Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2008:BC5445

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
Rekestnummer: 07/406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

"Bij strafvorderlijk beslag op gegevensdragers, waarop strafbare en niet-strafbare gegevensbestanden zijn aangetroffen, is de officier van justitie in beginsel niet verplicht tot teruggave van de niet-strafbare gegevensbestanden noch tot teruggave van een kopie.''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Rekestnummer: 07/406

Deze beschikking is gegeven door de rechtbank te Maastricht, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van

[belanghebbende],

geboren op [geboorteplaats en datum belanghebbende],

wonende te [adres belanghebbende]

hierna te noemen: de belanghebbende.

De belanghebbende heeft in deze zaak woonplaats gekozen te Maastricht, ten kantore van zijn raadsman, mr. M.M.H. Zuketto.

De procesgang

Het klaagschrift is op 18 september 2007 ter griffie van de rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 2 november 2007 de officier van justitie en de raadsman in openbare raadkamer gehoord. Op laatstgenoemde datum is de behandeling van de zaak op verzoek van de raadsman aangehouden, en wel tot 19 december 2007. Op die datum is de behandeling voortgezet, waarbij de belanghebbende zijn standpunt bij monde van zijn raadsman heeft doen bepleiten, overeenkomstig de inhoud van de pleitnotitie. Ten einde de officier van justitie de gelegenheid te geven te reageren op gerezen vragen, is de behandeling van de zaak daarop wederom aangehouden, ditmaal tot 6 februari 2008. Bij die gelegenheid heeft de officier van justitie gereageerd overeenkomstig de inhoud van een door hem opgesteld schriftelijk stuk. Vervolgens heeft de raadsman deze reactie van commentaar voorzien, waarna is bepaald dat er op 21 februari 2008 een beslissing zal volgen.

De belanghebbende is nimmer in persoon in raadkamer verschenen.

De vaststaande feiten

De belanghebbende is als international marketing consultant werkzaam en heeft daartoe een eigen bedrijf. Daarnaast is hij actief als bestuurder van een aantal rechtspersonen met maatschappelijke, culturele en ideële doelstellingen. Voor al deze activiteiten maakt de belanghebbende gebruik van computers.

Op 2 augustus 2007 zijn onder de belanghebbende, op verdenking van overtreding van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (bezit van kinderpornografische afbeeldingen), onder meer negen computers in beslag genomen.

In augustus en september 2007 zijn deze computers aan de belanghebbende teruggegeven, met uitzondering van de harde schijven van twee computers, waarop kinderpornografisch materiaal was aangetroffen.

Naar aanleiding van de raadkamerzitting op 2 november 2007 zijn er vervolgens van de desbetreffende gegevensdragers 1550 Word-bestanden, 573 Excel-bestanden en 2 Access-bestanden op cd-rom aan de belanghebbende ter beschikking gesteld.

De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de overige niet-strafbare gegevensbestanden, waaronder met name het e-mailverkeer, de privé-correspondentie en een collectie foto’s.

Het standpunt van de belanghebbende

De belanghebbende legt aan zijn verzoek tot teruggave van de genoemde gegevensbestanden

- een teruggave die zijns inziens valt onder de reikwijdte van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat voortduring van het beslag onrechtmatig is. Hij voert daartoe aan dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in deze zaak worden geschonden, nu hij nog steeds niet kan beschikken over de niet-strafbare gegevens op zijn computers, terwijl hij deze juist nodig heeft om zijn grote zakelijke en financiële belangen te kunnen behartigen. In die situatie had de officier van justitie hem ter zake tegemoet moeten komen door het verstrekken van een kopie van die gegevensbestanden dan wel, gelet op het bepaalde in artikel 125o Sv, door het retourneren van de bewuste computers na vernietiging c.q. ontoegankelijkmaking van de strafbare bestanden. Dat het openbaar ministerie op dit punt nalatig blijft, acht de belanghebbende voorts in strijd met bepalingen in het kader van het Europese Verdrag.

Overigens betwist de belanghebbende wetenschap te hebben van de aanwezigheid van kinderpornografische bestanden op zijn computers.

De reactie van de officier van justitie

De officier van justitie verzet zich tegen de verzochte teruggave, omdat hij voornemens is te zijner tijd in de strafzaak tegen de belanghebbende onttrekking aan het verkeer van de (harde schijven van de) twee computers te vorderen.

Voor teruggave van de niet-strafbare gegevensbestanden aan de belanghebbende is volgens de officier van justitie geen grond. In verband daarmee neemt hij het standpunt in dat het beslag niet zozeer rust op de gegevensbestanden als zodanig, als wel op de gegevensdragers, te weten de harde schijven van de computers, waarop de gegevensbestanden zijn opgeslagen en zonder welke dragers de bestanden niet “bestaan”. Deze gegevensdragers kunnen, zoals gezegd, niet worden teruggegeven in verband met de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal; daarmee is er voor teruggave van de niet-strafbare gegevens geen plaats.

Voor teruggave van de gegevensdragers na vernietiging c.q. ontoegankelijkmaking van de kinderpornografische bestanden ziet de officier van justitie geen aanleiding, nu het enerzijds nog maar de vraag is of deze ingreep, gezien de snel voortschrijdende technische ontwikkelingen op computergebied, definitief is en blijft, en anderzijds de uitvoering ervan in de praktijk zeer veel werk voor de politie zou betekenen.

Dit laatste geldt evenzeer voor het ter beschikking stellen van een kopie van de gegevensbestanden, waartoe de officier van justitie zich trouwens evenmin verplicht acht.

Dat hij in deze zaak desalniettemin reeds veel gegevensbestanden in kopie aan de belanghebbende ter beschikking heeft gesteld, is volgens de officier van justitie ingegeven door overwegingen van coulance.

Van strijd met enige bepaling in het kader van het EVRM is volgens de officier van justitie geen sprake, nu de Nederlandse staat zich verplicht heeft de rechten van het kind te beschermen en daartoe het bezit van kinderporno strafbaar heeft gesteld, terwijl het eigendomsrecht van de belanghebbende daaraan ondergeschikt is.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is bevoegd van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, nu

de inbeslagneming binnen haar arrondissement heeft plaatsgevonden.

Het klaagschrift is ingediend binnen de bij artikel 552a, derde lid, (tweede volzin) dan wel vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

Het gaat in deze procedure om de vraag of de belanghebbende recht kan doen gelden op teruggave, in enige vorm, van de niet-strafbare gegevensbestanden.

Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. Zij acht daartoe het volgende redengevend.

Uit het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 8 augustus 2007 blijkt dat er op 2 augustus van dat jaar onder meer diverse computers onder de belanghebbende in beslag zijn genomen, op verdenking van de aanwezigheid van kinderpornografische bestanden. Blijkens de mededeling van de officier van justitie zijn op twee (harde schijven van deze) computers daadwerkelijk dergelijke bestanden aangetroffen. Nu het bezit van kinderpornografie een strafbaar feit betreft, is daarmee de rechtmatigheid van het beslag gegeven. Voor teruggave van de gegevensdragers in de aangetroffen staat is dan ook geen plaats.

Tot teruggave van deze gegevensdragers, kort gezegd ontdaan van het strafbare materiaal, acht de rechtbank de officier van justitie in beginsel niet verplicht, nu het ingevolge het bepaalde in artikel 125o Sv, voor zover thans van belang, ter beoordeling van de officier van justitie staat of hij, rekening houdend met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, wel of niet daartoe overgaat.

Dat laatste geldt ook, waar het teruggave van de gegevensbestanden in kopie betreft. De rechtbank acht de officier van justitie daartoe niet gehouden, nu zij met hem van oordeel is dat gegevensbestanden in principe geen zelfstandig bestaansrecht toekomt, daar deze immers enkel met behulp van een gegevensdrager kunnen worden gevisualiseerd. Nu in casu op de gegevensdragers beslag is gelegd wegens de aanwezigheid van strafbare bestanden, treft dit beslag tevens de niet-strafbare bestanden die eveneens op deze gegevensdragers opgeslagen zijn.

Technisch behoort het heden ten dage tot de mogelijkheden gegevensbestanden van de ene naar de andere gegevensdrager te kopiëren. Of daartoe ook in het onderhavige geval zou moeten worden overgegaan, is een kwestie van belangenafweging.

In deze zaak heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het voor het justitiële opsporingsapparaat nagenoeg ondoenlijk is om de resterende, (mogelijk) strafbare en niet-strafbare, gegevensbestanden te scheiden, nu dit zou betekenen dat een verbalisant al die bestanden handmatig, stuk voor stuk, moet openen en onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van kinderpornografie. Gelet op de tijd die het onderzoek tot nu toe reeds in beslag heeft genomen, vergt dit een onevenredig zware inspanning van de opsporingsdiensten, aldus de officier van justitie.

Dit standpunt komt de rechtbank niet onaannemelijk voor en zij onderschrijft dan ook de beslissing van de officier van justitie op dit punt.

Daar komt bij dat het, naar het oordeel van de rechtbank, voorshands aan de belanghebbende zelf te wijten lijkt, dat hij in deze positie is komen te verkeren, nu het kinderpornografisch materiaal op dezelfde gegevensdragers is aangetroffen als waarop de belanghebbende zijn zakelijke en privé-email bestanden heeft opgeslagen, terwijl niet gesteld noch gebleken is dat ook anderen dan de belanghebbende toegang tot die bestanden hadden.

Onder de geschetste omstandigheden is van strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit geen sprake, van schending van beginselen van Europees recht evenmin.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beslag niet kan worden opgeheven en dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.W.A. van den Berg, rechter, in tegenwoordigheid van R. Lenaerts, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer op 21 februari 2007.