Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD1763

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
03-700009-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de slachtoffers met een mes in de kaak heeft gestoken en een tweede slachtoffer heeft geslagen terwijl hij een mes vasthield, onder meer nu slachtoffer 1 onmiddellijk nadat hij door verdachte was geslagen bloed aan zijn handen heeft gezien en verbalisant zag dat hij een snede in zijn linkerwang had, een paar centimeter boven de halsstreek gesitueerd, terwijl slachtoffer 2 na door verdachte te zijn geslagen constateerde met een mes te zijn geraakt aan de linkerzijde van zijn lip.

Hierbij is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood ten aanzien van slachtoffer 1 en met betrekking tot slachtoffer 2 van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700009-08

Datum uitspraak: 29 april 2008

Dit vonnis is naar aan[Naam slachtoffer4]ding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek, althans in de kaak, in elk geval, in het lichaam van die [Naam slachtoffer1], heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de hals/nek, althans in de kaak, in elk geval in het lichaam van voornoemde [Naam slachtoffer1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer1]), meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals/nek, althans in de kaak, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [Naam slachtoffer2] heeft geslagen, terwijl hij in zijn hand een mes, (althans een scherp en/of puntig voorwerp) vasthield en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in het gelaat van voornoemde [Naam slachtoffer2] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer2]), heeft geslagen in het gelaat/gezicht terwijl hij in zijn hand een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) vasthield en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in het gelaat/gezicht, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in de (linker)bovenarm van voornoemde [Naam slachtoffer3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Naam slachtoffer3]), met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de (linker)bovenarm, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, [Naam slachtoffer4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend achter voornoemde [Naam slachtoffer4] aangerend met een mes in zijn hand en/of opzettelijk dreigend met een mes tegen de ruit van het autoportier geslagen waarin die [Naam slachtoffer4] zich bevond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "jou moet ik hebben", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De feiten

De rechtbank stelt met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, het volgende vast.

Op 6 januari 2008, omstreeks 03:30 uur, krijgen verbalisanten [G.] en [M.], het verzoek van de regio meldkamer Limburg Zuid, te rijden naar de Markt te Geleen, alwaar een steekpartij heeft plaatsgevonden. Op de Markt te Geleen worden de verbalisanten aangesproken door een viertal jongens. De verbalisanten zien dat twee van de vier jongens gewond zijn. Het betreft [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer1].

Op dezelfde dag en rond hetzelfde tijdstip ontvangen ook verbalisanten [K.] en [D.] van de regionale meldkamer het verzoek om naar de Markt in Geleen te gaan vanwege een steekpartij. Omstreeks 03:40 uur zien verbalisanten een man en een vrouw lopen, komende uit de richting van de Markt en gaande in de richting van de Mauritslaan. Na telefonisch van de politiepatrouille ter plaatse op de Markt een signalement te hebben doorgekregen, waarin verbalisanten de man die zij in het gezelschap van de vrouw hadden zien lopen, herkenden, houden verbalisanten de man en de vrouw staande ter controle van hun identiteit.

Verbalisanten zien dat de man onvast ter been is en horen dat hij met een dubbele tong spreekt. Zij zien tevens dat de man een snijwond aan zijn rechterhand heeft en dat deze hand is besmeurd met bloed. Desgevraagd deelt de man verbalisanten mede dat hij de verwonding aan zijn hand heeft opgelopen doordat hij zich in het café aan een stuk glas had gesneden. Verbalisanten delen de man vervolgens mede dat hij wordt verdacht van (zware) mishandeling en dat hij wordt aangehouden. Op dat moment zien verbalisanten dat verdachte een zilverkleurig zakmes uit zijn rechterbroekzak tevoorschijn haalt en dat hij dat zakmes vervolgens op de grond laat vallen. Verbalisanten zien dat het zakmes is besmeurd met bloed.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 18 april 2008 gevorderd dat het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde stelt de raadsman dat op grond van het onderliggende dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte jegens [Naam slachtoffer1] een mes dan wel enig scherp of puntig voorwerp ter hand heeft genomen en dat evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte in de nek/hals dan wel de kaak van [Naam slachtoffer1] heeft gestoken. Uit het dossier kan hooguit worden afgeleid dat verdachte een rake slaande beweging heeft gemaakt in de richting van de linker gelaatshelft van [Naam slachtoffer1].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde stelt de raadsman dat ook in dit geval op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte in zijn confrontatie met [Naam slachtoffer2] een mes ter hand heeft genomen. Uit het dossier volgt dat verdachte het mes pas heeft getrokken na het incident met [Naam slachtoffer2].

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde refereert de raadsman zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat volgens de raadsman onder 4 niet bewezen kan worden dat verdachte met een mes tegen de ruit van het autoportier heeft geslagen. Uit het dossier volgt immers dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt en niet dat verdachte een slaande beweging heeft gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde van oordeel dat verdachte zowel [Naam slachtoffer1] met een mes in de kaak heeft gestoken als [Naam slachtoffer2] met een mes in de hand heeft geslagen.

Weliswaar blijkt uit de aangifte van [Naam slachtoffer1] niet met zoveel woorden dat verdachte hem met een mes heeft gestoken, uit zijn aangifte blijkt echter wel dat hij onmiddellijk nadat hij door verdachte was geslagen bloed aan zijn handen zag. Daar komt bij dat de verbalisant die het proces-verbaal van aangifte heeft opgemaakt, in een noot heeft toegevoegd dat hij bij aankomst bij het incident zag dat de aangever een snede in zijn linkerwang had van ongeveer 3 centimeter breed en dat deze snede hevig bloedde. Uit de zich in het dossier bevindende brief van de huisarts van 14 april 2008 blijkt bovendien dat de behandeld arts, dr. Stroeken, diezelfde nacht in het ziekenhuis heeft geconstateerd dat [Naam slachtoffer1] een steekwond van ongeveer 4 centimeter diep had.

Ook uit de aangifte van [Naam slachtoffer2] blijkt niet met zoveel woorden dat deze heeft gezien dat verdachte hem met een mes sloeg. Uit de aangifte van [Naam slachtoffer2] blijkt echter wel dat deze heeft gezien dat verdachte, toen deze in de richting [Naam slachtoffer2] en zijn vrienden liep, iets in zijn handen had en dat de eigenaar van het café tegen verdachte zei ‘houd je rustig, duw dat ding weg’. Naar het oordeel van de rechtbank doelt [Naam slachtoffer2] hier op het moment vlak voor het incident. Uit de aangifte blijkt verder dat [Naam slachtoffer2] zag en voelde dat verdachte hem sloeg en dat [Naam slachtoffer2] vervolgens constateerde dat hij met een mes was geraakt aan de linkerzijde van zijn lip.

Getuige [B.] heeft tenslotte nog gezien dat verdachte een mes in zijn rechterhand vasthield, althans dat er iets uit de vuist van verdachte stak en dat verdachte stekende bewegingen maakte richting zowel [Naam slachtoffer1] als [Naam slachtoffer2].

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovenstaande genoegzaam dat verdachte zowel [Naam slachtoffer1] als [Naam slachtoffer2] met een mes heeft gestoken respectievelijk met een mes in de hand heeft geslagen. Het betoog van de raadsman dat uit de daags na het incident door de huisarts opgemaakte medische verklaringen niet kan blijken dat er in beide gevallen sprake was van een steekwond, omdat dit niet op grond van een gehechte wond kan worden geconcludeerd, wordt dan ook gepasseerd.

De rechtbank is van oordeel dat de plek waar verdachte [Naam slachtoffer1] met het mes heeft geraakt, namelijk in de kaak, vlak boven de halsstreek, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven roept. Had verdachte [Naam slachtoffer1] een paar centimeter lager geraakt, dan had [Naam slachtoffer1] het naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen navertellen. Het steken met een mes in de kaak, vlak boven de halsstreek, is naar het oordeel van de rechtbank bovendien, zo zeer gericht op de dood dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard.

Voorwaardelijke opzet op de dood is naar het oordeel van de rechtbank bij het eerste ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het met een mes steken in het gezicht roept naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt.

In het gezicht bevinden zich immers diverse zenuwen die verdachte had kunnen beschadigen met alle, vaak blijvende, consequenties van dien, om nog maar te zwijgen van het feit dat verdachte [Naam slachtoffer2] in één van zijn ogen had kunnen raken. Het steken met een mes in het gezicht is naar het oordeel van de rechtbank bovendien, zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ook het onder 3 primair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden. Zowel uit de aangifte van [Naam slachtoffer1], als uit de verklaring van [Naam slachtoffer3] zelf blijkt dat verdachte [Naam slachtoffer3] op het moment dat deze verdachte beetpakte in de linkerbovenarm stak. Het met een mes steken in de bovenarm roept naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt. De verdachte had door met een mes te steken immers spieren of zenuwen kunnen beschadigen en hiermee blijvend letsel kunnen veroorzaken. Het steken met een mes in de bovenarm is naar het oordeel van de rechtbank bovendien, zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.

Het onder 4 ten laste gelegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen worden. Uit de aangifte van [Naam slachtoffer4] blijkt dat verdachte naar de auto van de aangever kwam rennen. Aangever trok zich in de auto terug en hield ramen en deuren gesloten. Verdachte riep: ‘jou moet ik hebben” en stak met een mes tegen de ruit van de linker voorportier. Verdachte stak volgens de aangever heel hard. De aangever zag dat er bloed op de ruit kwam. Uit de verklaring van getuige [B.] blijkt dat verdachte meerdere keren tegen de ruit in het bestuurdersportier van de auto waarin [Naam slachtoffer4] zat, aansloeg met een mes in zijn hand.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het er voor de bewezenverklaring van de bedreiging niet toe doet of de aangever verdachte een stekende beweging met het mes tegen de autoruit heeft zien maken. Een slaande beweging hoeft niet wezenlijk anders te zijn dan een stekende beweging, zoals de raadsman meent. In het onderhavige geval hebben zowel de aangever als een getuige gezien dat verdachte meerdere malen met een mes in zijn hand de ruit van de auto waarin de aangever zich bevond heeft geraakt. Dat de getuige de beweging die verdachte maakte als een slaande beweging omschrijft en de aangever diezelfde beweging als stekende beweging omschrijft, maakt de beweging zelf naar het oordeel van de rechtbank niet anders en doet niet af aan de bedreiging die ervan uit gaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan het slaan met een mes in de hand dan ook zonder meer bewezen worden.

De rechtbank acht het dreigend toevoegen van de woorden “jou moet ik hebben” door verdachte eveneens wettig en overtuigend bewezen, ondanks het feit dat alleen de aangever hierover heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaring van de aangever in het licht van hetgeen die nacht is gebeurd, de verklaringen die daarover door zowel de aangever als de andere getuigen zijn afgelegd en het feit dat de verklaringen nauw met elkaar overeenkomen geloofwaardig.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Naam slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de kaak van die [Naam slachtoffer1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [Naam slachtoffer2] heeft geslagen, terwijl hij in zijn hand een mes vasthield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Naam slachtoffer3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes heeft gestoken in de linkerbovenarm van voornoemde [Naam slachtoffer3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 6 januari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, [Naam slachtoffer4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend achter voornoemde [Naam slachtoffer4] aangerend met een mes in zijn hand en heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes tegen de ruit van het autoportier geslagen waarin die [Naam slachtoffer4] zich bevond en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd : "jou moet ik hebben".

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair:

poging tot doodslag;

Feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling;

Feit 3 primair:

poging tot zware mishandeling;

Feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de cursus Alcohol en Delinquentie, voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft gevorderd gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer4]. Ten aanzien van de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] heeft de officier van justitie gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van 1419,98 en voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de oplegging van een eventuele straf rekening te houden met de justitiële documentatie, de rapportage van de reclassering, het feit dat verdachte een excuus-brief heeft gestuurd aan [Naam slachtoffer1] en slachtoffer-dader gesprekken gaat voeren met [Naam slachtoffer2], als mede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte veel spijt heeft van het gebeurde.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregelen

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen en maatregelen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregelen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van drie jaar waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarde en een taakstraf die zal bestaan uit een leerstraf, bestaande uit het volgen van de cursus Alcohol en Delinquentie voor de duur van 28 uren.

Bij het opleggen van deze straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat uitgaansgeweld, als hier aan de orde, grote beroering in de (lokale) samenleving teweegbrengt;

- de omstandigheid dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan blijkt uit hetgeen hij ter zitting heeft medegedeeld en uit het reclasseringsrapport;

- alsmede met het feit dat verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank de indruk wekte oprecht spijt te hebben van hetgeen hij op 6 januari 2008 heeft gedaan.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam slachtoffer1], [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer4] zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Benadeelde partij [Naam slachtoffer1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 177,10 terzake van:

reiskosten

- geannuleerde vlucht via Charleroi naar Londen/Stansted van

(naar de rechtbank aanneemt) 7 januari 2008 € 60,00

- reiskosten naar ziekenhuis Sittard € 13.20

- parkeergeld ziekenhuis € 3,00

Kleding

- jas € 50,00

- t-shirt € 15,00

- overhemd € 30,00

Reiskosten

Ziekenhuis Maastricht second opinion € 5,90.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer1] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht voor een bedrag van € 2000,00.

Het deel van de vordering met betrekking tot de vlucht en reis op 10 januari 2008 (post: vlucht, trein en bus) zal worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het totaal-bedrag van € 2177,10 worden toegewezen.

Benadeelde partij [Naam slachtoffer2]

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer2] door het hiervoor onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 744,05 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Benadeelde partij [Naam slachtoffer4]

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer4] door het hiervoor onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 204,75 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 1 primair, 2 primair en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer1], [Naam slachtoffer2] en [Naam slachtoffer4], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregelen besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAREN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot TWEE JAREN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een leerstraf, bestaande uit het volgen van de cursus Alcohol en Delinquentie voor de duur van 28 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 14 dagen zal worden toegepast;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], [Woonadres slachtoffer1] te betalen een bedrag van

€ 2177,10 (zegge: tweeduizendzevenenzeventig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijk rente van 6 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] ter zake de posten met betrekking tot de vlucht en reis op 10 januari 2008 af;

- bepaalt dat de benadeelde partij [Naam slachtoffer1], [Woonadres slachtoffer1] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer2], [Woonadres slachtoffer2], te betalen een bedrag van

€ 744,05 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro en vijf cent ), vermeerderd met de

wettelijke rente van 6 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer4], [Woonadres slachtoffer4], te betalen een bedrag van € 204,75 (zegge: tweehonderdenvier euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente van 6 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer4] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle vijftig euro van het te betalen bedrag, met een minimum van één dag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. I.S. Peskens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 29 april 2008, zijnde mr. I.S. Peskens buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.