Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC7133

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
127144/FT RK 08-199
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

19 maart 2008 rechtbank Maastricht /civiel/ insolventies/schuldsaneringen/ artikel 287a Fw/ afwijzing dwangakkoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 127144 / FT RK 08-199

Vonnis van 19 maart 2008

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekster

tegen

VGZ Zorgverzekeraar N.V.

gevestigd te Nijmegen,

verweerster

1. De procedure

1.1. Verzoekster heeft op 19 februari 2008 een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) ingediend. De verzoeken zijn ter terechtzitting van 11 maart 2008 mondeling behandeld.

1.1. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

1. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1. In een van de bijlagen bij het verzoekschrift is vermeld dat verzoekster bij verschillende crediteuren schulden heeft, in totaal voor een bedrag van € 3.135,80. Ter terechtzitting is gebleken dat deze lijst niet actueel is en dat twee schulden (bij WML en Natufit) inmiddels zijn voldaan. De rechtbank begrijpt dat de totale schuldenlast momenteel

€ 3050,18 bedraagt. De vordering van VGZ beloopt € 700,00.

2.2. Verzoekster heeft met behulp van de Kredietbank Limburg (hierna: de Kredietbank) op of omstreeks 4 september 2007 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt - samengevat – in dat zij gedurende 3 jaar maandelijks een bedrag van € 96,32 zal sparen op de budgetbeheerrekening bij de Kredietbank, dat de

Kredietbank van het gespaarde bedrag aan het eind van ieder jaar een uitkering zal doen, zodanig dat na ommekomst van deze 3 jaar 95,11% van iedere schuld zal zijn voldaan.

2.3. De onder 2.2. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve door VGZ aanvaard, volgens verzoekster omdat VGZ de looptijd van de regeling te lang vond.

2.4. Verzoekster ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Op grond van medische en psycho-sociale problematiek bij verzoekster is niet te verwachten dat haar inkomen wijziging (verhoging) zal ondergaan. Verzoekster heeft één minderjarige zoon, die na het aanbieden van de minnelijke regeling uit huis is geplaatst, maar nu weer bij verzoekster woont. Volgens verzoekster wordt thans onderzocht of haar zoon weer uit huis wordt geplaatst. In dat geval zal zij een onderhoudsbijdrage van € 117,00 per maand moeten betalen

2.5. Ter zitting is gebleken dat de Kredietbank bij de berekening van het bedrag dat verzoekster maandelijks kan sparen, is uitgegaan van strengere normen dan die worden gehanteerd bij de berekening van het vrij te laten bedrag in de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.6. Verzoekster is in 2000 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (de Wsnp) die in 2002 met een schone lei is afgerond zonder dat alle schulden volledig werden voldaan.

1. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

1.1. Verzoekster heeft in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht VGZ te bevelen in te stemmen met de onder 2.1 bedoelde schuldregeling.

1.1. VGZ heeft geen verweer gevoerd.

1. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

1.1. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat VGZ, alhoewel behoorlijk opgeroepen en aldus op de hoogte moet worden geacht van het verzoek, geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank dient aldus te beoordelen of het verzoek haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt.

4.2. In artikel 287a Fw is bepaald dat een verzoek als het onderhavige slechts kan worden toegewezen als VGZ in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door verzoekster voorgestelde schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.3. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek hecht de rechtbank zwaarwegend belang aan het feit dat de Wsnp korter dan tien jaar geleden op verzoekster van toepassing is geweest en dat reeds daarom, gelet op het bepaalde in artikel 288, tweede lid onder d, Fw, haar verzoek tot toelating tot de schuldsanering niet kan worden toegewezen. Alhoewel deze omstandigheid strikt genomen niet aan een bevel als bedoeld in artikel 287a Fw in de weg staat, speelt die wel een rol bij de beoordeling van de weigering van VGZ om in te stemmen

met een buitengerechtelijke schuldregeling. Bij de beoordeling van de (on)redelijkheid van deze weigering zal de rechtbank immers geen vergelijking kunnen maken met het bedrag

dat VGZ en de overige schuldeisers zouden kunnen verwachten indien op verzoekster de Wsnp van toepassing zou worden verklaard.

4.4. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser, zoals VGZ, in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van haar vordering, vermeerderd met rente wordt voldaan. Het gegeven dat verzoekster tot 2012 in ieder geval geen toegang tot de Wsnp, onderstreept dat uitgangspunt nog eens. Dat verzoekster momenteel, door een beslag op haar uitkering door een andere schuldeiser, helemaal niet kan aflossen op haar schuld aan VGZ, doet daaraan niet af. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan het volledige bedrag waar VGZ recht op zou hebben bij volledige betaling door verzoekster, is het belang van VGZ bij weigering van die regeling een gegeven.

4.5. De rechtbank dient voorts te onderzoeken of door de weigering van VGZ de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers worden geschaad en zo ja, of die belangen zwaarder wegen dan het belang van VGZ om haar bevoegdheid tot weigering uit te oefenen.

4.6. Bij de beoordeling van deze vraag acht de rechtbank van belang dat het aangeboden akkoord niet een betaling aan de schuldeisers ineens behelst. Dit is in vergelijkbare gevallen – akkoordaanbieding in faillissement of wettelijke schuldsanering – totaal anders. Verzoekster gaat sparen voor haar schuldeisers, die – als alles naar verwachting verloopt – na ommekomst van drie jaar betaling van 95,11% van hun (huidige dus gefixeerde) vordering tegemoet kunnen zien. Door verzoekster, noch een derde, wordt de garantie geboden dat verzoekster na drie jaar inderdaad voldoende heeft gespaard om aan deze afspraak gevolg te geven.

4.7. De rechtbank heeft redenen om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid, casu quo nakoming van de aangeboden regeling. Gelet op het feit dat verzoekster in de aangeboden regeling meer zal moeten sparen dan waartoe zij op grond van de recofa-berekening in staat moet worden geacht, maakt de aangeboden regeling zeer risicovol, nu verzoekster in drie jaar tijd nauwelijks financiële armslag zal hebben om eventuele tegenvallers op te vangen. Het risico op weer nieuwe schulden, met nieuwe schuldeisers die niet gehouden zijn aan de aangeboden regeling, is dan ook niet ondenkbeeldig. Het feit dat verzoekster 5 jaar ná een eerdere WSNP opnieuw in de schulden zit, toont dat ook aan.

4.8. Daarbij speelt nog de omstandigheid dat de zoon van verzoekster waarschijnlijk op korte termijn uit huis geplaatst zal worden, met nu nog onbekende gevolgen voor de hoogte van de uitkering van verzoekster. Wel staat vast dat verzoekster in dat geval een onderhoudsbijdrage van € 117,00 per maand moet gaan betalen. Ook deze omstandigheid brengt mee dat een succesvolle uitvoering van de aangeboden regeling allerminst zeker is.

4.9. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat momenteel geen zekerheid bestaat dat verzoekster het door haar aangeboden akkoord inderdaad zal kunnen nakomen. Hieruit volgt tevens dat niet geoordeeld kan worden dat de schuldeisers die wél hebben ingestemd met het akkoord, zwaarwegende belangen hebben bij het doorgaan van het akkoord.

4.10. Datzelfde geldt voor verzoekster. Zij heeft uiteraard belang bij een doeltreffende schuldenregeling, mits deze haalbaar is en uitzicht geeft op het schuldenvrij zijn na afloop van de termijn. Uit het voorgaande blijkt dat dit alleszins onzeker is.

4.11. Allesoverziende komt de rechtbank tot het oordeel dat VGZ in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen, nu dit de rechtbank ongegrond voorkomt.

1. De beoordeling van het verzoek tot toelating in de schuldsanering

5.1. Het verzoek tot toelating in de Wsnp wordt, zoals in rechtsoverweging 4.3. reeds is overwogen, eveneens afgewezen, nu er sprake is van de afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 288, tweede lid, onder d. Fw.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Henzen, A.P.A. Bischeroux, rechters, en mr. P. Frenay, rechter-plaatsvervanger en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2008.

AB