Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC9345

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
117777 / HA ZA 07-204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

grenzen aan ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden door de rechter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 12 maart 2008

Zaaknummer : 117777 / HA ZA 07-204

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPOTRADE B.V.,

gevestigd te Well (Limburg),

eiseres,

procureur mr. P.J.T. Austen;

tegen:

de vennootschap naar vreemd recht PLASTA AB,

gevestigd te LT-03154 Vilnius, Litouwen,

gedaagde,

procureur mr. P.R.J.M. Douffet.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: Expotrade, heeft gedaagde, hierna te noemen: Plasta, bij exploot van 15 januari 2007 gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag heeft Expotrade bij akte producties in het geding gebracht. Plasta heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een

comparitie na antwoord gelast. Expotrade heeft bij brief van 16 augustus 2007 stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Partijen hebben voorts nog elk een akte genomen.

Door Expotrade zijn beslagstukken overgelegd.

De rechtbank heeft vonnis bepaald op het rechtbankdossier, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden. In verband met herverdeling van zaken wordt dit vonnis gewezen door een andere rechter dan ten overstaan van wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden.

2. Het geschil

2.1 Plasta is een Litouws bedrijf in verpakkingsmaterialen. Tot november 2000 kocht Expotrade van Plasta verpakkingsmaterialen, welke materialen zij vervolgens met een opslag doorverkocht aan Dimensio Verpakkingen B.V., hierna te noemen: Dimensio. Expotrade kreeg van Plasta terzake van de door haar gekochte materialen een betalingskorting van 3 % van de koopprijs per kilo.

Met ingang van november 2000 is Expotrade als tussenschakel in de bovenstaande handelsrelatie weggevallen; partijen zijn tijdens een overleg op 27 of 28 oktober 2000 in aanwezigheid van Dimensio overeengekomen dat Dimensio met ingang van november 2000 rechtstreeks bij Plasta verpakkingsmaterialen zou gaan inkopen.

Plasta en Expotrade hebben in het kader van hun (voormalige) handelsrelatie afspraken gemaakt, die volgens Expotrade inhouden dat zij deze betalingskorting in de vorm van een jaarlijkse provisie van 3 % zal ontvangen. Ter discussie staat in dit geschil of Expotrade ook over de jaren vanaf 2004 aanspraak kan maken op deze provisie van 3 %. Plasta heeft daarbij, volgens Expotrade, onrechtmatig ten opzichte van Expotrade gehandeld.

2.2 Expotrade heeft - kort samengevat en voorzover thans relevant - gesteld dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat zolang Plasta aan Dimensio zou leveren, Plasta aan Expotrade een provisie van 3 % diende te betalen over de door Plasta aan Dimensio verkochte materialen. Deze provisie dient ter vervanging van de voormalige door Expotrade genoten betalingskorting van 3 %.

Tijdens de comparitie heeft Expotrade nog gesteld dat de provisie, welke aanvankelijk op

3 % was gesteld, ieder jaar zou worden bekeken, teneinde te bezien of het percentage reëel was. Over de jaren 2002 en 2003 is vervolgens een lager percentage vastgesteld, doch nu de leveranties in die jaren in omvang zijn toegenomen bleef het uiteindelijke totale provisiebedrag op peil.

Expotrade heeft verder gesteld dat de omstandigheid dat partijen naast de bovenstaande mondelinge overeenkomst per boekjaar afzonderlijke (provisie)contracten zijn overeengekomen, het gevolg was van een eis van de fiscus. De genoemde mondelinge provisieovereenkomst gold echter tussen partijen.

Expotrade heeft gesteld, dat zij Plasta, die sedert 2004 geen provisie meer aan Expotrade heeft betaald, bij brief van 20 februari 2004 (productie 8 akte overlegging producties dagvaarding) heeft medegedeeld dat zij zonder betaling van deze provisie niet meer mag leveren aan Dimensio. Plasta is desalniettemin blijven leveren aan Dimensio.

Expotrade heeft ten slotte gesteld dat, nu Plasta de overeengekomen 3 % provisie met ingang van 2004 niet meer betaalt, terwijl zij, blijkens de verklaring van de directeur van Dimensio van 7 maart 2006 in een procedure van Expotrade en Dimensio, toch nog goederen aan Dimensio levert, Plasta onrechtmatig jegens Expotrade handelt. Plasta is hierdoor aansprakelijk voor de schade van Expotrade, welke schade, uitgaande van de gemiddelde leveringen over de jaren 2001 tot en met 2003, tot en met december 2006 € 63.504,00 bedraagt.

2.3 Expotrade heeft op grond van het vorenstaande gevorderd, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I

Primair:

Plasta te veroordelen, om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan Expotrade te voldoen, een bedrag van € 63.504,00, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, over € 47.628,00 vanaf 5 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede over € 15.876,00 vanaf 15 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

Plasta te veroordelen, om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan Expotrade te doen toekomen de afschriften van alle facturen aan Dimensio, betreffende de leveringen van Plasta aan Dimensio in de jaren 2004, 2005 en 2006, zulks op verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,00 per dag of dagdeel dat Plasta hiermee in gebreke blijft, met een maximum tot € 100.000,00, alsmede om Plasta te veroordelen om aan Expotrade te voldoen, 3 % van het aan Dimensio gefactureerde bedrag uit hoofde van leveringen aan Dimensio in de jaren 2004, 2005 en 2006, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, vanaf 15 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

II Plasta te veroordelen, om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan Expotrade de afschriften van alle facturen aan Dimensio te doen toekomen, betreffende leveringen van Plasta aan Dimensio vanaf 1 januari 2007 tot aan de datum van het in deze te wijzen vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,00 per dag of dagdeel dat Plasta hiermee in gebreke blijft, met een maximum tot € 100.000,00, alsmede om Plasta te veroordelen om aan Expotrade te voldoen, 3 % van het aan Dimensio gefactureerde bedrag uit hoofde van leveringen aan Dimensio van 1 januari 2007 tot aan de datum van het in deze te wijzen vonnis;

III Plasta te verbieden, om vanaf de datum van het in deze te wijzen vonnis, rechtstreeks producten aan Dimensio te leveren, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per overtreding;

IV Plasta te veroordelen in de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, vanaf 15 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

V Plasta te veroordelen in de vertaalkosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, vanaf 15 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI Plasta te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, vanaf 15 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

VII Plasta te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.4 De vordering wordt door Plasta weersproken. Zo heeft Plasta - kort samengevat en voorzover thans relevant - ten verwere aangevoerd dat zij in het kader van de beëindiging van de zakelijke relatie met Expotrade bereid was om Expotrade tegemoet te komen door (tijdelijk) aan haar een provisie te betalen. Een en ander blijkt ook uit de door partijen overgelegde stukken. Zo zijn partijen in het kader van de beëindiging van hun handelsrelatie, na overleg daartoe, uiteindelijk over de periode van drie jaren, drie afzonderlijke (provisie) overeenkomsten overeengekomen, telkens per afzonderlijk boekjaar.

Plasta betwist dat er tussen partijen sprake zou zijn geweest van de beweerdelijke mondelijke overeenkomst en dat de overgelegde afzonderlijke overeenkomsten enkel door partijen zouden zijn opgesteld wegens een eis daartoe van de fiscus. Volgens Plasta strekt - kort samengevat - de eis van de fiscus tot het invullen van een “Formular DAS 2” enkel ter voorkoming van het betalen van dubbele belasting, voor het geval er zoals in casu sprake is van een overeenkomst met een buitenlandse onderneming.

Gelet op de overgelegde overeenkomsten gold tussen partijen dat door Plasta een provisie aan Expotrade zou worden betaald, te weten: in 2001 een provisie van 3 %, in 2002 een provisie van 2,5 % en in 2003 een provisie van 2,75 % tot 1,75 %. Van een verdere zakenrelatie tussen partijen is geen sprake. Plasta heeft daarbij benadrukt dat de op

28 oktober 2000 gemaakte, en op 16 maart 2001 bevestigde afspraak tussen partijen de provisie over het boekjaar 2001 betrof. Er is verder nimmer sprake geweest van een verbod van rechtstreekse inkoop van Dimensio bij Plasta.

Een recht op provisie van 3 % kan bovendien slechts gebaseerd zijn op een overeenkomst en niet op een onrechtmatige daad en deze overeenkomst is er niet.

Van een onrechtmatige daad zijdens Plasta jegens Expotrade is op geen enkele wijze sprake.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder een en drie van het EEX-verdrag bevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen. Voorts stelt de rechtbank vast dat Nederlands recht van toepassing is.

3.2 De rechtbank overweegt vervolgens dat Expotrade haar vordering jegens Plasta expliciet heeft gegrond op onrechtmatige daad en niet op wanprestatie. Zo heeft Expotrade in de dagvaarding onder “weerlegging van verweren van gedaagde” (punt 33 en 34) - voorzover thans relevant - vermeld:

“33. Voornoemd verweer laat onverlet dat Plasta onrechtmatig jegens Expotrade

handelt. Expotrade vordert de geleden schade immers uit hoofde van

onrechtmatige daad, niet op grond van één of meerdere overeenkomsten”.

34. In de brief van 20 februari 2004 (zie productie 2) heeft Expotrade Plasta er reeds op gewezen dat Plasta onrechtmatig handelt indien zij rechtstreeks aan Dimensio

levert, zonder provisiebetaling aan Expotrade. (…)”

3.3 Expotrade heeft verder ter onderbouwing van haar vordering uit hoofde van onrechtmatige daad de volgende stukken in het geding gebracht:

- een schrijven van Plasta van 2 november 2000, inhoudend dat Dimensio rechtstreeks klant

van Plasta is en dat Expotrade alleen nog op provisie kan rekenen (productie 1, akte

overlegging productie comparitie);

- een schrijven van [X] (de rechtbank leest: Expotrade) aan Plasta van

2 november 2000, betreffende het factureren van leveringen aan Dimensio, waarin staat

vermeld dat 3 % voor hem (de rechtbank leest: Expotrade) bij Plasta blijft gereserveerd

(productie 6, akte overlegging producties dagvaarding);

- een schrijven van Plasta van 28 november 2001, inhoudende dat nu Plasta op de

afgesproken 23ste maart 2001 niets heeft vernomen van Expotrade over een

overeenstemming met Dimensio en Expotrade niet heeft gereageerd op een op 12 juni 2001

aan haar gestuurd “Provisionvertrag”, een eerdere afspraak terzake van de provisie van 3 %

haar werking verliest (productie akte overlegging producties na comparitie na antwoord);

- een schrijven van Plasta aan Expotrade van 12 januari 2004, inhoudende dat met ingang

van 2004 geen provisie meer kan worden betaald (productie 7, akte overlegging producties

dagvaarding);

- een door partijen ondertekend “Provisionvertrag” van 17 januari 2002, betreffende het

boekjaar 2001, inhoudende dat Plasta aan Expotrade 3 % provisie betaald over de in 2001

aan Dimensio gedane leveringen (productie 1, akte overlegging producties dagvaarding).

3.4 Naast het door Expotrade overgelegde “Provisionvertrag” van 17 januari 2002, betreffende het boekjaar 2001, heeft Plasta de volgende (provisie)overeenkomsten voor bepaalde tijd overgelegd:

- een overeenkomst van 4 februari 2002, inhoudende dat per 1 februari 2002 Plasta aan

Expotrade 2,5 % provisie betaald (productie 2, conclusie van antwoord) en

- een door partijen ondertekend “Provisionvertrag” van 9 januari 2003, betreffende het

boekjaar 2003, inhoudende dat Plasta aan Expotrade over de eerste tien zendingen 2,75 %

provisie, over de zendingen elf tot en met dertig 2,25 % provisie en over de zendingen

eenendertig e.v. 1,75 % provisie betaalt (productie 3, conclusie van antwoord).

3.5 Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de stellingen van Expotrade en de ter onderbouwing daarvan in het geding gebrachte stukken, de grondslag van de vordering van Expotrade niet anders worden begrepen dan dat tussen partijen sprake is, volgens Expotrade, van een mondelinge overeenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij bovendien door Expotrade niet is gesteld of gebleken dat die overeenkomst door partijen is beëindigd. De beweerdelijke schade van Expotrade betreft verder de omstandigheid dat Plasta over de jaren vanaf 2004 geen provisie meer heeft betaald aan Expotrade, waartoe zij echter volgens Expotrade gelet op die mondelinge overeenkomst nog immer verplicht was. Expotrade heeft in dit kader verwezen naar een schrijven van Plasta aan Expotrade van 12 januari 2004 (productie 7, akte overlegging producties dagvaarding), waaruit blijkt dat Plasta de provisie niet langer wilde betalen. De door Plasta overgelegde tijdelijke overeenkomsten maken volgens Expotrade niet dat Plasta met ingang van 2004 de 3 % provisie niet meer aan Expotrade hoefde te betalen.

Gelet op het vorenoverwogene betreft de grondslag van de vordering van Expotrade het niet nakomen van de genoemde mondelinge overeenkomst door Plasta, hetgeen dient te worden gekwalificeerd als wanprestatie zijdens Plasta. Expotrade heeft dan ook ten onrechte haar vordering ingesteld uit hoofde van onrechtmatige daad.

De rechtbank overweegt nog dat, daar waar Expotrade heeft gesteld dat Plasta onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, nu Plasta volgens Expotrade “in strijd met de waarheid” (punt 23 dagvaarding) aan Expotrade zou hebben medegedeeld dat Plasta geen producten meer leverde aan Dimensio, ook die mededeling dient te worden bezien in het kader van de overeenkomst(en) tussen partijen en het beweerdelijk niet nakomen daarvan door Plasta. Met deze (onjuiste) mededeling zou Plasta immers hebben getracht om, voor wat betreft de jaren vanaf 2004, onder de betalingsverplichting terzake van de 3 % provisie, uit te komen. Een dergelijk handelen van Plasta - wat daar verder ook van zij - kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad van Plasta jegens Expotrade, als bedoeld in artikel 6:162 BW.

3.6 Tot slot overweegt de rechtbank dat, nu de vordering van Expotrade is ingediend uit hoofde van onrechtmatige daad, waarbij Expotrade uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij de vordering niet uit hoofde van één of meerdere overeenkomsten heeft ingediend, de rechtbank niet alsnog ambtshalve de rechtsgronden in deze zaak, voor wat betreft wanprestatie, kan aanvullen. Dit nog afgezien van het antwoord op de vraag of, gelet op de voornoemde drie in het geding gebrachte overeenkomsten voor bepaalde duur, een vordering van Expotrade jegens Plasta uit hoofde van wanprestatie tot toewijzing van de gevorderde schade zou kunnen leiden.

3.7 Nu thans in het geheel niet is gebleken van een onrechtmatige daad van Plasta jegens Expotrade, zal de vordering van Exportrade worden afgewezen.

3.8 Expotrade dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het onderhavige geding te dragen.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Expotrade in de kosten van de procedure aan de zijde van Plasta gevallen en tot op heden begroot op:

vast recht € 1.435,00

salaris procureur € 2.235,00

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

B