Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC9223

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-04-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
284671 EJ VERZ 08-576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft zich in hoge mate onfatsoenlijk jegens en over de werkgever geuit dat dit een dringende reden-gelijke situatie in het leven roept dat ontbinding zonder vergoeding gerechtvaardigd is. (art. 7:685 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0282

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard-Geleen

Beschikking d.d. 7 april 2008

Rep.no.: 284671 EJ VERZ 08-576

Beschikking op een verzoek ex artikel 7: 685 B.W. .

Op 10 maart 2008 is ter griffie van voormelde locatie een verzoekschrift, met bijlagen,

ingeko¬men van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gom Schoonhouden B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 6161 DC Geleen, gemeente Sittard-Geleen, Hofkamp 30,

Gom, verder te noemen Gom,

gemachtigde: mevrouw mr. E.D. Tanis, advocaat en procureur te Schiedam,

strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met:

[verweerder],

wonende te [adres],

[verweerder], verder te noemen [verweerder],

in persoon procederende,

wegens gewichtige redenen, op de gronden in het verzoekschrift omschreven

Door [verweerder] is op 28 maart 2008 een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Bij telefaxbericht en tevens bij brief van 1 april 2008 heeft de gemachtigde van Gom nog een aantal producties toegezonden.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van heden, maandag 7 april 2008.

Verschenen zijn: Gom, vertegenwoordigd door mevrouw [A], districts- personeelsmanager, bijgestaan door de gemachtigde mevrouw mr. E.D. Tanis en [verweerder] in persoon.

De gemachtigde van Gom heeft bij de mondelinge behandeling het standpunt van Gom nader toegelicht mede aan de hand van en onder overlegging van pleitnotities. [verweerder] heeft zijn verweer vervolgens nader toegelicht.

De uitspraak van de beschikking is hierna bepaald op heden.

Het verzoek

Gom verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden met ingang van de eerst mogelijke datum wegens veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen zonder toekenning van een bruto vergoeding, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

Aan haar verzoek heeft Gom – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

[verweerder], thans 59 jaar oud, is op 19 juni 2000 bij Gom in dienst getreden en is werkzaam in de functie van schoonmaakmedewerker. Het loon van [verweerder] bedroeg laatstelijk

€ 497,75 bruto per periode van vier weken, exclusief emolumenten op basis van 55 contractsuren per periode. [verweerder] verrichtte zijn werkzaamheden vanaf medio 2002 bij Hamilton Sundstrand Customer Supportcenter Maastricht B.V. op Maastricht-Aachen-Airport te Beek.

Sinds eind december 2006 heeft Gom voortdurend e-mails en brieven van [verweerder] ontvangen, waarin alsmaar kritiek wordt geuit op de werkwijze bij de klant, de (slechte) kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden van andere collega's, alsmede ongefundeerde beschuldigingen van diefstal door collega's et cetera. Verder spreekt hij zijn ongenoegen uit over zijn salaris, tijdcorrectie, vakantiedagen en de eigen bijdrage kerstviering. [verweerder] vond het ook noodzakelijk om zijn opdrachtgever (Hamilton) eveneens deelgenoot te maken van zijn inzichten omtrent zijn collega's, in plaats van eventuele problemen te bespreken met zijn leidinggevende.

In een gesprek op 27 december 2007 is gebleken, dat de door [verweerder] geuite kritiek ten aanzien van zijn salaris, tijdcorrectie en vakantiedagen onterecht was. Tot verbazing van Gom liet [verweerder] kopieën zien van contractafspraken met de opdrachtgever Hamilton en opdrachtgever BLG. [verweerder] vertelde hierbij, blijkbaar met de intentie zijn leidinggevenden te imponeren, dat hij óveral connecties heeft. Gom heeft uiteraard direct bij de opdrachtgever Hamilton geverifieerd of deze kopieën aan [verweerder] ter beschikking zijn gesteld. Hamilton heeft Gom verzekerd dat zij deze kopieën niet overhandigd hebben, noch dat zij [verweerder] inzage hebben gegeven in deze facilitaire dossiers. Ondanks verzoek daartoe, heeft [verweerder] geen sluitende verklaring gegeven op welke wijze hij aan de documenten was gekomen. Gelet op deze omstandigheid, heeft Gom geconcludeerd dat [verweerder] op eigen initiatief gehandeld heeft en vertrouwelijke stukken heeft gekopieerd zonder medeweten van de opdrachtgever.

[verweerder] weet, althans behoort te weten dat hij papieren of documenten die hij tijdens zijn werk tegenkomt niet mag lezen of inkijken, laat staan meenemen of kopiëren.

Deze regels zijn o.a. vastgelegd in de Gom wegwijzer, die [verweerder] bij zijn indiensttreding heeft ontvangen. Gom beschouwt de handelwijze van [verweerder] als volstrekt onacceptabel en heeft hem een boete opgelegd wegens het overtreden van het geheimhoudingsbeding, zoals opgenomen in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst.

Het bovenstaande was voor Gom aanleiding om [verweerder] over te plaatsen naar het pand van een andere opdrachtgever. [verweerder] had het vertrouwen van Gom en haar opdrachtgever Hamilton zodanig geschaad dat van Gom niet langer verwacht kon worden

[verweerder] op dit object te werk te stellen. Omdat [verweerder] het gesprek voortijdig had afgebroken en het pand woedend had verlaten, heeft Gom de overplaatsing niet persoonlijk met [verweerder] besproken.

Bij aangetekende brief van 27 december 2006 heeft Gom voornoemd gesprek aan [verweerder] bevestigd. [verweerder] was razend over de aan hem opgelegde boete door Gom wegens het overtreden van het geheimhoudingsbeding. Hij heeft zich dan ook op 2 januari 2007 ziek gemeld.

[verweerder] was kennelijk zo verbolgen dat hij zijn leidinggevende, mevrouw [B] en mevrouw [C], rayonmanager van Gom, bij e-mail van 7 januari 2007 "aansprakelijk" heeft gesteld voor de "onrechtmatige daden" die zij jegens hem zouden hebben begaan. Tevens heeft [verweerder] op 9 januari 2007 een e-mail verzonden naar de contactpersoon van de opdrachtgever Hamilton, de heer [D]. In deze e-mail geeft [verweerder] op onprofessionele en emotionele wijze aan dat hij het niet eens is met de beschuldigingen die Gom heeft geuit. Het feit dat [verweerder] op deze manier contactpersonen van een object benadert en de wijze waarop, is voor Gom onaanvaardbaar.

Op 10 januari 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de personeelsadviseur van Gom, [E] en [verweerder]. Direct bij binnenkomst heeft [verweerder] de

e-mail van 9 januari 2007 aan de opdrachtgever Hamilton demonstratief op tafel gegooid, waarna hij aangaf het niet eens te zijn met de gang van zaken. [verweerder] was niet te kalmeren en bleef zijn onvrede uiten. Deze onvrede richtte zich met name op mevrouw [C], aangezien zij volgens [verweerder] de veroorzaker is van de ontstane situatie. Door de agressieve toonzetting van [verweerder] was het onmogelijk om een constructief gesprek te voeren. Om deze reden is de keuze gemaakt om het gesprek zonder mevrouw [C] voort te zetten. Op het moment dat zij de spreekruimte verliet sprak [verweerder] zijn ongenoegen uit met de volgende woorden: "Loop maar weg, vuil kutwijf". Vervolgens maakte de echtgenote van [verweerder] een aantal stappen voorwaarts om te trachten mevrouw [C] iets aan te doen. Ondanks dat [E] [verweerder] en zijn echtgenote had verzocht te kalmeren, bleven zij beiden hetzelfde onacceptabele gedrag vertonen. Om de situatie niet verder te laten escaleren heeft [E] [verweerder] voorgesteld om zijn echtgenote te laten kalmeren in de wachtruimte. [verweerder] wilde op dat moment het gesprek niet meer voortzetten en heeft zijn echtgenote en dochter verzocht de spullen te pakken en het gebouw te verlaten. Op weg naar buiten heeft [verweerder] naar mevrouw [C] en mevrouw [B] geschreeuwd dat hij hen voor het gerecht ging dagen. Een medewerker van Trigion Beveiligingstechniek, die aan het telefoneren was, heeft [verweerder] verzocht rustig aan te doen. [verweerder] antwoordde hierop met de woorden: "Kom maar naar buiten oude gek, dan zal ik jou een lesje leren ". Het gedrag van [verweerder] is voor Gom ontoelaatbaar en in strijd met hetgeen zij van een goed werknemer mag verwachten. Indien [verweerder] het niet eens is met de inhoud van een brief, is het mogelijk dit bespreekbaar te maken. Er zijn echter wel bepaalde fatsoensnormen, waaraan [verweerder] zich dient te houden.

Om nógmaals een poging te doen de ontstane situatie met [verweerder] te bespreken en tot een werkbare situatie te komen, heeft er op 16 januari 2007 een gesprek plaatsgevonden, waarbij de rechtskundige van [verweerder], de heer [F] eveneens aanwezig was. In dat gesprek heeft de [E] nogmaals een toelichting gegeven op de ontstane situatie en de beschuldiging van Gom jegens [verweerder] wegens het overtreden van het geheimhoudingsbeding.

Tijdens het gesprek gaf [verweerder] aan dat hij een kopie van het vertrouwelijk stuk heeft ontvangen van iemand die werkzaam is op het object. Echter, [verweerder] wilde de naam van deze bron niet prijsgeven, waardoor Gom niet in de gelegenheid werd gesteld om het

verhaal van [verweerder] te toetsen. In het gesprek heeft [verweerder] vermeld dat hij slechts in een gerechtelijke procedure zijn verhaal zal toelichten. Gom heeft [verweerder] te kennen gegeven dat zij welwillend is om de ontstane situatie samen met [verweerder] op te lossen. Omdat [verweerder] geen sluitende verklaring heeft gegeven waarom hij in het bezit is van vertrouwelijke gegevens van de opdrachtgever, waarom deze aan [verweerder] zijn verstrekt en op wiens initiatief [verweerder] deze vertrouwelijke gegevens in het bezit heeft gekregen, heeft Gom de opgelegde sanctie gehandhaafd.

Gelet op de misdragingen van [verweerder] had het op zijn weg gelegen ten minste zijn excuses aan Gom aan te bieden. In plaats daarvan, heeft Gom op 15 februari 2007 een rekening van [verweerder] ontvangen, waarin hij verzuim-betaling van € 2.300,-- vordert, alsmede zijn eigen administratiekosten á € 376,25. Hoewel Gom [verweerder] had verzocht zijn werkzaamheden op een andere locatie te hervatten, heeft Gom na ampel beraad met de opdrachtgever besloten [verweerder] nog een kans te geven en zijn werkzaamheden op het object Hamilton te hervatten in de hoop dat dit de werkrelatie zou normaliseren. Dit is ook de reden waarom Gom uiteindelijk heeft besloten op de opgelegde boete te laten vervallen.

Op 22 februari 2007 heeft [verweerder] zijn werkzaamheden hervat. Nota bene nog geen paar uur later werd Gom benaderd door collega's van [verweerder], alsmede door de opdrachtgever met klachten over het gedrag van [verweerder] op het object. De collega's van [verweerder] beklaagden zich over het feit dat [verweerder] tegen hen had gescholden en dat zij zich hierdoor geïntimideerd voelden.

De districtspersoneelsmanager, mevrouw [A], heeft [verweerder] dezelfde dag nog persoonlijk geconfronteerd met voornoemde klachten. De rechtsadviseur van [verweerder], de heer [F], was eveneens bij dit gesprek aanwezig. Volgens [verweerder] heeft hij zijn collega's gewezen op het feit dat zij het object niet goed hadden schoongemaakt en hen aangesproken op het niet dragen van werkkleding.

Mevrouw [A] heeft meegedeeld dat de visie van zijn collega's op het incident een andere was en heeft [verweerder] uitdrukkelijk verzocht, indien er sprake is van eventuele onregelmatigheden op de werkvloer, dit te bespreken met de leidinggevende. Als gevolg van het gedrag van [verweerder] en zijn rechtsadviseur, is ook dit gesprek vroegtijdig beëindigd.

Mevrouw [A] heeft het gesprek op 23 februari 2007 schriftelijk aan [verweerder] bevestigd. Tevens heeft mevrouw [A] in voornoemde brief [verweerder] gewezen op het onacceptabele gedrag van de heer [F] tijdens de bespreking. Bij faxbericht van 23februari 2007 heeft [F] namens zijn cliënt de omschreven omstandigheden betwist en gesteld dat mevrouw [A] haar functie niet aan kan. [verweerder] heeft zijn eigen visie uiteengezet bij brief van 24 februari 2007. De toonzetting van deze brief is onaanvaardbaar en vooral jegens mevrouw [A] belerend en respectloos. Bij brief van 26 februari 2007 aan [verweerder] heeft de advocaat van Facilicom, mr. E.C. Smith, nogmaals het gedrag van [verweerder], alsmede de onprofessionele handelwijze van de heer [F] aan de kaak gesteld en afgekeurd. Daarnaast is de inhoud van het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 23 februari 2008 tussen [verweerder] en de heer [D] van Hamilton bevestigd. In dit gesprek heeft [verweerder] aangegeven dat hij inziet dat zijn gedrag onacceptabel is geweest en heeft hij de bereidheid getoond om met de bewuste collegae in gesprek te gaan om de onderlinge verstandhouding te herstellen. Gelet op de houding van [verweerder] is Hamilton bereid geweest dit voorval als "opstartproblemen" te beschouwen. Hamilton heeft echter wel te kennen gegeven dat indien er wederom problemen worden veroorzaakt tussen [verweerder] en zijn collegae en/of de opdrachtgever Hamilton, zij Gom zullen verzoeken een vervanger voor [verweerder] te vinden. Gelet op alle omstandigheden, werd deze brief beschouwd als laatste waarschuwing voor [verweerder].

Bij brief van 6 maart 2007 heeft mevrouw [A] de nieuwe werkafspraken met

betrekking tot het object Hamilton bevestigd aan [verweerder]. Tevens is [verweerder] bij brief van 9 maart 2007 op de hoogte gesteld dat mevrouw [G] zijn nieuwe leidinggevende zal worden. De contractsuren van [verweerder] zijn in onderling overleg met ingang van 13 maart 2007 aangepast van 60 uur naar 55 uur per periode van vier weken.

Gelet op de duidelijke afspraken over het gedrag van [verweerder], was Gom in de veronderstelling dat hiermee het hoofdstuk was afgesloten. Niets was echter minder waar. In september 2007 is opnieuw gebleken dat [verweerder] alle fatsoennormen aan zijn laars lapte.

Met enige regelmaat bezoeken de inspectrices en rayonmanagers van Gom de opdrachtgevers om op die manier contact met de werknemers te onderhouden. Op 10 september 2007 waren de (nieuwe) inspectrice, mevrouw [H] en de rayonmanager, mevrouw [C] op de locatie aanwezig, waar [verweerder] op dat moment werkzaam was. Toen mevrouw [C] [verweerder] op de locatie zag, leek het haar een geschikt moment om de nieuwe inspectrice aan hem voor te stellen. [verweerder] reageerde hier afwijzend op. [verweerder] nam echter wel de tijd om mevrouw [C] op zeer dringende en dreigende toon te verzoeken de rekeningen van de heer [F] te voldoen. Over de wijze van benadering heeft mevrouw [C] [verweerder] op 21 september 2007 aangesproken. Zij heeft [verweerder] verzocht haar in het vervolg zonder stemverheffing te benaderen, zeker in het bijzijn van (medewerkers van) de opdrachtgever.

Blijkens de e-mail die [verweerder] op 21 september 2007 aan mevrouw [A], heeft [verweerder] deze twee bezoeken kennelijk als "stalken" ervaren. Het moge duidelijk zijn dat van stalking of ook maar enige bedoeling daartoe geen enkele sprake is. Het is gebruikelijk dat dergelijke bezoeken worden afgelegd. Los van vermeende aantijgingen in voornoemde e¬mail, wordt de toonzetting en de wijze waarop [verweerder] de situatie heeft beschreven, absoluut niet gewaardeerd. Bij aangetekende brief van 2 oktober 2007 aan [verweerder] heeft Gom [verweerder] nogmaals op zijn ontoelaatbare gedragingen gewezen.

Bij e-mail van 9 oktober 2007 heeft [verweerder] bericht dat hij op 15 oktober 2007 niet aanwezig zal zijn op zijn werk, in verband met een oproep om voor de Rechtbank te Den Bosch te verschijnen alsmede een vooronderzoek betreffende volgende feiten gepleegd door, mevrouw [C] en mevrouw [B]:

- smaad, intimidatie, stalking et cetera gepleegd jegens dhr. [verweerder]

- verschillende feiten van valsheid in geschrifte

- belastingfraude i.v.m. in dienst hebben van niet wettelijk geregistreerde personen,

- verschuldigde rekeningen, niet voldaan, ook na herhaalde aanmaningen,

- het onrechtmatig ontslag van mevr. [echtgenote verweerder] (volgens CWI, UWV)

- het niet nakomen door Gom van betaling aan mevr. [echtgenote verweerder], ook niet na herhaaldelijk aandringen van advocaten Peters en Boogaart ,

- verzoek tot smartengeld

- en nog verdere eventuele ter zake doende feiten.

Bovendien verzoekt [verweerder] de met hem gemaakte afspraken betreffende nog op te nemen vakantiedagen na te komen.

Omdat Gom de stroom van e-mails van [verweerder] inmiddels beu was en [verweerder] de vermeende feiten tot dan toe weigerde te onderbouwen met steekhoudende argumenten, heeft zij niet gereageerd. Bij e-mail van 19 oktober 2007 bericht [verweerder] onder andere als volgt:

"Tot op dit moment heb ik geen enkele reactie mogen constateren. Of het interesseert niemand een reet, of alle GOM personeel is reeds door justitie gepakt. Zal ik mij tot dezen wenden?"

Bij brief van 6 november 2007 is [verweerder] nógmaals door Gom uitgenodigd voor een

persoonlijk gesprek, de vierde poging van Gom om in overleg tot een werkbare situatie te komen. [verweerder] heeft echter geen gehoor gegeven aan de uitnodiging van Gom en is niet verschenen. In een e-mail van 9 november 2007 heeft [verweerder] laten weten dat hij alleen schriftelijk via zijn rechtsadviseurs benaderd wil worden. Hiermee heeft [verweerder] elke vorm van normale communicatie met zijn werkgever uitgesloten. Gom heeft [verweerder] laten weten dat de wijze van afmelden en de reden van afmelding voor Gom niet acceptabel zijn.

Op 14 november 2007 heeft [verweerder] mevrouw [A] een e-mail gestuurd vanwege zijn ontevredenheid over de gang van zaken op het object. Diezelfde mail heeft [verweerder] haar op 15 en 19 november 2007 nogmaals toegestuurd. Op 15 november 2007 heeft [verweerder] mevrouw [A] ook een e-mail gestuurd waarin hij aangeeft dat hij van mening is dat hij incompetente leidinggevenden heeft en de klanten wenst de informeren over het vermeend niet naleven van de veiligheidsvoorschriften door Gom.

In een derde e-mail van 19 november 2007 geeft [verweerder] aan dat hij zich vanwege een gebrek aan reactie (na krap 3 werkdagen!) genoodzaakt ziet om klanten te informeren. Voorts zou [verweerder] volgens zijn zeggen het één en ander hebben verklaard bij het Gerechtshof in Den Bosch.

Eveneens op 19 november 2007 laat [verweerder] in een e-mail mevrouw [A] weten dat hij alle brieven heeft doorgestuurd aan de heer [I], algemeen Directeur Schoonmaakdivisie.

Gom had zo langzamerhand haar buik vol van de voortdurende stroom van e-mails, waarin wordt gemanipuleerd en gedreigd door [verweerder]. Gom heeft dan ook [verweerder] per aangetekende brief van 22 november 2007 meegedeeld dat Gom deze vorm van manipulatie niet accepteert, temeer nu [verweerder] op geen enkele wijze bereid is gebleken over het één en ander met Gom in gesprek te gaan. Teneinde te trachten de samenwerking met [verweerder] op een positieve manier voort te zetten, is [verweerder] nogmaals uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op 29 november 2007.

Bij brief van 26 november 2007 heeft de algemeen directeur Schoonmaakdivisie, de heer [I], erop gewezen, dat het niet de plicht is van [verweerder] om opdrachtgevers deelgenoot te maken van zijn inzichten omtrent collega's. [verweerder] dient, in het geval van eventuele misstanden, dit te bespreken met zijn werkgever. Het getuigt van niet goed werknemerschap indien [verweerder] uit eigen beweging contact zoekt met de opdrachtgevers of dreigt daartoe over te gaan, temeer omdat het gaat om verdenkingen van de kant van [verweerder], waarvan allerminst duidelijk is of deze verdenkingen gegrond zijn. Tot slot raadt de heer [I] [verweerder] aan gehoor te geven aan de uitnodiging van mevrouw [A] om op 29 november 2007 in gesprek te gaan.

[verweerder] weigerde echter opnieuw om in gesprek te gaan met Gom en heeft per e-mail op

29 november 2007 laten weten dat Gom voortaan rechtstreeks met zijn juridische adviseurs contact moet opnemen. In de tussentijd werd Gom opnieuw door [verweerder] via e-mail van 23 november 2007 lastiggevallen. Hierin heeft hij op schofferende wijze beschuldigingen geuit, waarbij mevrouw [C], rayonmanager, opnieuw als heks werd betiteld. Bij aangetekende brief van 2 januari 2008 heeft Gom [verweerder] voor de derde keer gewezen op zijn onbehoorlijke manier van communiceren.

Bij e-mail van 7 januari 2008 heeft [verweerder] Gom ervan in kennis gesteld dat hij zijn advocaat opdracht heeft gegeven om een gerechtelijke procedure te starten voor het alsnog verkrijgen van vier dagen bijzonder verlof, waarop hij stelt recht te hebben wegens het overlijden van twee familieleden. Op diezelfde dag heeft [verweerder] zijn leidinggevende een tweede e-mail gestuurd, waarin hij een uitgebreide opsomming van achterstallige

werkzaamheden geeft, zoals hij deze na terugkomst van zijn vakantie heeft aangetroffen. [verweerder] wijt deze achterstallige werkzaamheden aan een slechte vervanging tijdens zijn vakantie. Tijdens een DKS (Dagelijks Kontrole Systeem) van zijn taak op 17 december 2007 is echter gebleken dat [verweerder] zelf zijn schoonmaakwerkzaamheden slecht uitvoert. Zijn leidinggevende wenste dit persoonlijk met hem te bespreken, hetgeen [verweerder] resoluut weigerde. [verweerder] is dan ook uitdrukkelijk gewaarschuwd bij brief 10 januari 2008, waarbij is aangekondigd dat bij herhaling van voornoemd disfunctioneren dit aanleiding kan zijn voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Hoewel Gom voldoende aanleiding zag om tot onmiddellijke beëindiging van het dienstverband met [verweerder] over te gaan, heeft Gom getracht om met diens gemachtigde een minnelijke regeling te treffen.

Ondanks herhaalde pogingen van Gom om de gemachtigde hierover te spreken, is het uiteindelijk niet gelukt de reden van afwijzing van het voorstel door [verweerder] te achterhalen. Wat betreft het disfunctioneren was [verweerder] reeds een gewaarschuwd man, gelet op de brief van Gom van 10 januari 2008. Bij de controleronde van 28 februari 2008 door Seiso B.V., bleek dat het functioneren van [verweerder] opnieuw ver beneden de maat was.

Alsof dit alles niet genoeg was, heeft [verweerder] zich eind februari 2008 bij de politie te Stein gemeld en aangifte gedaan van poging tot doodslag door zijn rayonmanager, mevrouw [C]. Dit vermeende misdrijf zou volgens [verweerder] op 21 september 2007 hebben plaatsgevonden.

De periode tussen het vermeende incident en de aangifte bedraagt maar liefst ruim vijf maanden.

Ook in de e-mail van 21 september 2007 die [verweerder] heeft gestuurd aan mevrouw [A], wordt geen enkele melding gemaakt van een poging tot doodslag. Hoewel mevrouw [C] bij de politie de beschuldiging van [verweerder] heeft weerlegd, overweegt de politie om personeelsleden van Hamilton (de opdrachtgever van Gom) te horen. Door deze volgens Gom valse aangifte van [verweerder], wordt de opdrachtgever (opnieuw!) betrokken, waarvan de opdrachtgever geheel niet gediend is! Sterker nog, door voornoemde aangifte door [verweerder] is de kans aanwezig dat Gom hierdoor haar gehele object verliest, met alle gevolgen van dien. Gom heeft bij brief van 6 maart 2008 [verweerder] meegedeeld dat voor haar de maat hiermee vol is. Het herhaaldelijk disfunctioneren alsmede de valse aangifte door [verweerder], is voor Gom de spreekwoordelijke druppel. Gom ziet gelet op de recente gebeurtenissen geheel geen aanleiding om haar aanbod tot het treffen van een minnelijke regeling te herhalen.

[verweerder] heeft het vertrouwen van Gom in hem zo ernstig beschaamd, dat de arbeidsverhouding tussen [verweerder] en Gom onherstelbaar is verstoord. Tevens dient [verweerder] zich als een goed werknemer te gedragen. Zijn uitermate schofferende wijze van communiceren, jegens Gom, getuigt daar geenszins van. Bovendien verwacht Gom van [verweerder] dat hij zijn werkzaamheden als schoonmaakmedewerker naar behoren uitvoert. De recente controles tonen aan dat van behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden door [verweerder] geen sprake is. Sterker, het is zwaar onvoldoende en de ruimtes die [verweerder] dient schoon te houden zijn ronduit smerig. Naast het feit dat [verweerder] het vertrouwen van Gom ernstig heeft beschaamd, heeft hij tevens Gom in diskrediet gebracht.

Nu het vertrouwen is geschaad is een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk. Gelet op de verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder] komt hem naar de mening van Gom geen vergoeding toe.

Bij de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Gom er nog op gewezen, dat [verweerder] bij e-mail van 12 maart 2008 opnieuw beschuldigingen jegens Gom heeft geuit en dat diezelfde dag ook BLG Hypotheken, een opdrachtgever van Gom, een brief van [verweerder] heeft ontvangen, waarin deze diverse ongefundeerde beschuldigingen heeft geuit en heeft geïnsinueerd dat Gom verantwoordelijk was voor verschillende vermissingen in de periode 2004 – 2006. Tevens heeft [verweerder] diezelfde dag op het project Hamilton bij circa 80 personeelsleden een enquêteformulier achtergelaten met het verzoek om een beoordeling van zijn functioneren. Naar aanleiding hiervan heeft Hamilton verzocht [verweerder] per direct de toegang tot het object te ontzeggen en te vervangen door een andere schoonmaakmedewerker. Voorts heeft Gom van BLG Hypotheken een andere brief van [verweerder] ontvangen, waarin deze de directeur verzoekt om aan het personeel kenbaar te maken dat het verdwijnen van de heer van mevrouw [verweerder] geenszins aan hen te verwijten is.

Deze omstandigheden zijn voor Gom aanleiding geweest om [verweerder] per direct op non-actief te stellen. Al deze gedragingen van [verweerder] worden door Gom beschouwd als dringende redenen, die tot gevolg hebben dat van Gom niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren. Gom heeft het petitum van haar verzoekschrift dan ook aangevuld in die zin dat zij primair verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens dringende redenen en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden, in de vorm van een ernstige verstoring van de arbeidsrelatie en disfunctioneren, zonder enige vergoeding aan [verweerder] toe te kennen.

De vorderingen, die [verweerder] meent te hebben op Gom, dient [verweerder] in een eventuele afzonderlijke dagvaardingsprocedure aan de orde te stellen.

Het verweer.

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de verzochte ontbinding en heeft primair verzocht het verzoek af te wijzen. Subsidiair heeft [verweerder] verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst de nog openstaande rekeningen en vergoedingen toe te wijzen en te bepalen dat deze dienen te worden voldaan vóór de ingangsdatum van de ontbinding, met veroordeling van Gom in de proceskosten.

[verweerder] heeft – kort en zakelijk weergegeven – het navolgende als verweer aangevoerd.

[verweerder] kan het door Gom gestelde niet erkennen en heeft middels een samenvatting van de gebeurtenissen, een door hem als zodanig aangeduide “analyse van de door de GOM naar voren gebrachte schriftelijke stukken” alsmede de door hem zelf in het geding gebrachte schriftelijke stukken, zijn standpunt uitgebreid onderbouwd.

Volgens [verweerder] heeft Gom niet enig tastbaar feit aangevoerd waaruit blijkt dat [verweerder] documenten zou hebben ontvreemd. Uit het onderzoek van [E] is naar voren gekomen dat bij BLG de heer [J] zich de documenten heeft toegeëigend en bij Hamilton iemand anders dan [verweerder]. Waarom [E] deze wetenschap voor zich heeft willen houden, blijft volgens [verweerder] onduidelijk.

[verweerder] stelt zijn functie van schoonmaker sinds 19 juni 2000 steeds naar eer en geweten te hebben vervuld. Op zijn functioneren is dan ook nimmer de geringste aanmerking geweest tot enige weken geleden. Wel erkent [verweerder], dat er sinds langere tijd, vanaf ongeveer december 2006, enig verschil van mening bestaat tussen partijen. [verweerder] stelt overvallen te zijn door de beëindigingsovereenkomst van 4 februari 2008 alsmede het onderhavige verzoekschrift van 7 maart 2008.

[verweerder] is dan ook primair de mening toegedaan dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat dit berust op een foute argumentatie, onterechte beschuldigingen en in het geheel niet door Gom bewezen omstandigheden. Het argument dat een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk is op grond van verwijtbaarheid aan zijn zijde, ervaart hij als uiterst laakbaar en kwetsend. Indien toch termen aanwezig

worden geacht om het verzoek toe te wijzen, wenst [verweerder] aanspraak te kunnen maken op de nog openstaande rekeningen, waarvan een overzicht is bijgevoegd, alsmede op een vergoeding als aanvulling op een werkloosheidsuitkering en geleden fysieke en psychische schade, door Gom veroorzaakt aan [verweerder] en aan diens familie.

Motivering van de beslissing.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat door de gedragingen van [verweerder] er sprake is van omstandigheden, die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld door Gom opgezegd zou zijn. Ten gevolge van die gedragingen kan van Gom redelijkerwijze niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is sprake van een volstrekt onwerkbare verhouding.

De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden per heden, 7 april 2008, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder], nu ontbonden wordt op grond van omstandigheden, die gelijk zijn aan een dringende reden.

De onderhavige procedure leent zich niet voor een onderzoek naar de door [verweerder] bedoelde rekeningen en schadevergoeding; deze zullen desgewenst moeten worden gevorderd in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure.

De kantonrechter zal de proceskosten compenseren, zoals hierna bepaald.

D E B E S L I S S I N G :

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van heden 7 april 2008.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus in het openbaar gegeven door mr. J.J. Groen, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

coll: