Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BD0024

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1960 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag politieman wegens veroordelingen wegens onverzekerd rijden en wegens het besturen van een auto en een politiemotor tijdens een periode van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 1960 AW GIF

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Brunssum, eiser,

tegen

de Korpsbeheerder van de Politieregio Limburg Zuid,

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 28 september 2007

Kenmerk: 07LZB02676

Behandeling ter zitting: 26 maart 2008

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 september 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser op 9 november 2007 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn aan eisers gemachtigde gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 26 maart 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.G.J.M. Boonen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.C.W. Tummers.

2. Overwegingen

Eiser was sinds augustus 1994 in dienst van de Politieregio Limburg Zuid, laatstelijk als hoofdagent van politie.

Bij besluit van 18 mei 2007 is eiser meegedeeld dat een disciplinair onderzoek wordt ingesteld naar het vermoeden van ernstig plichtsverzuim. Met onmiddellijke ingang wordt hij buiten functie gesteld en wordt hem de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd.

Bij brief van 30 mei 2007 is eiser het voornemen meegedeeld tot het opleggen van strafontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) wegens meermalen gepleegd ernstig plichtsverzuim. Eiser heeft zich hierover op 12 juni 2007 mondeling verantwoord tegenover [dhr A] namens verweerder.

Bij primair besluit van 19 juni 2007 is aan eiser wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf opgelegd van ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j van het Barp, met onmiddellijke tenuitvoerlegging ex artikel 82 van het Barp.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij is op 24 september 2007 op het bezwaar gehoord door de Adviescommissie ex artikel 7:13 Awb (hierna: de bezwarencommissie).

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit van 28 september 2007 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder volgt daarbij het advies van de bezwarencommissie en handhaaft dus het besluit tot ontslagverlening per 19 juni 2007.

Verweerder overweegt hiertoe overeenkomstig het overgenomen advies dat het voldoende aannemelijk is dat de aan eiser verweten gedragingen door hem zijn verricht. Het gaat hierbij om overtredingen van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen

(hierna: WAM), ter zake waarvan eiser is veroordeeld tot geldboetes, (vervangende) vrijheidsstraf en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM). Bovendien heeft eiser een auto en politiemotor bestuurd tijdens de OBM. Dit zijn ernstige gedragingen die kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim.

Verweerder acht eisers gedragingen niet in overeenstemming met de aan een politiefunctionaris te stellen betrouwbaarheids- en integriteitseisen. Eiser heeft geen rechtvaardiging voor het niet melden van de hem opgelegde straffen bij de leiding. Het rijden tijdens de OBM in diensttijd met een dienstvoertuig was een bewuste keuze van eiser en is toerekenbaar.

Eisers stelling over het aan hem in de zomer van 2007 onthouden van psychologische hulp wordt bestreden. Dat eiser spijt heeft en de politie niet in een kwaad daglicht wilde stellen is meegewogen, maar onvoldoende bevonden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen.

Eiser is het ook met dit besluit niet eens en heeft hiertegen beroep doen instellen bij de rechtbank. Hij erkent de feiten die verweerder aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd maar is van mening dat door bijzondere omstandigheden het plichtsverzuim hem niet is aan te rekenen dan wel tot een minder zware straf dient te leiden. Hij voert hiertoe aan dat hij al geruime tijd te kampen heeft met psychische problemen als gevolg van zijn financiële problemen, het gebrek aan begeleiding en het uitblijven van een oplossing. De bedrijfsarts heeft deze psychische problemen begin 2007 geconstateerd. Alle door eiser begane overtredingen waren het gevolg hiervan.

Nadat eiser zijn problemen in maart/april 2006 met de chef basiseenheid Geleen en een medewerker personeelszaken had besproken, is eiser doorgestuurd naar de bedrijfsmaatschappelijk werker van de politie. Deze heeft hem geadviseerd om een lening te vragen aan de Kredietbank. Dit traject heeft uiteindelijk geen oplossing gebracht.

De aan een politieman te stellen hoge eisen brengen met zich mee dat op verweerder als werkgever een verdergaande zorgplicht rust dan op werkgevers in de private sector. Omdat verweerder heeft nagelaten deze zware verplichting waar te maken door de begeleiding van eiser niet op effectieve wijze te laten plaatsvinden, kan het plichtsverzuim niet in overwegende mate aan eiser worden toegerekend en is een minder zware straf aan de orde.

Een aantal factoren en omstandigheden is bij de totstandkoming van het bestreden besluit ten onrechte niet meegenomen. Niet is inzichtelijk gemaakt waarom niet een minder vergaande maatregel is genomen. Met de duur van het dienstverband, het functioneren van eiser en de ingrijpende (financiële) gevolgen voor eiser is geen rekening gehouden. De zaak heeft niet of nauwelijks publiciteit gekregen, zodat imagoschade voor het korps relatief beperkt is gebleven.

Het beroepschrift strekt tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Verzocht wordt te bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, waarbij geen sprake is van onvoorwaardelijk ontslag. Eiser verzoekt tenslotte verweerder te veroordelen in de proceskosten.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of verweerder bevoegd was eiser strafontslag te verlenen. Daartoe dient in de eerste plaats sprake te zijn van plichtsverzuim. Tussen partijen is niet in geschil dat daarvan sprake is. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het plichtsverzuim eiser valt toe te rekenen. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid tot het strafontslag (met onmiddellijke ingang) heeft kunnen besluiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 76 van het Barp is bepaald dat de ambtenaar die een hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Onder plichtsverzuim wordt verstaan zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In het eerste lid van artikel 77 van het Barp worden de straffen, die kunnen worden opgelegd, toenemend in zwaarte opgesomd. De zwaarste straf is – als bepaald in het eerste lid onder j van dat artikel – (ongevraagd) ontslag.

In artikel 82 van het Barp is bepaald dat een straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer wordt gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Eiser heeft vijf maal de WAM overtreden, waarvoor hij door de kantonrechter meermalen is veroordeeld tot geldboetes, (vervangende) vrijheidsstraf en OBM. Verder heeft eiser op of omstreeks 19 maart 2007, tijdens de OBM in uniform gekleed en rijdend op een politiemotor, politiedienst verricht.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit gedrag, dat moet worden gekwalificeerd als doorgaand ernstig plichtsverzuim, aan eiser valt toe te rekenen. Noch de gegevens in het dossier, noch dat wat door eiser is aangevoerd geeft de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat eiser zich, als ervaren politieman, niet bewust zou zijn geweest dat zijn gedragingen tot disciplinaire maatregelen zouden kunnen leiden. Aan de door eiser aangevoerde psychische problemen kan de rechtbank in dit verband geen doorslaggevende betekenis toekennen. De rechtbank is niet kunnen blijken dat eiser tot het plichtsverzuim is gekomen onder invloed van psychische problematiek, in die zin dat het plichtsverzuim hem niet zou zijn toe te rekenen. Eiser heeft zijn stellingen dienaangaande ook niet met (medische) stukken onderbouwd.

Bij plichtsverzuim komt verweerder een bevoegdheid tot bestraffing toe, die de keuze laat uit een aantal mogelijkheden lopend van een schriftelijke berisping tot ontslagverlening. Bij toerekenbaar (ernstig) plichtsverzuim, zoals in het onderhavige geval, waarbij de integriteit, het aanzien en de geloofwaardigheid van de openbare dienst en functionarissen daarbinnen in geding zijn, is, naar het oordeel van de rechtbank, het toepassen van de zwaarste sanctie niet als een onevenredige straf te beschouwen.

Hetgeen namens eiser ter zake is betoogd over de zwaardere zorgplicht, die op verweerder als werkgever zou rusten leidt de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel. Voor het standpunt van eiser is geen wettelijke grondslag voorhanden.

Gelet op artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, als voorzitter, en mr. M. Hillen en mr. F.L.G. Geisel, als leden, in tegenwoordigheid van drs. F.A.W. van Gils als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2008

w.g. F.A.W. van Gils w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 21 april 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, ook de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.