komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu dit geen rechtstreekse schade van het minderjarige slachtoffer zelf is.

Anders dan de raadsvrouwe, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij gegrond is, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Ten aanzien van de kleding overweegt de rechtbank dat blijkens de foto’s in het dossier de kleding beschadigd en/of bebloed is als gevolg van het strafbare feit.

Ten aanzien van de kilometervergoeding ten bedrage van € 6,60 overweegt de rechtbank dat ook deze schade rechtstreeks het gevolg is van het feit zoals in de tenlastelegging omschreven. Het gaat om kosten die ten behoeve van het slachtoffer zijn gemaakt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor verdachte aansprakelijk is en die het slachtoffer van verdachte kan vorderen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aldus komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer ] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 100,00, terzake van kleding en een bedrag van € 6,60 ter zake van kilometervergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [naam slachtoffer ] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht voor een bedrag ad. € 700,00.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het totaal-bedrag van € 806,60 worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake de noclaim en 2 dagen ziekenhuisopname, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Subsidiair heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat het nagezonden stuk inhoudende de ondertekening door [naam ouder slachtoffer ] (zijnde de laatste pagina van het voegingsformulier), met de brief van het bureau slachtofferhulp onduidelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij correct is geschied. Nu het slachtoffer minderjarig is, kunnen de ouders zich op grond van artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering als wettelijk vertegenwoordiger voegen als benadeelde partij.

Kennelijk heeft de moeder van het slachtoffer in eerste instantie haar handtekening op een onjuiste plek op het voegingsformulier gezet, te weten op de plek waar doorgaans de (meerderjarige) benadeelde partij de handtekening zet en niet op de plek van de in onderhavige zaak van toepassing zijnde plek voor de wettelijk vertegenwoordiger. Vervolgens is dit op verzoek van Bureau Slachtofferhulp gecorrigeerd en heeft zij het laatste blad opnieuw ondertekend, welke stuk aanvullend is toegevoegd.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van 4 weken jeugddetentie, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank d.d. 14 september 2006, gewezen onder parketnummer 03/550327-06.

De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77i, 77s, 77gg, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot jeugddetentie voor de duur van ZEVEN MAANDEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

- legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer ] met als wettelijk vertegenwoordiger [naam en adres wettelijk vertegenwoordiger van slachtoffer], te betalen een bedrag van € 806,60, vermeerderd met de wettelijke rente van 18 augustus 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer ], voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer ] in het kader van deze procedure gemaakt, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van één dag, met dien verstande dat toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

- gelast dat de aan de veroordeelde bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank

(03/ 550327-06), d.d. 14 september 2006, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 4 weken, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. P.E.C.M. Dahmen, voorzitter, kinderrechter,

mr. I. Becker-Hartenhof en mr. W.A.P. Hillen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 17 maart 2008, zijnde mr. I. Becker-Hartenhof buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.