Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC9101

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
03-710154-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het strafrecht houdt achterdeur coffeeshops dicht in het kader van het softdrugsbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/710154-06

Datum uitspraak: 9 april 2008

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2008 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 november 2006 in de gemeente Maastricht meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 17 november 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 800 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hasjiesj en/of ongeveer 3000 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman van de verdachte heeft als verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat er een tweetal beginselen van goede procesorde zijn geschonden, namelijk het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd - kort gezegd - dat in casu opsporingshandelingen zijn verricht die volstrekt duidelijk maken dat sprake is geweest van gerichte opsporing van de bevoorrading van een gedoogde coffeeshop, terwijl de lokale driehoek hierover uitdrukkelijk anders heeft beslist. Hierdoor is het vertrouwensbeginsel geschonden.

Doordat een dergelijk arbeidsintensief opsporingsonderzoek slechts bij één gedoogde coffeeshop is ingesteld, is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bij iedere coffeeshop zal observatie door de politie leiden tot de ontdekking van een bevoorrading.

De rechtbank overweegt het volgende.

Onder strikte voorwaarden wordt de verkoop van softdrugs in coffeeshops gedoogd. Dit officiële gedoogbeleid heeft echter slechts een beperkte reikwijdte, namelijk het ziet alleen op de verkoop van softdrugs en het op voorraad hebben van een beperkte hoeveelheid van softdrugs. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit gedoogbeleid van rijkswege is gewijzigd of dat door de rijksoverheid en het College van procureurs-generaal andere kenbare standpunten in de gedachteontwikkeling met betrekking tot dit gedoogbeleid zijn ingenomen.

De door de raadsman ingebrachte stukken zien enkel op de lokale gedachteontwikkeling in het kader van een op 31 oktober 2007 te Den Haag gehouden conferentie (Resolutie Invitational Conference Cannabisbeleid). De uiteindelijke slotverklaring van deze conferentie is zo ruim geformuleerd dat, nog daargelaten of van deze verklaring een bindende werking kan uitgaan, hierin op geen enkele wijze een legalisering dan wel een gedogen van de aanvoer en een ruimer voorraadbeheer van softdrugs kan worden gelezen.

Ook de overige door de raadsman ingebrachte stukken, waaronder een notitie ten behoeve van het driehoeksoverleg, geven geen steun aan de stelling van de raadsman dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.

De rechtbank is van oordeel dat evenmin het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De rechtbank is niet gebleken van soortgelijke zaken waarin hetgeen de raadsman stelt heeft geleid tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank verwerpt derhalve het gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 november 2006 in de gemeente Maastricht, meermalen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 17 november 2006 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 800 gram hasjiesj en ongeveer 3000 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdvierentachtig uren.

De raadsman heeft primair bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging en subsidiair ervoor gepleit dat de door de raadsman ter terechtzitting geschetste bijzondere omstandigheden bij het bepalen van de strafmaat worden betrokken.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte terzake van soortgelijke feiten nog niet eerder is veroordeeld.

De in de beslissing onder de volgnummers 1, 2, 4 en 5 als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is begaan.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Ten aanzien van het onder volgnummer 6 genoemde in beslag genomen goed is thans niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Ten aanzien van het onder volgnummer 3 genoemde in beslag genomen goed zal de rechtbank de teruggave gelasten aan de verdachte.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van HONDERDVIERENTACHTIG uren;

- verstaat dat deze taakstraf moet zijn voltooid binnen één jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van tweeënnegentig dagen zal worden toegepast;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

nr. 1. 800 gram hasjiesj;

nr. 2. 3000 gram verdovende middelen;

nr. 4. 5700 gram hasjiesj;

nr. 5. 16000 gram verdovende middelen;

- gelast de teruggave aan de verdachte voornoemd van het inbeslaggenomene, te weten:

nr. 3. een personenauto, Audi A6 121 kw 2001, kenteken [nummer kenteken], kleur zwart;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten:

nr. 6. een gsm, kleur grijs, Nokia 1600 rh-64.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. M.M. Beije en

mr. Th.J.M. Oostdijk, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 9 april 2008.