Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC6251

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
AWB 08 / 117, AWB 08 / 118, AWB 08 / 264, AWB 08 / 265, Awb 08 / 271 en AWB 08/272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De verzoeken van de raden van de gemeenten Voeren, Visé en Eijsden zien op het algemeen belang gelegen in de behartiging van een veilige woonomgeving en het voorkomen van overlast. Dit is een belang dat in algemene zin aan de gemeenteraad is toevertrouwd en in die zin als een eigen belang, als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, van de raden van genoemde gemeenten is te beschouwen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook aan de overige vereisten die in het algemeen aan de kwaliteit van het ingeroepen belang wordt gesteld (objectief, actueel en persoonlijk en rechtstreeks bij het besluit betrokken belang) wordt voldaan en komt dan ook tot de conclusie dat er vooralsnog geen aanleiding is de raden van genoemde gemeenten niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb. Hun verzoeken zijn dan ook ontvankelijk.

Verweerder heeft met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verweerder aangedragen omstandigheden onvoldoende objectieve en concrete gegevens behelzen om aannemelijk te maken dat de vestiging van de coffeecorner aan de A-weg een tijdelijk karakter heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van het Bro, wat leidt tot het oordeel dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 17 van de WRO. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten in een eventuele bodemprocedure niet in rechte kunnen worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de verzoeken, voor zover deze ontvankelijk zijn, toe te wijzen en de bestreden besluiten te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 08 / 117, AWB 08/118, AWB 08/264, AWB 08/265, AWB 08/271 en AWB 08/272

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op de verzoeken

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geschil tussen

[A] en [B], wonende te Eijsden, verzoekers sub 1,

Recreatiepark Dagstrand Oost-Maarland BV, gevestigd te Maastricht, Nautisch Centrum Pietersplas BV, gevestigd te Maastricht en Kasteel De Hoogenweert BV, gevestigd te Beek, verzoekers sub 2,

de Raden, Colleges van Burgemeester en Schepenen, en Burgemeesters van de gemeenten Voeren en Visé, verzoekers sub 3,

de Gemeente Eijsden, alsmede de Raad, het College van Burgemeester en Wethouders en de Burgemeester van de gemeente Eijsden, verzoekers sub 4

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

Datum bestreden besluiten: 18 januari 2008

Kenmerk: SEB 07-1171B en 07-0445I,

Behandeling ter zitting: 26 februari 2008

1. Procesverloop

In alle procedures:

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft verweerder aan [C] voor de periode tot en met 7 januari 2011 vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan Portomaar, ten behoeve van het realiseren van drie horeca-inrichtingen met bijkomende gebouwde en ongebouwde voorzieningen, op het perceel gelegen [A-straat], kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie P, nummers 5607, 6224 en 6225.

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft verweerder aan El Barco VOF (hierna: vergunninghouder) een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van ‘De Meeuw’ units op het perceel gelegen [A-straat], kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie P, nummers 6224, 6225 en 6226.

Deze besluiten worden hierna aangeduid als de bestreden besluiten.

In procedures AWB 08/117 en AWB 08/118:

Bij brief van 22 januari 2008 heeft mr. J.L. Stoop, advocaat te Maastricht, namens verzoekers sub 2 en de gemeente Eijsden bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Bij brief van dezelfde datum heeft mr. Stoop de voorzieningenrechter op daartoe aangevoerde gronden verzocht de bestreden besluiten te schorsen. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 8 februari 2008.

Bij brieven van 21 februari 2008 heeft mr. Stoop verweerder en de rechtbank meegedeeld dat het bezwaar en verzoek mede geacht moeten worden te zijn ingediend namens de Raad, het College van Burgemeester en Wethouders en de Burgemeester van de gemeente Eijsden. Deze bestuursorganen zijn tezamen met de gemeente Eijsden aangeduid als: verzoekers sub 4.

In procedures AWB 08/263 en AWB 08/264:

Bij brief van 20 februari 2008 heeft mr. R.J.P. Schobben namens verzoekers sub 3 op daartoe aangevoerde gronden bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Bij brief van 21 februari 2008 heeft mr. Schobben op daartoe aangevoerde gronden de voorzieningenrechter verzocht de bestreden besluiten te schorsen.

In procedures AWB 08/271 en AWB 08/272:

Bij brieven van 25 februari 2008 heeft mr. Stoop verweerder en de rechtbank meegedeeld dat het namens verzoekers sub 2 en verzoekers sub 4 ingediende bezwaarschrift en verzoek om voorlopige voorziening mede geacht moeten worden te zijn ingediend door verzoekers sub 1.

In alle zaken:

Alle verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 26 februari 2008. Verzoekers sub 2 en verzoekers sub 4 zijn verschenen bij gemachtigde mr. Stoop voornoemd en mr. X.P.C. Wynands, advocaat te Maastricht. Verzoekers sub 3 zijn verschenen bij gemachtigde mr. Schobben voornoemd. Verzoekers sub 1 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mrs. Stoop en Wynands voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. D.A. Nymeier, J.G.C. Martinussen en Jans, bijgestaan door mr. R.A.H. Vlecken, advocaat te Maastricht. Vergunninghouder is verschenen bij gemachtigde mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein, vergezeld van [C]. Tevens is verschenen ing. R.H.R. Slangen, senior Adviseur bij Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV.

2. Overwegingen

Voorgeschiedenis:

In de nota coffeeshopbeleid van 28 november 2005, waarmee de raad van de gemeente Maastricht op 20 december 2005 op hoofdpunten heeft ingestemd, heeft verweerder beleid geformuleerd met betrekking tot spreiding van de zich thans in de binnenstad van Maastricht bevindende coffeeshops. Volgens de beleidsnota heeft de spreiding tot doel de overlast die verband houdt met de coffeeshops beter te kunnen bestrijden. Als vormen van overlast worden onder meer genoemd: parkeeroverlast, hinderlijk gedrag, verloedering, geluidsoverlast en rondzwervende personen. Ook vormen de coffeeshops een gevoelige doelgroep voor drugsrunners (straathandelaren) die handelen in harddrugs zoals XTC en cocaïne. Voorts is vermeld dat er sprake is van criminele activiteiten rondom de aan- en verkoop van softdrugs in zijn algemeenheid. In samenhang hiermee is tevens vermeld dat de drugshandel een aantrekkingskracht vormt op niet-ingezetenen, die de wijken bezoeken en daar zorgen voor diverse vormen van overlast. Op diverse plaatsen in de nota wordt benadrukt dat er sprake is van een toegenomen drugstoerisme, gepaard gaande met geweld, criminaliteit, gevaar en maatschappelijke verloedering. Dit roept gevoelens van onveiligheid op.

De thans in geding zijnde besluiten zijn de eerste besluiten waarbij dit beleid concreet ten uitvoer wordt gelegd door middel van verplaatsing van de coffeeshops Mississippi, Smokey en De Smurf naar voornoemde percelen. Bij deze besluiten heeft verweerder met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) met betrekking tot de in rubriek 1 genoemde percelen een tijdelijke vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan Portomaar en vergunning verleend voor de bouw van een zogenoemde coffeecorner op de in rubriek 1 aangeduide percelen.

De ontvankelijkheid van de verzoeken:

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld of, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Alle in de kop van deze uitspraak genoemde verzoekers hebben tijdig bezwaar tegen de bestreden besluiten gemaakt, zodat er uit dien hoofde geen reden is de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren.

Met betrekking tot de vraag of de verzoekers als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers sub 1 kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Tussen partijen is niet in geding dat [A] en [B] rechthebbende, respectievelijk economisch eigenaar zijn van het perceel kadastraal bekend gemeente Maastricht,

sectie P, nummer 6227. Dit perceel grenst aan de percelen waarop verweerder voornemens is de coffeecorner te realiseren. De belangen van verzoekers sub 1 zijn aldus rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken.

Ook de verzoeken van verzoekers sub 2 acht de voorzieningenrechter ontvankelijk. Namens verweerder is ter zitting betoogd dat de aan verzoekers sub 2 toebehorende ondernemingen zich op afstanden, variërend van 600 tot 1.240 meter van de geplande coffeecorner bevinden en dat gelet op deze afstanden niet kan worden gesproken van een directe nabijheid. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de gebruikelijke criteria voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van rechtsmiddelen tegen bouwprojecten in dit geval enige relativering behoeven, aangezien niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat de aard van het beoogde gebruik van de percelen, mede gelet op de in de binnenstad van Maastricht opgedane ervaringen, een uitstraling zal hebben die verder reikt dan tot de directe omgeving van de percelen. De door verzoekers sub 2 geuite vrees dat de vestiging van de coffeecorner in de nabijheid van hun ondernemingen zal leiden tot een terugloop in klandizie acht de voorzieningenrechter niet bij voorbaat zonder grond.

Verzoekers sub 3 hebben doen betogen dat zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb kunnen worden beschouwd. Zoals blijkt uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting komen verzoekers sub 3 op voor “het belang van de inwoners van de gemeenten”. Dit belang hebben zij nader gespecificeerd als: “het woongenot en het recht op een veilige en van overlast gevrijwaarde (woon)omgeving van de bewoners van de gemeenten”. Meer in het bijzonder hebben zij aangevoerd dat de Belgische buurgemeenten ten gevolge van de op grond van de bestreden besluiten te realiseren verplaatsing van de coffeeshops zullen worden geconfronteerd met een toename van onveiligheid en overlast. Daarnaast is aangevoerd dat de realisatie van de coffeecorner een ongewenste (vergroting van de) aanzuigende werking zal hebben op de veelal jeugdige inwoners van de gemeenten Visé en Voeren. Volgens verzoekers sub 3 is het de bedoeling van de gemeente Maastricht de overlast veroorzakende verkoop van soft drugs te verplaatsen naar de ‘bron’, te weten de afnemers uit het buitenland, waarbij onder meer gedoeld wordt op Belgische en Franse drugstoeristen die over de A2 Nederland binnenkomen. Dat deze drugstoeristen straks in het buitengebied aan hun drugsbehoefte kunnen voldoen, zal volgens verzoekers sub 3 een toename van het drugsgebruik tot gevolg hebben en een toename van de overlast voor de direct aan de A2 gelegen gemeenten, waaronder de gemeenten Visé en Voeren.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In artikel 1:2, tweede lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen worden beschouwd.

De voorzieningenrechter heeft in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, noch in de jurisprudentie enig aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat de werking van deze bepaling zich zou beperken tot Nederlandse bestuursorganen. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de bepaling onder andere ziet op colleges en personen aan wie openbaar gezag is toegekend. Dit openbaar gezag moet blijken uit wettelijk opgedragen taken ter uitvoering waarvan bevoegdheden zijn toegekend. Dit heeft mede tot gevolg dat bestuursorganen met een ruim omschreven bevoegdheidssfeer ontvankelijk zijn in bezwaar en beroep als zij getroffen worden in algemene belangen die rechtstreeks met hun bevoegdheidssfeer samenhangen.

Zoals blijkt uit de zojuist gegeven beschrijving komen verzoekers sub 3 op voor een collectief belang, dat de plaatselijke overheden zich hebben aangetrokken. Dit heeft tot gevolg dat het namens verweerder gedane beroep op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 1998 (LJN: ZF3642) niet slaagt, omdat deze uitspraak ziet op een situatie waarin het desbetreffende college van burgemeester en wethouders was opgekomen voor de individuele belangen van de inwoners van de gemeente. De huidige verzoeken zien echter niet op een bundeling van individuele belangen, maar op het algemeen belang gelegen in de behartiging van een veilige woonomgeving en het voorkomen van overlast. Dit is een belang dat in algemene zin aan de gemeenteraad is toevertrouwd en in die zin als een eigen belang van de raden van de gemeenten Voeren en Visé is te beschouwen. De voorzieningenrechter verwijst hiertoe naar de uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 31 maart 1986 (gepubliceerd in tB/S 1985, 56). De voorzieningenrechter tekent hierbij nog aan dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb volgt dat de huidige wettelijke regeling van de toegang van bestuursorganen tot de rechterlijke procedure is gebaseerd op de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het begrip belanghebbende van het toenmalige artikel 4 van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vraag of de gemeenteraden als belanghebbenden in de zin artikel 1:2, tweede lid, van de Awb kunnen worden beschouwd, mede beoordeeld moet worden aan de hand van de overige eisen die in het algemeen aan de kwaliteit van het ingeroepen belang worden gesteld (objectief, actueel, en persoonlijk en rechtstreeks bij het besluit berokken belang).

De voorzieningenrechter acht het belang waarvoor de raden van de gemeenten Voeren en Visé opkomen voldoende objectief bepaalbaar. Het vereiste van het objectief bepaalbare belang strekt ertoe belangen die slechts kunnen worden teruggevoerd tot een subjectieve beleving buiten de sfeer van de rechtsbescherming te houden. Dit heeft onder andere tot gevolg dat natuurlijke personen gewoonlijk niet voor algemene en collectieve belangen in rechte kunnen opkomen. Dit is anders voor privaatrechtelijke rechtspersonen en bestuursorganen. Uit het derde lid van artikel 1:2 van de Awb blijkt dat voor algemene en collectieve belangen wel kan worden opgekomen door privaatrechtelijke rechtspersonen; uit het tweede lid blijkt dat als, zoals in dit geval, een bestuursorgaan zich de behartiging algemene of collectieve belangen heeft aangetrokken, het voor de behartiging van deze belangen in rechte kan opkomen. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor al heeft overwogen komen de raden van de gemeenten Voeren en Visé op voor een algemeen belang, te weten de behartiging van een veilige woonomgeving voor hun inwoners. De voorzieningenrechter ziet in de aard van dit belang geen aanleiding verzoekers hun de toegang tot de rechter te ontzeggen.

Met betrekking tot de vraag of verzoekers sub 3 een voldoende actueel belang hebben bij hun verzoek, in die zin dat hun belang niet louter is ingegeven door vrees voor mogelijke nadelige toekomstige ontwikkelingen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de plannen van verweerder tot deconcentratie van de coffeeshops en verplaatsing van een aantal daarvan naar de buitengrenzen van de gemeente Maastricht heeft geleid tot grote maatschappelijke beroering in de Belgische buurgemeenten. Daarmee staat de politieke actualiteit van het belang van deze gemeenten, waaronder die van Voeren en Visé, vast. Om te spreken van een actueel belang in de zin van artikel 1:2 van de Awb is echter noodzakelijk dat er ook concreet zicht bestaat op de gevreesde nadelige ontwikkelingen die het gevolg zouden zijn van de bestreden besluiten. Voorts dient het belang waarop de raden van de gemeenten Voeren en Visé zich beroepen hun ook persoonlijk te betreffen, in die zin dat dit zich onderscheidt van het belang dat een ieder heeft bij de bestreden besluiten.

Tegen het aannemen van een actueel belang in de zin van artikel 1:2 van de Awb pleit dat er geen zekerheid bestaat over de gevolgen die het oprichten van de coffeecorner voor Voeren en Visé met zich zal brengen. Vast staat in elk geval dat de coffeecorner niet meteen aan de grens wordt gevestigd en dat de Nederlandse lokale en justitiële overheden de volle verantwoordelijkheid nemen voor het tegengaan van mogelijke overlast van de coffeeshops op Nederlands grondgebied. Dat er sprake zal zijn van overlast, ondanks het feit dat het spreidingsbeleid er juist op is gericht de mogelijkheden tot het beheersen daarvan te verbeteren, acht de voorzieningenrechter echter niet bij voorbaat onaannemelijk. In dit verband valt vooral te denken aan mogelijke overlast van drugstoeristen – te onderscheiden van de coffeeshoptoeristen: de groep die zich beperkt tot het kopen en gebruiken van de gedoogde hoeveelheden – en meer in het bijzonder aan de overlast die wordt veroorzaakt door de drugsrunners. Dat deze overlast zich niet zal beperken tot de directe omgeving van de percelen waarop de coffeecorner zal worden opgericht en mede daardoor ook meer in de richting van de Belgische buurgemeenten en ook over de grens wordt verschoven, acht de voorzieningenrechter, gelet op de in de binnenstad van Maastricht opgedane ervaringen, niet bij voorbaat onaannemelijk. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat die overlast volgens voornoemde beleidsnota ook met name wordt toegeschreven aan buitenlandse, in het bijzonder ook Belgische, drugstoeristen. Daar komt bij dat verweerder grote onzekerheid heeft laten bestaan over het aantal te verwachten bezoekers. Werd dat in het bestreden besluit nog op 4.500 per dag bepaald, ter zitting werd dit aantal bijgesteld tot 1000. Verweerder heeft deze geschatte aantallen niet van een concrete onderbouwing voorzien. Gelet op deze overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet gezegd kan worden dat de raden van de gemeenten Voeren en Visé geen voldoende bepaalbaar concreet algemeen belang hebben dat bij de bestreden besluiten is betrokken.

Mede op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat het algemene belang waarop de raden van de gemeenten Voeren en Visé zich beroepen rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken is.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat er vooralsnog geen aanleiding is de raden van de gemeenten Voeren en Visé niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb. Hun verzoeken zijn dan ook ontvankelijk. Bij gebreke van nadere onderbouwing van het meer specifieke belang van de colleges van burgemeester en schepenen, en de burgemeesters van Voeren en Visé acht de voorzieningenrechter het verzoek van deze bestuursorganen niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot het verzoek van verzoekers sub 4 overweegt de voorzieningenrechter dat hetgeen hiervoor met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek de raden van de gemeenten Voeren en Visé is overwogen in nog sterkere mate opgaat voor de raad van de gemeente Eijsden wegens de grotere nabijheid van de geplande coffeecorner tot de gemeente Eijsden. Op grond hiervan acht de voorzieningenrechter ook het verzoek van de raad van de gemeente Eijsden ontvankelijk. Het verzoek van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van Eijsden acht de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk.

Gelet op de directe nabijheid van de gemeente van Eijsden acht de voorzieningenrechter het denkbaar dat ook de gemeente Eijsden als zodanig ontvankelijk is in bezwaar. Nu echter in het kader van deze voorziening niet gesteld is in welke vermogensbelangen de gemeente is geschaad, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek, voor zover dit tevens is gedaan door de gemeente Eijsden, ontvankelijk te achten.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verzoeken overweegt de voorzieningenrechter ten slotte dat verweerder ter zitting , onder verwijzing naar artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet heeft verzocht de verzoeken voor zover deze samenhangen met het bezwaar tegen het besluit waarbij vrijstelling is verleend, af te wijzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou inwilliging van dit verzoek juist in strijd zijn met de door verweerder genoemde bepaling. Deze strekt er immers toe dat een belanghebbende die in rechte tegen de verlening van een bouwvergunning opkomt, niet tevens een afzonderlijk rechtsmiddel hoeft in te stellen tegen het vrijstellingsbesluit waarop de bouwvergunning berust. In artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet kan dan ook geen reden worden gevonden voor het ‘loskoppelen’ van een rechterlijke beslissing over het vrijstellingsbesluit van die over de verlening van de bouwvergunning.

Inhoudelijke beoordeling:

De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat verzoekers, voor zover hun verzoek op grond van de voorgaande overwegingen ontvankelijk is verklaard, een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun verzoek, omdat verweerder aanstonds met de bouwwerkzaamheden heeft willen beginnen. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat bij de door artikel 8:81, eerste lid, van de Awb voorgeschreven weging tussen het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten en de belangen van verzoekers groot gewicht toekomt aan de voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit in een eventuele bodemprocedure niet in rechte zouden kunnen worden gehandhaafd, dan volgt gewoonlijk een toewijzing van het verzoek.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat het belang van verweerder bij een onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten in die zin al moet worden gerelativeerd dat de perceelnummers waarvoor bouwvergunning is verleend niet overeenkomen met de perceelnummers waarvoor tijdelijke vrijstelling is verleend. Namens verzoekers is er terecht op gewezen dat voor het perceel met nummer 6226 geen vrijstelling is verleend, hoewel de realisatie van de tijdelijke coffeecorner op dit perceel strijdig is met het bestemmingsplan Portomaar. Dit leidt ertoe dat de bouwvergunning met betrekking tot dit perceel op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet had moeten worden geweigerd.

Voorts is gebleken dat voor het perceel met nummer 5607 wel vrijstelling is verleend, maar dat voor de op dit perceel te realiseren bouwwerken geen bouwvergunning is aangevraagd en dus ook niet is verleend. Uit de zich in het procesdossier bevindende kadastrale tekening blijkt dat het voornemen bestaat op dit perceeldeel een portierscabine met toiletten te realiseren. Gelet op de uit de tekening blijkende afmetingen is ook dit deel van het bouwplan vergunningplichtig. Dat geldt evenzeer voor de omheining die deel uitmaakt van het plan en waarvoor evenmin bouwvergunning is verleend. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, de bouwtekening waarop genoemde omheining is ingetekend een onlosmakelijk onderdeel vormt van de bouwvergunning en dat de bouwvergunning derhalve eveneens is afgegeven voor plaatsing van genoemde omheining, neemt niet weg dat hiervan duidelijk melding had moeten worden gemaakt in het bestreden besluit. Om een en ander te herstellen zal verweerder dan ook nadere besluiten dienen te nemen.

Tijdelijkheid bouwvergunning en vrijstelling

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder de in geding zijnde vrijstelling en bouwvergunning niet met toepassing van artikel 17 van de WRO heeft kunnen verlenen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In artikel 17, eerste lid, van de WRO is bepaald dat burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling kunnen verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

In aansluiting hierop is in artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (hierna: Bro) bepaald dat vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts wordt verleend, indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

Teneinde te kunnen aannemen dat een bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven, dienen er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals onder meer blijkt uit haar uitspraak van 20 juli 2005 (LJN: AT9666), concrete en objectieve gegevens voorhanden te zijn die daarvoor aanknopingspunten bieden.

Ten betoge dat er sprake is van dergelijke concrete en objectieve gegevens heeft verweerder gewezen op de volgende omstandigheden:

• de vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend voor de duur van drie jaren;

• de percelen waarop de coffeecorner zal worden geplaatst heeft de gemeente gehuurd van de provincie. Deze huurovereenkomst heeft een looptijd van drie jaren. Tevens is een boetebeding opgenomen voor het geval de gemeente de overeenkomst niet zou nakomen;

• de gemeente heeft de percelen op haar beurt doorverhuurd aan een door de betrokken coffeeshopexploitanten opgerichte Stichting “Le Phare”. Ook deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van maximaal drie jaren;

• bij besluit van 17 januari 2008 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat verweerder een tijdelijke vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken verleend voor het maken en behouden van werken ten behoeve van een coffeecorner te Maastricht. In de vergunning is uitdrukkelijk vermeld dat deze voor drie jaren geldt;

• het bouwplan voorziet in de plaatsing van demontabele, niet permanente bebouwing;

• er is een bestemmingsplan in voorbereiding met betrekking tot de definitieve locatie voor vestiging van de coffeecorner;

• met de coffeeshopexploitanten is een regeling getroffen die inhoudt dat, indien na ommekomst van de geldigheidsduur van de verleende vrijstelling en bouwvergunning de gewenste definitieve locatie niet beschikbaar zou zijn, de coffeeshops wederom zullen worden gevestigd op de huidige locaties.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling van 20 juli 2005 (onder meer de uitspraak van 27 juni 1995, nrs. HO1.95.0029 en HO1.95.0034; gepubliceerd in De gemeentestem 7036, nr. 6) stelt de voorzieningenrechter voorop dat de omstandigheid dat een verleende vrijstelling voor een maximum termijn is verleend, op zichzelf onvoldoende waarborg biedt dat er sprake is van een tijdelijke situatie.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder zich ter onderbouwing van zijn stelling dat er voldoende concrete en objectieve gegevens voorhanden zijn om aannemelijk te maken dat er sprake is van een tijdelijke vestiging van de coffeecorner aan de [A-straat], in belangrijke mate beroept op contractuele bedingen. De voorzieningenrechter is met verzoekers van oordeel dat in het 16 januari 2008 tussen de drie individuele coffeeshopexploitanten en de gemeente Maastricht gesloten prestatiecontract niet meer dan een inspanningsverplichting voor de gemeente inhoudt om een vestiging van de coffeeshops op een definitieve locatie mogelijk te maken, gekoppeld aan een verplichting voor de coffeeshopexploitanten de exploitatie van een coffeeshop op de tijdelijke locatie na voltooiing van de bouwwerken op de nieuwe locatie te staken en gestaakt te houden. De overeenkomst maakt geen melding van een termijn waarbinnen de bouwwerken op de definitieve locatie dienen te worden voltooid.

Voor wat het huurcontract tussen de gemeente Maastricht en de stichting “Le Phare” betreft merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat deze overeenkomst geen betekenis heeft voor het perceel met nummer 6226, omdat dit niet in het contract wordt vermeld. Wel wordt vermeld het perceel met nummer 5609; dit speelt echter geen rol bij de vergunningverlening. De huurovereenkomst tussen de gemeente en de stichting is aangegaan voor een periode van maximaal drie jaren. Voorts is in deze overeenkomst bepaald dat de stichting het gehele terrein, bestaande uit de onbebouwde terreingedeelten, alsmede de daarop geplaatste bouwwerken, ontdaan van alle (tijdelijke) voorzieningen en in de staat en toestand zoals ze op het moment van het aangaan van de onderhavige huurovereenkomst verkeerden, bij het einde van deze overeenkomst zal dienen op te leveren.

Zoals blijk uit artikel 1, tweede lid, van de huurovereenkomst tussen de provincie Limburg en de gemeente Maastricht is ook deze overeenkomst aangegaan voor de duur van drie jaren. In artikel 2 van de overeenkomst is echter bepaald dat de huurovereenkomst in afwijking van artikel 1, tweede lid, zal eindigen in het geval een andere locatie voor de definitieve vestiging van de coffeeshops wordt gevonden. Alsdan wordt deze overeenkomst beëindigd met ingang van drie maanden na het onherroepelijk worden van de besluiten die noodzakelijk zijn om de andere locatie in gebruik te nemen. Verder is bepaald dat partijen, indien noodzakelijk, gezamenlijk kunnen besluiten deze termijn eenmalig met drie maanden te verlengen.

Ter zitting is namens verzoekers aangevoerd dat uit artikel 2 voortvloeit dat de looptijd van de overeenkomst ook langer dan drie jaren kan bedragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de woorden “in afwijking van artikel 1, tweede lid” verwarring oproepen, omdat in de bepalingen van overeenkomst niet buiten twijfel wordt gesteld dat deze afwijking alleen ziet op de situatie dat al binnen drie jaren een definitieve locatie wordt gevonden. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat deze laatste lezing is beoogd en ook uit de considerans van de overeenkomst blijkt dat dit de bedoeling is geweest. Gelet op de strenge eisen die in de jurisprudentie aan het aannemelijk maken van de tijdelijkheid van de vrijstelling worden gesteld, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter voor de hand gelegen deze bedoeling duidelijker in de overeenkomst vast te leggen.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in de overeenkomst tussen de provincie en de gemeente een boetebeding is opgenomen, onder andere met betrekking tot de verplichting van de gemeente de gehuurde percelen bij beëindiging van de overeenkomst in dezelfde toestand als bij het begin van de huurperiode op te leveren. Een dergelijke beding ontbreekt echter in de huurovereenkomst tussen de gemeente en de stichting “Le Phare”.

Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat voornoemde overeenkomsten weliswaar een aanwijzing kunnen bieden voor de tijdelijkheid van de vestiging van de coffeecorner aan de [A-straat], maar dat de vraag of er sprake is van voldoende objectieve en concrete gegevens om de tijdelijkheid aannemelijk te maken mede afhangt van andere factoren. Een factor die direct betrekking heeft op de overeenkomsten is dat in de overeenkomsten niet is vastgelegd dat deze niet verlengd kunnen worden. Namens verzoekers is terecht aangevoerd dat deze omstandigheid meebrengt dat de overeenkomsten, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, kunnen worden verlengd. Deze laatste constatering is niet zonder betekenis voor de waarde die verweerder hecht aan de Wbr-vergunning. Verweerder heeft zich weliswaar terecht op het standpunt gesteld dat het namens verzoekers tegen deze vergunning gemaakte bezwaar er niet aan in de weg staat dat op dit moment van de rechtsgeldigheid van deze vergunning en dus ook van de beperking van de geldingsduur daarvan tot drie jaren mag worden uitgegaan, maar dat met het verstrijken van deze termijn nog niet is gegarandeerd dat de coffeeshops aanstonds van de tijdelijke locatie zullen worden verwijderd.

Dat de coffeeshophouders na afloop van de termijn van drie jaren gehouden zouden zijn hun coffeeshops weer te verplaatsen naar de oorspronkelijke locaties in de binnenstad, acht de voorzieningenrechter evenmin een hard gegeven om de tijdelijkheid van de vestiging aan de [A-straat] aannemelijk te maken. Verweerder refereert hierbij kennelijk aan de aan de inleidende paragraaf van het prestatiecontract (getiteld: “in aanmerking te nemen”), waarin is vermeld dat “de gemeente zoveel mogelijk zal medewerken aan een terugkeer naar de huidige, door de vergunninghouders daartoe gereserveerd te houden, locatie(s) in de binnenstad indien de voorgenomen verplaatsing(en) van coffeeshops naar buiten de binnenstad niet mochten kunnen worden gerealiseerd”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter houdt deze bepaling voor de gemeente een inspanningsverplichting in om mee te werken aan een terugkeer naar de oorspronkelijke locaties. Voorzienbaar is echter dat de vraag of nakoming van deze verplichting tot het gewenste resultaat zal leiden van vele onzekere factoren afhankelijk is.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 (LJN: AV6238) terecht op het standpunt gesteld dat tevens aannemelijk dient te worden gemaakt dat een beoogde definitieve locatie niet op planologische bezwaren zal stuiten. Gebeurt dit niet dan kan volgens verzoekers geen uitsluitsel geboden worden omtrent de situering van deze locatie en evenmin omtrent het tijdstip waarop die locatie beschikbaar is, zoals vereist is om aan te tonen dat concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn die het tijdelijke karakter van de vrijstelling aannemelijk maken.

Vast staat dat de raad van de gemeente Maastricht op 26 juni 2007 een voorbereidingsbesluit heeft genomen om een permanente vestiging van de coffeecorner aan de [B-weg] te Maastricht mogelijk te maken. Tussen partijen is voorts niet in geding dat realisering van dit plan is bemoeilijkt door de aanwezigheid van een belopen dassenburcht op deze locatie. Uit de stukken blijkt dat deze constatering en de hiermee samenhangende bezwaren van ecologische aard de directe aanleiding zijn geweest om de coffeecorner thans op de beoogde tijdelijke locatie te vestigen. Het in het collegevoorstel van 12 juni 2007 aan de gemeenteraad voor augustus-eind september 2007 in het vooruitzicht gestelde ontwerpplan lag ten tijde van de zitting nog niet ter inzage. In de ter voorbereiding van de bestreden besluiten opgestelde ambtelijke nota van 9 oktober 2007 is vermeld dat wordt onderzocht of bouwen in de nabijheid van de dassenfamilie dan wel het verplaatsen van deze familie mogelijk is. Vermeld is voorts dat dit onderzoek en de te kiezen oplossing enige maanden zullen vergen. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder nog geen nadere duidelijkheid over de voorgenomen definitieve locatie kunnen verschaffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de problemen van ecologische aard, thans nog geen zekerheid bestaat omtrent de definitieve situering van de coffeecorner.

Al het voorgaande in aanmerking genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende objectieve concrete gegevens heeft aangedragen om aannemelijk te maken dat de vestiging van de coffeecorner aan de [A-straat] een tijdelijk karakter heeft. In het feit dat voor de plaatsing van de coffeeshops geen permanente bebouwing wordt opgericht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van het Bro, wat leidt tot het oordeel dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 17 van de WRO.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten in een eventuele bodemprocedure niet in rechte kunnen worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de verzoeken, voor zover deze ontvankelijk zijn, toe te wijzen en de bestreden besluiten te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen besluiten op bezwaar.

Met het oog op de te nemen besluiten op bezwaar ziet de voorzieningenrechter aanleiding nog het volgende te overwegen.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat voor de op te richten coffeecorner geen vergunning op grond van de Wet milieubeheer behoeft te worden aangevraagd en dat met een meldplicht kan worden volstaan. Verzoekers hebben dit standpunt bestreden. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat uitgaande van het door verweerder als uitgangspunt genomen te verwachten bezoekersaantal van 4.500 per dag, de coffeecorner ruimschoots meer dan 500.000 bezoekers per jaar zal aantrekken.

Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de coffeecorner, die kan worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, vergunningplichtig is als deze kan worden aangemerkt als een inrichting voor recreatie die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekt als bedoeld in Bijlage 1 Lijst van vergunningplichtige inrichtingen, onder cc, bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2003 (LJN: AF8308) acht de voorzieningenrechter het zeer wel mogelijk dat de op te richten coffeecorner als een recreatieve voorziening is aan te merken. Afgaande op de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende ambtelijke notities zou bovendien voldaan zijn aan de voorwaarde dat het aantal bezoekers 500.000 of meer per jaar bedraagt. Ter zitting heeft verweerder echter verklaard dat de genoemde aantallen zien op de absolute piekbelasting en dat veeleer moet worden gerekend op een aantal van 360.000 bezoekers per jaar. Ter onderbouwing van dit aantal bezoekers heeft verweerder verwezen naar een evaluatie van de gemeente Venlo. Voorts heeft verweerder gerefereerd aan onderzoeken die met betrekking tot de verplaatsing van coffeeshops in Terneuzen zijn verricht. Nog afgezien van het feit dat verweerder de resultaten van deze onderzoeken niet aan de rechtbank heeft overgelegd, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom deze onderzoeken zien op een vergelijkbare situatie als thans in geding is. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat verweerder zelf onderzoek verricht naar het aantal te verwachten bezoekers.

Met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de vestiging van de coffeecorner heeft verweerder aangegeven met behulp van CAR II versie 5.1 onderzoek te hebben verricht naar de invloed van het plan op de luchtkwaliteit en daarbij vermeld dat uit dat onderzoek is gebleken dat in de bestaande en nieuwe situatie wordt voldaan aan de grenswaarden van het Besluit Luchtkwaliteit. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven bij zijn onderzoek niet het juiste rekenmodel, CAR II versie 6.1, te hebben gehanteerd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat met gebruikmaking van laatstgenoemde rekenmethode nieuwe berekeningen zijn gemaakt en dat de rapportages waarin de onderzoeksresultaten zijn neergelegd beschikbaar zijn. Verweerder heeft aangevoerd dat de te verwachten luchtkwaliteitbelasting op grond van het nieuwe onderzoek lager komt uit de vallen dan op grond van het eerdere onderzoek het geval was en dat derhalve overeind blijft dat bij realisering van het plan binnen de door het Besluit luchtkwaliteit gestelde normen wordt gebleven.

Met verwijzing naar het zich bij de stukken bevindende rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV van 29 januari 2008 stellen verzoekers dat het onderzoek naar de luchtkwaliteitbelasting bij realisering van het plan onvolledig en onvoldoende zorgvuldig is verricht. Verzoekers wijzen erop dat verweerder aanvankelijk gebruik heeft gemaakt van een verouderde en voor de onderhavige situatie ongeschikte rekenmethode. Volgens verzoekers biedt het tot de gedingstukken behorende interne memo over het onderzoek naar de luchtkwaliteit geen enkel inzicht in de wijze waarop verweerder tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van strijd met artikel 7 van het Besluit Luchtkwaliteit. Verder hebben verzoekers in dit verband aangevoerd dat verweerder bij zijn onderzoek de feitelijke situatie geheel buiten beschouwing heeft gelaten.

De voorzieningenrechter acht het van belang dat verweerder in het besluit op bezwaar duidelijkheid verschaft over de vraag of bij realisering van de vestiging van de coffeecorner binnen de grenswaarden van het Besluit Luchtkwaliteit zal worden gebleven.

De voorzieningenrechter overweegt ten slotte dat namens verzoekers diverse gronden zijn aangevoerd die betrekking hebben op de belangenafweging waartoe verweerder bij de toepassing van artikel 17 van de WRO gehouden is. Verzoekers hebben gewezen op de verkeersoverlast die volgens hen van de vestiging van de coffeecorner aan de [A-straat] te vrezen valt en op de gevaren die deze meebrengt. Meer in het bijzonder hebben verzoekers gewezen op het vele (middelbare)schoolgaande (fiets)verkeer op de route van de [A-straat]. Dat deze groep zo direct blootgesteld wordt aan een verkooplocatie van drugs achten verzoekers in strijd met het eigen beleid van verweerder coffeeshops te weren uit de onmiddellijke nabijheid van scholen. Volgens verzoekers kan de onmiddellijke nabijheid van een schoolroute niet van dit beleid worden uitgezonderd.

In zijn reactie op de zienswijzen die in het kader van de voorbereiding van het bestreden vrijstellingsbesluit zijn ingediend heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beleid om geen coffeeshops in de buurt van scholen te vestigen niet betekent dat er geen coffeeshops aanwezig mogen zijn in gebieden waar jongeren op weg naar school of huis doorheen komen. Verweerder heeft erop gewezen dat het terrein van de coffeecorner geheel is afgerasterd en voorzien is van een 24-uurs personele bewaking en camerabewaking en dat bezoekers bij het betreden ervan een slagboom en een portierspost moeten passeren. Volgens verweerder kunnen jeugdigen dan ook niet ongemerkt het terrein betreden, nog afgezien van de mogelijkheid om door de bewaakte toegangscontrole bij de coffeeshops zelf te komen. Verweerder heeft erop gewezen dat voor de coffeeshopexploitanten een verbod geldt op toelating van jongeren onder de 18 jaar en verkoop aan jeugdigen onder de 18. Niet naleving hiervan leidt volgens verweerder tot strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen, zoals sluiting van de inrichting. Volgens verweerder hebben de coffeeshophouders er zelf dan ook alle belang bij deze regels strikt toe te passen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat verweerder aldus geheel voorbij aan de door hemzelf zo gevreesde overlast van de coffeeshops buiten de inrichting, waarbij in het bijzonder te denken valt aan de overlast van drugsrunners. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het beleid van verweerder de coffeeshops aan de randen van de stad te vestigen erop gericht is de overlast beter beheersbaar te maken, maar merkt op dat volgens verweerder ook van de tijdelijke locatie voor “relatieve” overlast valt te vrezen. De voorzieningenrechter acht het van belang dat verweerder in het bestreden besluit nader motiveert waarop zijn verwachtingen zijn gebaseerd dat de overlast buiten het terrein waarop de coffeecorner wordt gevestigd binnen aanvaardbare grenzen zal blijven. De voorzieningenrechter acht het in het bijzonder van belang dat verweerder nader motiveert waarom vestiging op de beoogde locatie verantwoord is met het oog op de dagelijks passerende schoolkinderen.

De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die verzoekers, voor zover hun verzoeken ontvankelijk zijn, in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door derden beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De voorzieningenrechter kent in de zaken AWB 08/263 en AWB 08/264, waarin mr. Schobben als gemachtigde is opgetreden twee punten met elk een waarde van € 322,- toe voor de indie¬ning van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting. In de overige zaken, waarin mr. Stoop als gemachtigde is opgetreden, kent de voorzieningenrechter eveneens twee punten met elk een waarde van € 322,- toe voor de indiening van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting. De voorzieningenrechter bepaalt het gewicht van alle zaken, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand in de zaken AWB 08/263 en AWB 08/264 tezamen genomen bedraagt derhalve 2 x € 322,- x 1 = € 644,-. Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand in de overige zaken tezamen genomen bedraagt derhalve

2 x € 322,- x 1 = € 644,-.

Gelet op artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

1. wijst de verzoeken van verzoekers sub 1, verzoekers sub 2 en de raden van de gemeenten Eijsden, Voeren en Visé toe;

2. schorst de bestreden besluiten tot zes weken na de bekendmaking van de besluiten op bezwaar;

3. bepaalt dat het in de zaken AWB 08/117 en AWB 08/118 betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht aan verzoekers sub 2 en de raad van de gemeente Eijsden;

4. bepaalt dat het in de zaken AWB 08/263 en AWB 08/264 betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht aan de raden van de gemeenten Voeren en Visé;

5. bepaalt dat het in de zaken AWB 08/271 en AWB 08/272 betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- wordt vergoed door de gemeente Maastricht aan verzoekers sub 1;

6. veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure op de wijze als in het slot van rubriek 2 van deze uitspraak is vermeld.

7. verklaart de verzoeken van de overige verzoekers niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. Frings als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2008 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. A. Frings w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:11 maart 2008

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.