Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD1539

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
03-700708-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplichtigheid aan medeplegen poging tot oplichting van een bank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700708-07

Datum uitspraak: 25 maart 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te 1[adres verdachte] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Arnhem - De Berg, Arnhem Noord te

Arnhem.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 november 2007 tot en met 16 november 2007 in de gemeente Eijsden, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of medewerkers van de SNS-bank, gelegen aan de [adres Bank], te bewegen tot de afgifte van 29.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid door een of meer van zijn medeverdachte(n), althans door hem, verdachte, met genoemd oogmerk, als een persoon, zich noemende [V.], met die bank telefonisch kontact is opgenomen (om op 15 november 2007 een geldbedrag van 29.000 euro te komen afhalen met een volmacht van de [naam firma]) en/of (vervolgens) op 15 november 2007 door een persoon zich noemende [G.] die afspraak is afgezegd en/of (vervolgens) op 16 november 2007 hij, verdachte, zich bij voornoemde bank als zijnde [G.], directeur van voornoemde [naam firma] en onder overlegging van een (vals) rijbewijs, op naam van die [G.], heeft gemeld om voornoemd geldbedrag af te halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[naam medeverdachte] in of omstreeks de periode van 12 november 2007 tot en met 16 november 2007 in de gemeente Eijsden, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [naam medeverdachte] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer medewerkers van de SNS-bank, gelegen aan de [adres Bank], te bewegen tot de afgifte van 29.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - nadat door een of meer anderen, althans door die [naam medeverdachte], met genoemd oogmerk, als een persoon zich noemende [V.], met die bank telefonisch kontact was opgenomen (om op 15 november 2007 een geldbedrag van 29.000 euro te komen afhalen met een volmacht van de [naam firma]) en/of nadat (vervolgens) door een of meer anderen, althans door die [naam medeverdachte], op 15 november 2007 als een persoon zich noemende [G.] die afspraak was afgezegd, - zich (vervolgens) op 16 november 2007 bij die bank als zijnde [G.], directeur van voornoemde [naam firma] en onder overlegging van een (vals) rijbewijs, op naam van die [G.], heeft gemeld om voornoemd geldbedrag af te halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in of omstreeks de periode van 12 november 2007 tot en met 16 november 2007 in de gemeente Eijsden en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans allen die [naam medeverdachte] te brengen naar die bank, althans naar de plaats van het misdrijf en/of voornoemd (vals) rijbewijs aan die [naam medeverdachte] ter beschikking te stellen en/of die [naam medeverdachte] een nep snor te geven;

2.

hij op of omstreeks 16 november 2007 in de gemeente Eijsden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e) rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers - het complete document (drieluik) bleek door middel van een afwijkende druk (reproductietechniek) te zijn geïmiteerd en gepersonaliseerd en/of

- de aangebrachte pasfoto op een afwijkende wijze was voorzien van een golflijn, de lettercombinatie NL bovenaan en het gemeentenummer onderaan (stans d.m.v. snijden/knippen geïmiteerd) en/of

- het personaliablad van het drieluik was voorzien van een afwijkend (namaak)laminaat.

Redelijk vermoeden van schuld

De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld. Al het bewijs dat na de aanhouding van verdachte is verkregen, ook de verklaringen van medeverdachten [naam medeverdachte] en [naam medeverdachte 2], is volgens de raadsman onrechtmatig verkregen en kan niet worden gebruikt voor het bewijs. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken wegens gebrek aan overig bewijs.

De rechtbank oordeelt dienaangaande als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de waarnemingen en aanhoudingen door de Aanhouding Eenheid Limburg-Zuid (hierna te noemen AE) blijkt het volgende:

- op 15 november 2007 wordt door de districtsrecherche Maastricht om bijstand gevraagd van de AE voor de aanhouding van enkele nog onbekende personen;

- de AE wordt als volgt geïnformeerd: door een onbekende, vermoedelijk blanke man, zal een geldbedrag worden opgenomen bij de SNS bank aan de [adres Bank] te Eijsden; deze onbekende man zal zich voorstellen onder de naam “[G.]” en maakt gebruik van een vervalste identiteit en een vervalste volmacht waarmee hij de SNS bank voor een bepaald geldbedrag zal oplichten; deze onbekende man zal hoogst waarschijnlijk worden vergezeld door twee personen met een donkere huidskleur; deze methode van oplichten werd elders in het land al vaker met succes toegepast; een onbekende man heeft met de bank gebeld en een afspraak gemaakt voor donderdag 15 november 2007 vanaf 14:00 uur;

- nadat de afspraak voor donderdag 15 november 2007 is afgebeld en er een nieuwe afspraak is gemaakt voor de volgende dag neemt de AE op diverse lokaties in en om de bank positie in;

- op vrijdag 16 november 2007 om 11:25 uur zien twee leden van de AE een grijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken auto] rijden over de Breuerstraat; voorin dit voertuig zitten twee personen met een donkere huidskleur; het is niet duidelijk of er iemand achter in het voertuig zit; het voertuig rijdt in de richting van de Raadhuisstraat; kort daarop komt hetzelfde voertuig uit de richting van de Kennedylaan gereden en rijdt langs de SNS bank aan de [adres Bank], in de richting van het Veldje; even later komt hetzelfde voertuig vanuit de richting van het Veldje over de Cramignonstraat, langs de SNS bank gereden; het voertuig stopt ter hoogte van de Kennedylaan;

- een derde lid van de AE bevindt zich in de SNS bank en ziet dat er omstreeks 11:30 uur een man de bank binnenkomt; van een bankmedewerkster hoort hij dat deze man zich uitgeeft als [G.]; de man gedraagt zich nerveus en verlaat na enkele minuten de bank; zijn signalement wordt doorgegeven aan de overige leden van de AE;

- twee leden van de AE zien dat een man met het opgegeven signalement de SNS bank verlaat; wegloopt in de richting van het Veldje; zijn pas vertraagt en enkele keren omkijkt in de richting van de Kennedylaan, waar eerder de Volkswagen Golf was gestopt; om 11:35 uur wordt de man aangehouden en wordt aan de overige leden van de AE de laatst bekende positie van de Volkswagen Golf doorgegeven;

- als de Volkswagen weer gelokaliseerd is, ziet een lid van de AE dat het voertuig globaal gezien een rondje om de bank heen rijdt en zich aan de verkeersregels houdt (snelheid en richtgeven);

- op een gegeven moment ziet het lid van de AE dat de bijrijder meerdere malen omkijkt in zijn richting en dat het voertuig vervolgens zijn snelheid duidelijk verhoogt en dat er geen richting meer wordt aangegeven; even later wordt het voertuig klemgereden en worden de inzittenden aangehouden, daarbij wordt waargenomen dat de bijrijder op het moment van aanhouding de GSM die hij in zijn handen heeft weggooit in het voertuig.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat er op het moment van aanhouding sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Van het willekeurig aanhouden van mensen enkel vanwege hun huidskleur is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De AE kon en mocht afgaan op de informatie van de districtsrecherche dat het waarschijnlijk zou gaan om twee donkere mannen en een vermoedelijk blanke man. Het enkele feit dat de leden van de AE niet hebben waargenomen dat medeverdachte [naam medeverdachte] op enig moment uit de Volkswagen Golf is gekomen, doet aan de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld niet af.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Evenals door de officier van justitie gevorderd en door de raadsman bepleit, zal verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen van de poging oplichting in het bijzonder dat verdachte betrokken is geweest bij het feit, in die zin dat hij zich in de auto bevond die medeverdachte [naam medeverdachte] naar de SNS bank heeft gebracht. Daarnaast bevat de GSM van verdachte een sms-bericht met informatie over de op te lichten persoon genaamd [G.] en is het laatst gekozen nummer het nummer van medeverdachte [naam medeverdachte]. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft zich bij de SNS bank voorgedaan als [G.] en daarbij gebruik gemaakt van dezelfde gegevens als die in de GSM staan.

De rechtbank acht dit evenwel onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een nauwe en volledige samenwerking, zoals bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, tussen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte].

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Aan verdachte wordt - kort gezegd - ten laste gelegd dat verdachte tezamen met een ander of anderen een vals rijbewijs voorhanden heeft gehad.

Uit de stukken van het onderzoek ter terechtzitting blijkt het volgende.

Vast is komen te staan dat medeverdachte [naam medeverdachte] een vals rijbewijs voorhanden heeft gehad. [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij dit rijbewijs in de auto heeft gekregen van de twee mannen die zich voorin de auto bevonden. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte] het rijbewijs zelf tevoorschijn haalde. Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Gelet hierop is niet onomstotelijk komen vast te staan dat [naam medeverdachte] het rijbewijs van verdachte heeft gekregen, noch dat verdachte wist dat [naam medeverdachte] een vals rijbewijs bij zich had.

Ook het feit dat deze verdachte tezamen met [naam medeverdachte] gedurende een lange rit in een auto heeft gezeten, zoals door de officier van justitie is betoogd, leidt er niet toe dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het (medeplegen van) voorhanden hebben van een vals rijbewijs.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

[naam medeverdachte] in de periode van 12 november 2007 tot en met 16 november 2007 in de gemeente Eijsden, ter uitvoering van het door die [naam medeverdachte] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de SNS-bank, gelegen aan de [adres Bank], te bewegen tot de afgifte van 29.000 euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - nadat door een ander, met genoemd oogmerk, als een persoon zich noemende [V.], met die bank telefonisch kontact was opgenomen (om op 15 november 2007 een geldbedrag van 29.000 euro te komen afhalen met een volmacht van de [naam firma]) en nadat vervolgens door een ander op 15 november 2007 als een persoon zich noemende [G.] die afspraak was afgezegd, - zich vervolgens op 16 november 2007 bij die bank als zijnde [G.], directeur van voornoemde [naam firma] en onder overlegging van een vals rijbewijs, op naam van die [G.], heeft gemeld om voornoemd geldbedrag af te halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 16 november 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met een ander die [naam medeverdachte] te brengen naar die bank.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 subsidiair:

medeplichtigheid aan medeplegen van een poging tot oplichting

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 subsidiair en 2 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft primair vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de persoon van verdachte, zodat de gevorderde straf te hoog is. De raadsman heeft gepleit voor een andere straf, te weten een taakstraf in de vorm van een werkstraf eventueel gecombineerd met een gevangenisstraf die in duur gelijk staat aan het reeds ondergane voorarrest.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Verweren raadsman

De raadsman van verdachte heeft in verband met de op te leggen straf aangevoerd dat het daags voor de behandeling ter terechtzitting onverwacht ophalen van verdachte vanuit het huis van bewaring te Arnhem en overbrengen naar een cel in een politiebureau te Sittard, waardoor de raadsman die verdachte diezelfde dag in Arnhem had willen bezoeken veel tijd heeft verloren en niet meer is toegekomen aan het maken van een pleitnota, een schending van de beginselen van een goede procesorde oplevert.

Ook het feit dat de raadsman niet tijdig op de hoogte is gesteld van de datum waarop het ingediende schorsingsverzoek door de raadkamer van de rechtbank zou worden behandeld, met als gevolg dat de verdachte tijdens de behandeling van het schorsingsverzoek niet is bijgestaan door een raadsman van zijn keuze, levert – zo heeft de verdediging ter terechtzitting bepleit – een schending op van de beginselen van een goede procesorde.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de oplegging van de straf rekening te houden met deze schendingen.

Tenslotte heeft de raadsman de rechtbank verzocht bij vonnis de voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank is van oordeel dat het ten behoeve van de logistiek daags voor de zitting overbrengen van verdachte naar een cel in een politiebureau in de buurt van de rechtbank geen schending van de beginselen van een goede procesorde oplevert. Reeds daarom heeft de rechtbank hier bij de strafoplegging geen acht op geslagen.

Ook het ontijdig inlichten van de raadsman van het tijdstip waarop het schorsingsverzoek door de raadkamer van deze rechtbank zou worden behandeld, levert – mede gelet op het feit dat verdachte niet om aanhouding heeft gevraagd en de raadsman van verdachte zelf voor vervanging heeft gezorgd – geen schending van de beginselen van een goede procesorde op. Reeds daarom heeft de rechtbank hier bij de strafoplegging geen acht op geslagen.

De rechtbank ziet, gelet op de door de rechtbank op te leggen straf, geen aanleiding het overigens niet onderbouwde verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis in te willigen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Het beslag

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (twee mobiele telefoons en een navigator, TomTom), zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen betreft met betrekking tot welke het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Van de overige goederen zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden worden gelast.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 48 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIJF MAANDEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis -waaronder op de voet van het bepaalde bij artikel 72, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld- gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten;

203172186 1 1 GSM, kleur: zwart

SONY ERICSSON

203172186 2 1 GSM, kleur: grijs

NOKIA

203172186 13 1 navigator, kleur: grijs

TOMTOM One X1 AK8SL BABTJ

Inclusief zuignap en oplaadapparaat

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten;

203172186 3 1 bankpas,

ABN-AMRO, 614943574, Keeldar

203172186 4 1 bankpas,

FORTIS, 973383720, Brewster

203172186 5 1 bankpas,

Giro, 7203393, Carolina

203172186 6 1 bankpas

8870528, Bronstijn

203172186 7 1 bankpas

Giro, 3526990, Poiesz

203172186 8 1 bankpas

ABN-AMRO, 411026100, De valk

203172186 9 1 stuk papier

schriftelijke bescheiden op naam van Lissum

203172186 10 6 foto's

pasfoto's van 2 personen

203172186 11 1 GSM, kleur: zwart

SAMSUNG

2007163597 14 3 stuks papier:

3 bundeltjes met aantekeningen/huurcontracten

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 25 maart 2008, zijnde mr. B.G.L. van der Aa buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.