Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC6796

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
126155 - KG ZA 08-22
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

artikel 843a Rv, inzage of afschrift van bescheiden, rechtmatig belang, rechtsbetrekking, huwelijksgoederengemeenschap, aandeelhouder, bankgeheim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 12 maart 2008

Zaaknummer : 126155 / KG ZA 08-22

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.M.H.J. Rompelberg;

tegen:

de coöperatie COOPERATIEVE RABOBANK STEIN EN BEEK UA,

gevestigd te Beek,

gedaagde,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen,

advocaat mr. D.S. van Lith.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: “[eiseres]”, heeft gedaagde, hierna te noemen: “de bank”, bij exploot van 25 januari 2008 gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 27 februari 2008, heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten. De bank heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties. Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd. Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Het geschil kan, voor zover relevant kort samengevat, als volgt worden weergegeven.

[eiseres] is onder algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [de man] (hierna [de man]). Zij is op [datum] van hem gescheiden. De gemeenschap is nog niet gescheiden en gedeeld. In de huwelijksgoederengemeenschap vallen alle aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de man] (hierna de Holding)”. [de man] is eigenaar van 90% van de aandelen en [eiseres] is eigenaresse van 10%. [de man] is enig bestuurder van de Holding en de Holding is op haar beurt enig aandeelhoudster en bestuurster van de volgende vier besloten vennootschappen:

1. [ rechtspersoon 1];

2. [ rechtspersoon 2];

3. [ rechtspersoon 3];

4. [ rechtspersoon 4].

2.2. Partijen zijn thans doende met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. [eiseres] stelt dat die verdeling moeizaam verloopt vanwege het feit dat zij daarbij herhaaldelijk wordt geconfronteerd met handelingen van [de man] inhoudende dat hij:

a. activa die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren voor [eiseres] verborgen houdt;

b. activa aan de huwelijksgoederengemeenschap onttrekt en dit zo mogelijk voor [eiseres] verborgen houdt.

[eiseres] stelt, kort gezegd, dat [de man] in januari 2005 een zekere [ persoon] een pand heeft laten kopen en in eigendom aan haar overdragen terwijl hij, [de man], economisch eigenaar werd en hij, [de man], zonder toestemming en medeweten van [eiseres] zich voor de geleende som die is gebruikt ter betaling van het pand als mede-kredietnemer heeft verbonden. De bank wist, althans behoorde te weten dat [de man] ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor zijn mede hoofdelijk schuldenaarschap de toestemming nodig had van zijn echtgenote. [eiseres] stelt dat zij vanuit de hoedanigheid van in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenote partij is bij de rechtsbetrekking [de man]-bank.

[eiseres] stelt verder dat er gegronde vermoedens zijn dat [de man] staande huwelijk meerdere transacties, met medewerking van de bank verricht, voor haar verborgen heeft gehouden.

2.3. [de man] weigert aan [eiseres] openheid van zaken te geven over de omgang van de huwelijksgoederengemeenschap (en/of de omvang van de activa van de vennootschappen waarin partijen aandelen hebben). Daarnaast betaalt hij de door de rechter opgelegde alimentatie niet, dan wel onvolledig, stellende dat hij armlastig is en over onvoldoende inkomen beschikt. Gelet op deze omstandigheden heeft [eiseres] belang bij een zo spoedig mogelijke verwezenlijking van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Nu [de man] weigert aan [eiseres] díe informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de bepaling van de huwelijksgoederengemeenschap en de vennootschappen, alsmede de bepaling van de rechten en verplichtingen die [eiseres] terzake de huwelijksgoederengemeenschap en de vennootschappen heeft, heeft zij zich tot de bank gewend met het verzoek om haar een schriftelijk overzicht te verstrekken van alle door de onder 2.1. genoemde (rechts)personen bij de bank aangehouden tegoeden en van alle geldleningen en/of kredieten tussen de bank en één of meerdere van voornoemde (rechts)personen.

2.4. Nu de bank ook na daartoe te zijn gesommeerd weigert [eiseres] de gevraagde informatie te verstrekken, terwijl [eiseres] daar, gelet op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), recht op heeft, heeft zij zich in kort geding tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om de bank:

1. te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van een in dezen te wijzen veroordelend vonnis, door afgifte op het woonadres van [eiseres] of het kantooradres van haar procureur, een schriftelijk overzicht aan [eiseres] ter hand te stellen van alle:

a. door de onderstaande (rechts)personen bij de bank aangehouden tegoeden;

b. alle geldleningen en/of kredieten tussen gedaagde en één of meerdere van de onderstaande (rechts)personen:

- de heer [de man] (geboren te Heerlen [datum]); en/of

- Holding B.V.; en/of

- [ rechtspersoon 1]; en/of

- [ rechtspersoon 2]; en/of

- [ rechtspersoon 3]; en/of

- [ rechtspersoon 4]

2. te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van een in dezen te wijzen veroordelend vonnis, door afgifte op het woonadres van [eiseres] of het kantooradres van haar procureur, afschrift of uittreksel te verschaffen van alle relevante voor zover van toepassing zijnde relevante bescheiden waaronder (doch niet beperkt tot):

- de koopovereenkomst

- de leveringsakte;

- de overeenkomst van geldlening / kredietovereenkomst;

- de hypotheekovereenkomst;

- de hypotheekakte;

- de bankafschriften;

- alle relevante bescheiden waarover de bank kan beschikken en waaruit is af te leiden van welke bankrekeningnummers de financiële verplichtingen zijn voldaan die voortvloeien uit de bedoelde geldleningen en/of kredieten;

- de afrekeningen;

met betrekking tot:

a. de hiervoor onder I sub a van dit petitum bedoelde tegoeden;

b. de hiervoor onder I sub b van dit petitum bedoelde geldleningen en/of kredieten, waaronder (doch niet beperkt tot) het kredietdossier betreffende [adres] (hoogstwaarschijnlijk bij gedaagde bekend als kredietdossier [nr] );

Alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per (gedeelte van een) dag dat de bank nalatig zou blijven om aan (een van) deze veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 1.000.000,-- althans elke andere voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

3. te veroordelen om aan [eiseres] te betalen, de kosten van dit geding, alsmede alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende.

2.5. De vordering wordt door de bank weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang bij de beoordeling ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. De bank betwist dat er sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van [eiseres]. Volgens de bank heeft [eiseres] de door haar gevraagde stukken reeds in haar bezit, dit blijkt immers uit het feit dat zij zelf deze stukken in het kader van deze procedure heeft overgelegd. Uit deze stukken blijkt bovendien dat zij met [de man] recentelijk weer een bespreking heeft gehad waarbij [de man] de scheiding en deling niet meer (geheel) uit de weg gaat. Vanwege deze door [eiseres] aangedragen feiten is de bank van mening dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij deze kort geding procedure.

3.2. In dit geding staat vast dat partijen bijna twee jaar geleden zijn gescheiden en dat de huwelijksgoederengemeenschap nog steeds niet volledig is “beschreven” laat staan dat die gemeenschap is gescheiden en gedeeld. Tevens staat vast dat [eiseres] zich behoorlijke inspanning heeft getroost om tot die scheiding en deling te geraken. Alleen dit tijdsverloop en inspanning zonder behoorlijk resultaat brengt al met zich dat thans sprake is van zodanige spoed dat een bodemprocedure niet behoeft te worden afgewacht.

3.3. [eiseres] baseert haar vordering op het bepaalde in artikel 843a Rv. De voorzieningenrechter zal aan de hand van de bezwaren van de bank beoordelen of de vordering geheel of gedeeltelijke kan worden toegewezen.

3.4.1 De bank heeft betwist dat er sprake is van een rechtsbetrekking. Alleen al uit hoofde van de tussen [eiseres] en [de man] bestaand hebbende gemeenschap die nog steeds niet is gedeeld terwijl die gemeenschap vermogensbestanddelen bij de bank heeft aangehouden, is er sprake van een rechtsbetrekking tussen [eiseres], [de man] en de bank. Aan dit vereiste van art. 843a Rv is dus zonder meer voldaan. Dit geldt met name ook met betrekking tot het kredietdossier betreffende [adres] te [woonplaats], bij de bank bekend als kredietdossier [nr] . Het belang van [eiseres] met betrekking tot deze informatie ligt in het feit dat [de man] bij deze transactie art. 1:88 BW niet in acht heeft genomen, alsmede in het feit dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, nu zowel [de man] als [ persoon] weigeren haar te informeren, moeilijk op een andere wijze aan deze informatie kan komen.

3.4.2. Waar [eiseres] én aandeelhouder is van de Holding én in gemeenschap is gehuwd met de enige andere aandeelhouder van de Holding terwijl is gesteld noch gebleken dat de Holding meer is dan het vehikel waarmee enkel en alleen [de man] zaak drijft, moet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een rechtsbetrekking tussen de Holding en [eiseres] en dat de bank wat dat betreft eveneens informatie dient te verstrekken.

3.4.3 Het juridisch verband tussen [eiseres] enerzijds en [ rechtspersoon 1], [ rechtspersoon 2], [ rechtspersoon 3] en [ rechtspersoon 4] . anderzijds is zover van elkaar verwijderd dat niet geoordeeld kan worden dat [eiseres] met deze vier rechtspersonen een rechtsbetrekking heeft. De voorzieningenrechter wijst hierbij met name op het feit dat is gesteld noch gebleken dat [eiseres] op enigerlei wijze juridisch afdwingbare invloed heeft op welke handeling dan ook van enige genoemde vennootschap en dat zij noch [de man] enige invloed hebben op de gang van zaken in die vier vennootschappen. Het is immers, zoals in de dagvaarding is gesteld, de Holding die alle aandelen van deze vier vennootschappen houdt en de Holding die bestuurder is van deze vennootschappen. Voor de beantwoording van wat tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en wat niet is evenmin van belang welke rekeningen deze vennootschappen bij de bank hebben of welke kredieten. Rekeningen noch kredieten behoren immers tot de te scheiden en delen gemeenschap zodat ook vanuit die optiek onvoldoende duidelijk is op welke rechtsbetrekking [eiseres] doelt als zij stelt met deze vier vennootschappen een rechtsbetrekking te hebben. De vordering voor zover betrekking hebbend op enig bescheid dat de bank onder zich heeft van één van deze vier vennootschappen wordt dan ook afgewezen.

3.5.1. [eiseres] verzoekt als echtgenote én als aandeelhoudster én als rechthebbende in een te scheiden en te delen huwelijksgoederengemeenschap informatie omtrent vermogensbestanddelen terwijl voldoende duidelijk is dat haar echtgenoot zacht gezegd onwillig is om die informatie te verschaffen. Het is verder niet onmogelijk dat de bank die informatie heeft. Aldus heeft zij zonder meer rechtmatig belang.

3.6.1 Gelet op ook de belangen van derden in deze zaak (onder meer van de verschillende vennootschappen) is het standpunt van de bank om niet, kort gezegd, zonder rechterlijk inmenging, stukken af te geven, verdedigbaar. Waar de bank in haar pleitnotitie heeft gesteld “weinig tot niets” meer te hebben aan relevante informatie, is onvoldoende duidelijk dat de bank helemaal niets meer heeft zodat wat dat betreft de vordering dient te worden toegewezen.

3.6.2. Het Nederlandse recht kent geen “bankgeheim” en de bank geldt evenmin als erkende verschoningsgerechtigde. Op die gronden kan de bank dus niet ontkomen aan de gevorderde inzage.

Dat de bank met [de man] en/of de Holding geheimhouding heeft afgesproken, regardeert [eiseres], die immers geen contractspartij is, niet terwijl een dergelijke partij-afspraak geen inbreuk kan maken op het aan een derde toekomend wettelijk recht op inzage.

Zonder enige nadere onderbouwing, die niet is gegeven, is het niet zonder meer duidelijk dat een vordering als de onderhavige in dit specifieke geval afgewezen zou moeten worden omdat de vordering in strijd zou zijn met de Wet Bescherming Persoonsgegevens. De voorzieningenrechter gaat dus aan dat verweer voorbij.

3.7.1 Ten slotte doet de bank een beroep op het bepaalde in het vierde lid van artikel 843a Rv door te stellen dat een behoorlijke rechtsbedeling voor [eiseres] ook zonder de onderhavige vordering in kort geding gewaarborgd is, nu [eiseres] andere, minder bezwaarlijke middelen ten dienste staan om aan de noodzakelijke informatie te komen. De bank stelt in dat kader dat [eiseres] diverse personen kan laten getuigen over alle in deze kort geding procedure genoemde zaken en nog veel meer. Ook zou [eiseres] een enquêteprocedure kunnen entameren om de administraties van de vennootschappen te verkrijgen. Kortom het belang van de bank om haar wettelijke en contractuele geheimhoudingsplicht niet te hoeven schenden is groter dan het door [eiseres] gestelde belang tot het ontvangen van de gevorderde bescheiden.

3.7.2. Dit verweer faalt. Voorshands is voldoende aannemelijk dat [de man] de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap frustreert en dat het voor [eiseres] onmogelijk is om op korte termijn aan de noodzakelijke informatie te komen teneinde zo spoedig mogelijk tot een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te komen. De door de bank voorgestelde middelen nemen veel tijd in beslag en zijn niet altijd even betrouwbaar en volledig als de schriftelijke informatie die de bank kan geven. Getuigenverhoren kunnen ook nauwelijks “minder bezwaarlijk” worden genoemd in vergelijking tot afgifte van afschriften.

3.8. Gelet op al het voorgaande zal de gevraagde voorziening worden toegewezen voor zover het betreft informatie met betrekking tot de heer [de man] privé en de Holding B.V. Voor wat betreft de vennootschappen [ rechtspersoon 1], [ rechtspersoon 2] [ rechtspersoon 3] en [ rechtspersoon 4] zal de gevraagde voorziening worden afgewezen. Bovendien zullen de gevorderde dwangsommen worden gemaximeerd tot een bedrag van € 500,-- per dag met een maximum van € 100.000,-- en zal de bank niet binnen twee dagen, maar binnen twee weken na de betekening van het vonnis de in het dictum omschreven informatie dienen af te geven.

De voorzieningenrechter zal de proceskosten compenseren nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt de bank om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, door afgifte op het woonadres van [eiseres] of het kantooradres van haar procureur, een schriftelijk overzicht aan [eiseres] ter hand te stellen van alle:

a. door de heer [de man] (geboren te Heerlen [datum]) en Holding [de man] B.V. bij de bank aangehouden tegoeden;

b. alle geldleningen en/of kredieten tussen de bank en de heer [de man] (geboren te Heerlen [datum]) en Holding B.V.

2. veroordeelt de bank om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, door afgifte op het woonadres van [eiseres] of het kantooradres van haar procureur, afschrift of uittreksel te verschaffen van alle relevante voor zover van toepassing zijnde relevante bescheiden waaronder (doch niet beperkt tot):

- de koopovereenkomst

- de leveringsakte;

- de overeenkomst van geldlening / kredietovereenkomst;

- de hypotheekovereenkomst;

- de hypotheekakte;

- de bankafschriften;

- alle relevante bescheiden waarover de bank kan beschikken en waaruit is af te leiden van welke bankrekeningnummers de financiële verplichtingen zijn voldaan die voortvloeien uit de bedoelde geldleningen en/of kredieten;

- de afrekeningen;

met betrekking tot:

a. door de heer [de man] (geboren te Heerlen [datum]) en Holding B.V. bij de bank aangehouden tegoeden;

b. alle geldleningen en/of kredieten tussen de bank en de heer [de man] (geboren te Heerlen [datum]) en Holding B.V, waaronder (doch niet beperkt tot) het kredietdossier betreffende [adres] te [woonplaats] (hoogstwaarschijnlijk bij de bank bekend als kredietdossier [nr]);

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per (gedeelte van een) dag dat de bank nalatig zou blijven om aan (een van) deze veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 100.000,-- ;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

EvdP