Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC6106

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
125715 / OT RK 08-22
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strikte toepassing van artikel VII, lid 4 jo lid3 van de wet gesloten jeugdzorg, kan leiden tot strijd met het belang van het kind als bedoeld in artikel 3 van het verdrag inzake de rechten van het kind.

In voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat de minderjarige zonder zijn of haar instemming en die van degene die het gezag over hem of haar uitoefent, toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 21 februari 2008

Zaaknummer: 125715 / OT RK 08-22

VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING EN MACHTIGING GESLOTEN JEUGDZORG

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstaande minderjarige:

[minderjarige] geboren te Maastricht op [1993],

raadsvrouwe mr. J.H.J. Köhlen

kind van:

[moeder], wonende te [adres].

De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag.

1. Verloop van de procedure:

De minderjarige is onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.

De ondertoezichtstelling loopt tot 22 februari 2008.

Bij beschikking van 22 februari 2007 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg heeft op 4 januari 2008 verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg heeft op 31 januari 2008 het indicatiebesluit en het Psychodiagnostisch Onderzoek van het Ambulatorium d.d. 30 januari 2008 overgelegd.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg heeft tevens op 31 januari 2008 een verklaring van Bureau Jeugdzorg overgelegd dat de situatie als voorzien in art 29b lid 3 wet op de jeugdzorg zich voordoet.

Aangezien de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg machtiging heeft verzocht tot plaatsing van de minderjarige in een justitiële jeugdinrichting, is aan de minderjarige als raadsvrouwe mr. J.H.J. Köhlen toegevoegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 1 februari 2008.

Op 1 februari 2008 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg nog een instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, conform het bepaalde in artikel art 29b lid 3 wet op de jeugdzorg, overgelegd.

2. Beoordeling:

2.1. Ingevolge artikel VII van de op 1 januari 2008 in werking getreden wet gesloten jeugdzorg (nummer 30644) dient het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting te worden beschouwd als een verzoek om een machtiging gesloten jeugdzorg te verlenen.

2.2. Ter mondelinge behandeling heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg gepersisteerd bij de verzoeken en daartoe verwezen naar de stellingen en motivering in het verzoekschrift en de overgelegde bescheiden.

2.3. Mr. Köhlen heeft namens [minderjarige] aangegeven zich niet te verzetten tegen verlenging van de ondertoezichtstelling.

[minderjarige] verzet zich tegen de uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. [minderjarige] wil het liefst naar een “open groep” en verzoekt de verzochte machtiging af te wijzen danwel om de termijn van de machtiging te bepalen op 4 maanden onder aanhouding van beslissing over de resterende termijn.

[minderjarige] heeft daartoe gesteld dat hij nog steeds in de crisisopvang verblijft en dat van behandeling of uitwerking van de gestelde doelen op dit moment nog geen sprake is.

[minderjarige] is op dit moment ongemotiveerd omdat de behandeling zo lang op zich laat wachten en omdat hij pas weinig verlof heeft gehad. [minderjarige] stelt dat escalaties veelal met de verlofregeling te maken hebben en dat indien hij iets meer vrijheid krijgt de escalaties zullen uitblijven. [minderjarige] denkt die verantwoordelijkheid aan te kunnen en wil dit ook bewijzen.

[minderjarige] weet wat hij wil bereiken en weet dat hij zijn agressie moet leren beheersen, de hulp die hij daarvoor nodig heeft laat echter te lang op zich wachten.

Het Keerpunt, waar [minderjarige] verblijft, heeft blijkens mededeling van de gezinsvoogd, aangegeven momenteel nog geen plek voor [minderjarige] te hebben binnen Icarus, niet omdat er geen plaats voor [minderjarige] zou zijn maar omdat de faciliteiten aldaar nog niet afdoende zouden zijn: er dient nog een hek omheen geplaatst te worden. Dit zou betekenen dat [minderjarige] voorlopig binnen de JJI zou moeten verblijven bij afgifte van de machtiging in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Er is binnen de instelling onduidelijkheid over de vraag welk regime moet worden toegepast op kinderen die met een machtiging in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verblijven in een JJI. Het Keerpunt past het regime van de JJI toe en dit is volgens [minderjarige] onjuist.

Gezien het feit dat het Keerpunt [minderjarige] voorlopig in de JJI wil houden en dat regime op hem zal blijven toepassen dient [minderjarige] niet binnen de JJI geplaatst te worden maar binnen Icarus, aldus [minderjarige].

2.4. De moeder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

De moeder geeft met betrekking tot de uithuisplaatsing aan dat zij het liefst ziet dat [minderjarige] naar huis komt.

2.5. Op grond van de verkregen informatie van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg zoals in opgemeld verzoek is aangegeven, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

2.6. Op grond van de onderbouwing van het verzoek is de kinderrechter tevens van oordeel dat, gelet op de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, het verzoek betreffende de plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg dient te worden toegewezen.

2.6.1.De kinderrechter betrekt bij zijn oordeel het volgende.

Blijkens de rapportages en het verhandelde ter zitting is bij [minderjarige] sprake van een zorgelijke ontwikkeling, met name op sociaal-emotioneel vlak. Reeds vanaf jonge leeftijd is er sprake van forse gedragsproblemen die mede zijn ontwikkeling ernstig hebben belemmerd. Door verhoogde autonomie gevoelens is [minderjarige] niet in staat zich aan te passen aan de eisen van zijn omgeving. Daarin lijkt zijn gehechtheidontwikkeling een rol te spelen. [minderjarige] heeft niet geleerd vertrouwen in volwassenen te hebben.

Moeder is beperkt in haar pedagogische capaciteiten.

Stiefvader is door de wijze waarop hij conflicten hanteert, een slecht voorbeeld voor [minderjarige] geweest.

Contact met leeftijdgenoten worden gekenmerkt door weinig wederkerigheid en door conflicten. De regulatie van emoties bij [minderjarige] is verstoord. [minderjarige] is geneigd zich als onkwetsbaar te presenteren maar lijkt zich hierin te overschreeuwen uit angst voor controle verlies. Er zijn forse zorgen rondom zijn identiteitsontwikkeling die steeds verder onder druk komt te staan.

[minderjarige] raakt daardoor steeds verder verstrikt in negatieve interactie patronen, waarin hij voorts opvalt door zelfoverschatting.

Volgens de DSM IV classificatie is er sprake van op:

As I: reactieve hechtingsstoornis op vroege kinderleeftijd, gedragsstoornis, type beginnend in de kindertijd, matig, ouder-kind relatie problemen;

As II: bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling;

As III: gehoorprobleem linker oor

As V: Problemen binnen de primaire steungroep( afwijzing biologische vader, traumatische voorgeschiedenis, beperkte cognitieve vaardigheden moeder), en opvoedingsproblemen(schoolproblemen).

As V: Gaf score: 45.

Er is voorts mogelijk sprake van een psychopathologie, dit gezien de ernstige agressie problematiek.

Tenslotte blijkt dat de gewetensontwikkeling gebrekkig is.

2.6.2. Er zal naar het oordeel van de kinderrechter behandeling dienen plaats te vinden.

Hat advies van het Ambulatorium is een gesloten behandeling. De kinderrechter sluit zich daarbij aan. Bij open plaatsing bestaat het grote risico dat [minderjarige] zich daaraan zal onttrekken. [minderjarige] moet ook tegen zichzelf beschermd worden gezien de zeer hevige agressiedoorbraken, ook al is dat alleen maar gericht op goederen.

Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b Wjz, zodat het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg in principe voor toewijzing vatbaar is.

2.7. Gebleken is echter dat voornoemde machtiging voorlopig ten uitvoer zal worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting het Keerpunt, omdat de accommodatie als bedoeld in artikel 29 k lid 1 Wjz met de naam Icarus, nog niet gereed is, althans het niet raadzaam wordt gevonden [minderjarige] in de bestaande onvoldoende beveiligde voorziening van Icarus te gaan behandelen.

Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat de BJZ een beroep doet op artikel VII, lid 4 Wjz. In dat geval heeft de wetgever echter bepaald dat de instemming van de minderjarige en degene die het gezag over hem uitoefent, vereist is om de eerdergenoemde machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen in een justitiële jeugdinrichting.

In het onderhavige geval is van die instemming geen sprake, immers de minderjarige en zijn moeder belast met gezag verzetten zich tegen een gesloten jeugdzorg, hetgeen de kinderrechter tevens begrijpt als een weigering om in stemmen met een verblijf in een JJI.

Een en ander brengt naar het oordeel van de kinderrechter met zich mee dat het verlenen van een machtiging gesloten jeugdzorg, in de wetenschap dat er geen plaats is in een voorziening voor gesloten jeugdzorg, toch niet zou dienen plaats te vinden.

2.7.1. Strikte toepassing van de wet zou evenwel er toe leiden dat de minderjarige op basis van de machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg niet in een justitiële jeugdinrichting mag worden geplaatst en bij gebrek aan plaatsingsmogelijkheden in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg naar huis zou gaan.

Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

De kinderrechter is van oordeel dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wjz zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3, lid 1 IVRK staat vermeld. Immers in voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat de minderjarige zonder zijn of haar instemming en die van degene die het gezag over hem of haar uitoefent, toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

In het onderhavige geval is strikte toepassing van de Wjz niet in het belang van [minderjarige]l zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK. Immers, in geval van strikte toepassing zou het [minderjarige] ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij gelet op zijn problematiek zo hard nodig heeft in een gesloten setting.

Ook thuisplaatsing is geen reële mogelijkheid omdat naar het oordeel van de kinderrechter het pedagogisch klimaat daar onvoldoende is om de problemen van de minderjarige aan te pakken. In het verleden is gepoogd met hulpverlening in de thuissituatie het gedrag van de minderjarige positief te beïnvloeden, doch dat is mislukt. De kinderrechter is niet gebleken dat het pedagogisch klimaat thans zodanig is veranderd dat met hulpverlening in de thuissituatie met succes kan plaatsvinden.

De kinderrechter overweegt tot slot dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat [minderjarige] niet in een justitiële jeugdinrichting kan verblijven.

2.8. Door de minderjarige is nog verzocht de machtiging te verlenen voor een periode van 4 maanden, en het verzoek voor de resterende termijn aan te houden.

De kinderrechter zal daartoe niet overgaan. De behandeling die de minderjarige nodig heeft in een gesloten setting, zal, gezien het oordeel als onder 2.6.1. weergegeven, naar het oordeel van de kinderrechter zeker één jaar in beslag nemen. Mocht intussen het gedrag van de minderjarige zodanig verbeterd zijn dat behandeling in een gesloten setting niet meer nodig is, dan kan verzocht of besloten worden tot beëindiging van de plaatsing over te gaan.

De verzoeken dienen derhalve te worden toegewezen.

3. Beslissing:

Verlengt de termijn waarvoor voornoemde minderjarige onder toezicht is gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 22 februari 2008 voor de termijn van één jaar.

Verleent machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige

in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 22 februari 2008 voor de termijn van één jaar.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.E.C.M. Dahmen, kinderrechter en in het openbaar op 21 februari 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

BE

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.